Ik ben een wolk. Ik drijf. De zon schijnt op mijn rug. Ik besta maar wat. Een collectie flarden. De wind rukt aan me en ik laat me weer een beetje verwaaien. Wat mijn koers is, blijft onduidelijk. Maar komen zullen we er.

Het hemelsblauw heb ik mijn rug toegekeerd. Als ik al een blik werp, dan op aardse zaken. Beneden volgt mijn schaduw me. Je keert de hemel niet zomaar de rug toe zonder een schaduw te ontwikkelen. Niemand is ooit alleen. Als ik me op mijn zijde wentel, zwermen er vliegtuigen en meeuwen met me op. Voor hen ben ik zelfs maar een omgeving. Ik geef om. Ze hebben behoefte aan om, dus die krijgen ze ook.

Had ik een spiegel, dan zou ik vormen in mezelf pogen te ontwaren. Misschien een konijntje. Het schijnt Pasen te zijn. Ook dat gaat volledig aan me voorbij. Misschien zie ik er uit als een mandje, of een ei. Of een sigaret, of een kiezelsteen, of een krukas. Of een deurmat, een koffiemolen, een ontslagbrief. En spoedig verwaait de wereld me weer in een nieuwe vorm. Ik laat het gebeuren. Als ik twijfel had, zou ik twijfelen aan mijn koers. Maar ik ben een wolk. Ik drijf.