Dat ik mijn derde bundel helemaal anders wou doen. Dat besloot ik. Misschien was het de zon. De wind in mijn haren. De lustig draaiende wielen van een fiets die niet meer naar de hoogste versnelling wil schakelen. Waar ik overigens nodig iets aan moet laten doen. Misschien had ik enkele pintjes op. Soms gebeurt dat wel eens. Maar toch. De derde dichtbundel moest iets heel anders worden dan de eerste twee. Die ook enorm van elkaar verschillen, dus dan blijft alles tenminste hetzelfde.

Een titel heb ik al. En die ga ik hier niet aan uw neus hangen. Wacht eerst maar tot hij af is. Goeie titel, hoor. Daar mag ik trots op zijn. Enfin. Het concept dat ik me, al fietsend in de zon in lagere versnelling met een beetje zingend bloed, bedacht, was om al mijn positieve gedichten te bundelen. Een supervrolijke dichtbundel te maken, kortom. In plaats van die cynische shit en romantisch-depressieve dwalingen. Een bundel waar de lezer elke bladzij blijer van wordt. Ja, dat moest het worden.

Thuis keek ik naar de kandidaat-gedichten voor de bundel. Ik blijk helemaal geen supervrolijke gedichtjes te hebben. Ja, één. En die druipt van de ironie. Althans. Ja, het hangt maar net af van hoe je ‘m voorleest natuurlijk. Je zoú het gedicht ook vrolijk kunnen lezen. Het zijn toch ook rare jongens he, die gedichten.