Ik zie iets fladderen. Panisch. Net panisch genoeg om schaduwen te werpen. Ik opper dat het misschien weer een mot is. De Opperpater zegt dat het hem niks zou verbazen. “Niet de eerste die zich te pletter fladdert tegen mijn 400 Watt hallogeenlamp, knikker,” zegt hij. Het is geen mot. Het is een raar soort vliegje. Even later vliegt hij de lamp in en valt dood naar beneden.

De Opperpater vraagt wie mijn grote liefde was. Of het het meisje was waar ik 10 jaar heimelijk op verliefd ben gebleven. Ik antwoord dat ik geen grote liefde heb. “Ook niet die ene die je tijdens je burnout gedumpt heeft,” vraagt de Opperpater, “knikker ?” Ik zeg dat de dame in kwestie heel lang, zo niet permanent, op de haatlijst blijft.

Ik informeer naar het liefdesleven van de Opperpater. “Was ik maar bij de vrouw die me ontmaagd heeft gebleven,” mijmert hij. De Opperpater was 27. Hij had het meisje in kwestie een maand als vriendin. Daarna heeft hij nog twee vriendinnen gehad. De laatste in 2008. “En 100 x naar het Schipperskwartier in Antwerpen. En 50 x Korvelseweg. En 2 x Happy Ending bij een massage. 90 Euro, knikker,” zegt hij sigaret rokend. Ik vraag hem wanneer hij voor het laaatst zijn penis heeft gezien, omdat de Opperpater geen kleine buik heeft. “Een kwartier voor je aanbelde,” antwoordt hij eerlijk. Een mot valt uit de schemerlamp. Dood.