Het was niet zo’n kaasschaaf met een lange platte plaat, maar zo’n korte. Daar is hij geen held mee, nooit geweest. Dus heel zorgvuldig en voorzichtig heeft hij plakje voor plakje de schaaf over zijn ziel gehaald. De plakjes voorzichtig op een schaaltje in de koelkast. Elke ochtend haalt hij er een aantal uit, verpakt ze zorgzaam in wat vershoudfolie en loopt met de plakjes onder zijn arm het huis uit.
Hij probeert ze weer bij de ingang van de supermarkt te verkopen. Hij moet wel. Iets anders dan zijn ziel heeft hij niet meer. Ja, de kaasschaaf. Maar dat is een onding. En het schaaltje, maar dat heeft hij hard nodig, en is er bovendien een in miljarden. En de koelkast kreunt als de Kop van Jut na een zware dag klappen krijgen.
Hij houdt elke dag wat minder ziel over, dat wel. Maar daar maakt hij zich niet ongerust over. Op school hebben ze hem nooit kunnen uitleggen wat je nou aan die ziel had. Sterker, daar hadden ze hem juist ruim afdoende aangeleerd hoé hij hem moest verkopen. Vóór het eind van de dag zal hij voldoende verkocht hebben om nog even door te kunnen leven. Dat neemt hij zich stellig voor, en zet zijn aller zieligste gezicht op.


Geef een reactie