Ik kon maar met moeite mijn ogen van zijn hangende onderlip afhouden. Slungelig bungelde het donkerroze ding daar, onder zijn geopende mond, met een eindje in het langwerpige gezicht erboven, de dommige koeienogen. Arijan van Bavel’s dommige koeienogen. “Ik weet niet precies waar je het over wilt hebben,” begon hij, “maar politieke vragen wil ik dus eigenlijk liever niet. Daar zijn er de laatste tijd al veel van geweest, terwijl ik iedere keer zeg dat die hele toestand rondom het Midi-theater voor mij wel een afgesloten hoofdstuk is.” Lekker dan, dacht ik. Meneer bepaalt alvast even voor mij waar het interview over moet gaan. Maar zo zijn we niet getrouwd, Van Bavel. Ik besloot een sluwe route via zijn persoonlijk verleden te nemen. “Dat is prima, ik wou het eerder over Arijan de persoon hebben. Hoe was je jeugd, wat zijn je ouders voor mensen ?”
Van Bavel begon een vrij standaard verhaaltje af te steken. Redelijk gelukkige jeugd, behalve dan toch een beetje een buitenbeentje, lieve ouders, altijd gezellig thuis. Geboren in VVD-paradijsje Breda, dan studeren in Nijmegen, dan Tilburg, dan De Zingende Decoupeerzaag met de andere nep-josti’s. Zijn grote onderlip bungelde onder het praten naar links, naar rechts, op en neer. Kleine fluimpjes spetterden erop, drupten eraf, liepen hier en daar over zijn kin. Ik vroeg hem wat zijn ouders van zijn stappen op theatergebied vonden (slinkse aanzet tot een bruggetje). Ouders blij, uiteraard, onvoorwaardelijke steun, blablabla. En de hele tijd maar die bungelende lip. Als gehypnotiseerd staarde ik ernaar. Met moeite kon ik nog onderdrukken dat mijn eigen mond open zou gaan hangen, godbetert. Arijan praatte en praatte en praatte en opeens merkte ik iets bizars in mijzelf. Iets duisters. Iets opborrelend naar de oppervlakte. Mijn ogen dwaalden over de wattige wenkbrauwen, het zwak ogende brilmontuur, de sullige krulletjes in zijn haar. Een onbestemd gevoel begon mij te overweldigen. Ik kon het niet stoppen, hoe meer ik naar dit langwerpige eiergezicht staarde, hoe meer onwillekeurig ik mijn vuisten aan het ballen was. En voordat ik goed en wel het onderwerp van het Midi theater kon aankaarten, dat uiteindelijk tot de val van twee wethouders en het zijden draadje van een burgemeestercarrière zou leiden, sloeg ik plotseling een heel andere brug. De brug van zijn bril, welteverstaan. Verblufd keek Van Bavel me aan, en even verbluft keek ik naar mijn vuist, die zich zojuist vrijwel uit eigen beweging tegen die kromme neus van mijn gesprekspartner aan had geklapt. Een druppeltje bloed begon uit zijn neus te lopen, en nog steeds hing die domme mond wagenwijd open. Ik kon me niet beheersen en gaf Adje een volle mep tegen zijn lip. Hij knalde achterover van zijn stoel af en viel slungelig op de grond. Een rode waas begon voor mijn ogen te hangen, en alsof ik uit mezelf was getreden, voelde ik mezelf meteen opstaan en naar hem toerennen. Ik greep zijn kraag en gaf hem nog enkele butsen op het gezicht. Adje begon te huilen dat hij het niet begreep, wat had hij gedaan, stop stop. Ik stond terug overeind en staarde omlaag naar het lange klungelige lichaam op de grond. Zijn gezicht in zijn handen, bloed op de vingers, snikkend. Ik gaf hem een schop in zijn maag. Met een schreeuw sloeg hij dubbel. Maar het mocht niet baten, ik kon niet stoppen. Ik begon zo goed te begrijpen wat Paul de Leeuw hier telkens zo leuk aan had gevonden. Ik rook bloed, was niet meer te houden. De ene na de andere stomp, schop, knal deelde ik uit, en het bleef maar naar meer smaken. Greep hem bij zijn kraag, trok hem omhoog, en duwde hem tegen de muur. Onhandig probeerde hij mij met zijn lange armen af te weren, maar als een razende stompte ik in zijn maag, zette mijn knie in zijn ballen, sloeg toen zijn kin terug omhoog. Heerlijk ! Het was als zo’n boksbal op de kermis, als je eenmaal op gang komt kun je bijna niet meer stoppen. De gedachte dat ik misschien wel op tijd ergens een euro in moest steken, schoot door mijn hoofd, en ik begon hardop te lachen. En nog harder te lachen. En maar slaan. Ik smeet Van Bavel over zijn bureau en gaf hem in volle vlucht nog een trap na tegen zijn kont. De kluwen lange ledematen rolde over zijn Adje bureaublad, bonkte een stapel Adje scheurkalenders op de grond, deed enkele Adje stripboeken opfladderen. Ik rende terug om het bureau, waar Adje nu jankend over mijn stoel hing. Bloed liep in volle stromen op mijn jas die over de rugleuning hing. Ik sloeg nog wat meer en lachte alsmaar harder. Mijn god, wat heerlijk was dit. Dat dommige, dat voorspelbare, dat achterlijk nederige, die zelfverkozen underdog geven waar hij, in alles wat hij deed en zei, om vroeg. Ik stompte hem in zijn rug, zijn vermicelli-achtige lichaam boog in de volledige vorm van de stoel mee. Hij wou om hulp roepen maar zijn neus en mond zaten inmiddels zo vol bloed dat hij enkel kon hoesten en proesten. Met walging zag ik dat hij bovendien zijn broek aan het volplassen was. Ik stopte met slaan, deed een paar stappen uit. En begon luid te applaudiseren.
Mijn hemel, wat een topentertainment. Van mij mocht dat Midi theater er alsnog best komen. Iedere cent meer dan waard.

 
René van Densen
René van Densen
René van Densen (1978) is een cynische dromer, een lachende pessimist, een realistische romanticus, een honklosse kluizenaar, een intelligente mafkees, een bedachtzame schreeuwer, een podiumschuwe polderpoëet, ex-nachtburgemeester van Tilburg, ex-striptekenaar, ex-schrijver, ex-webdeveloper, ex-vuilnisman, ex-kind en ex-volwassene, ex-burger, en kattenpapa van een Gentse terror kitten. Eerste Nederbelg die toetrad tot de Wolven van La Mancha. Maar is uiteindelijk niet zo van de collectieven. U treft hem uitsluitend in vrouwonvriendelijke omgevingen aan, en die nieuwe roman van hem komt ook nooit af. Werd al eens omschreven als "onbegonnen werk" door een prachtige blondine.

www.renevandensen.nl
Meer René op Facebook !