Een catch-22 avant la lettre

De stof wordt er letterlijk afgeblazen. Bibliothecaris Rien Vissers schaamt zich zichtbaar. “Sorry hoor, maar het boek is al meer dan tien jaar niet uitgeleend.” Boeken die niet populair zijn, verdwijnen naar het magazijn. Dat lot viel ook Lucifer (1654) ten deel. Een sleutelwerk in het imposante oeuvre van Joost van den Vondel (1587-1679). De Nederlandse Shakespeare, de Goethe van de Lage Landen. Ik trek me met het toneelstuk terug in de middelste van drie stiltecabines van de bibliotheek. Links naast me een moslimmeisje, via haar mobiel druk in gesprek met een vriendin. Rechts een Tilburgse, ook aan de kwaak. Met vingers in mijn oren lees ik een vergeten meesterwerk.

Een onterecht vergeten meesterwerk. Want oei, oei, oei, de vonken vliegen er vanaf. Het thema is dan ook buitengewoon intrigerend: engelen die er een potje van maken. En waarom maken die engelen er zo’n potje van? Nou gewoon, omdat ze jaloers zijn. Jaloers op de mens, zojuist door god naar zijn evenbeeld geschapen. (Evenbeeld, een mooi woord.) De engelen zijn dus jaloers. Want stel dat de kersverse Adam & Eva en al hun nakomelingen de lievelingetjes van god worden. Dan zijn de engelen gedoemd tot dienstbaarheid. Dat kan natuurlijk niet. En hupsakee, de hemel staat in brand! Aan de ene kant stedehouder Lucifer. Hij voert een leger aan met daarin illustere namen als Belzebub, Belial en Apollion. Tegenover hem de veldheer Michaël, met zijn schildknaap Uriël en de beschermengelen Rafaël en Gabriël aan zijn zijde.

Op, trekt op, o gij Luciferisten,
Volgt deez’ vaan.
Rukt te hoop al uw krachten en listen.
Trekt vrij aan.

De diepgelovige Vondel schept een meeslepend drama. Engelen die er een potje van maken, dat is me ook nogal wat, zeker voor een gevoelige geest. Engelen moeten zachtjes zingen en fluisterend vliegen, in witte gewaden. Lief zijn. Niet elkaar met vlammende zwaarden hardhandig de kop in slaan. En om de tragedie compleet te maken: natuurlijk maken ook Adam & Eva er een potje van, in de luwte van de hemelse stormen. Ook zij houden zich niet aan gods regels. Foei! De gevolgen zijn dan ook fraai. Bijzonder fraai:

De Godheid dreigt de vrouw, die Adam heeft verleid,
Met weên en barendsnood en onderworpenheid;
Den man met arbeid, zweet en zorg en lastig slaven;
Den akker, die den mens ten leste zal begraven,
Met onkruid en veel ramp

Een moraliserende boodschap, zo op het eerste gezicht. Maar de ware strekking van Lucifer is niet zo gemakkelijk te duiden. De causaliteit tussen de motieven is behoorlijk complex. De hemel en de engelen zijn er volgens het Oude Testament (een boek) het eerst. Daarna schept god op aarde de mens, zoals gezegd naar zijn evenbeeld. (Evenbeeld, inderdaad een práchtig woord, met zijn verlokkende open klanken. Dat kan gewoon niet zonder gevolgen blijven.) De mens, die vervolgens op een lange dwaaltocht verzeild raakt – en uiteindelijk maar god en de engelen schept (naar zijn evenbeeld, uiteraard), je moet toch iets. Evenbeeld naar evenbeeld naar evenbeeld. Die grenzeloze fantasie hebben we toch niet voor niks. Projecteren maar!

En dan komt de dichter Vondel en die doet er met zijn geraffineerde verhaallijnen nog een schepje bovenop. De engelen maken er een potje van en verpesten het zo ook voor de mens. De creatie verziekt het voor de creatie van zijn creatie. Jawel, we hebben hier te maken met een catch-22avant la lettre. Er is gewoonweg geen ontkomen aan. We zitten gevangen. Gevangen in ons eigen hoofd. Vondel legt de vinger op de zwerende plek en bekritiseert daarmee impliciet ook zijn eigen geloofsovertuiging. We verdoemen onszelf, met grote geestdrift. Met opvallend grote geestdrift. Wat moeten we anders? Masochisme waar je U tegen zegt. Opgewekt verlaat ik de bibliotheek. Het regent. Heerlijk. Soms is het in de gevangenis best aangenaam.

Gelezen: Lucifer, Openbare Bibliotheek Tilburg
Beoordeling:

 
doctorandus Dautzenberg
doctorandus Dautzenberg
A.H.J. Dautzenberg (1967) woont en werkt in Tilburg-Noord.
www.ahjdautzenberg.nl
www.uitgeverijcontact.nl