In het landschap beweegt een wolk. Waar sta ik dan? Boven het landschap beweegt een wolk. En nu? Zo even zat ik nog boven de wolken. Boven het landschap de wolken. Ik ben gesprongen, gecontroleerd gevallen. Zodat in het landschap een wolk beweegt. Ik lig hier goed.

Hoe zou je zelf zijn? Zou je ook gesprongen zijn? Of zou je schrik hebben? Dan zat je nog daarboven, heel even, tot het vliegtuig zijn koers definitief verlaat en met een rotvaart neerstort. Dat is pas schrikken. Doodschrikken.

Je ziet, het is kiezen tussen twee schrikken.

Boven het landschap bewoog ik daarnet nog en viel in een dwarrelvaart naar beneden.