Film van de dag: Tucker: The Man and His Dream (1988)
(Dank aan Thomas van der Zwan voor edits)

We waren al maanden onderweg. Ik werd nu toch wel benieuwd. De reis was er een van afzien en ploeteren. Maar ik hield vol. Ik was niet zo ver gekomen en had niet zoveel tegenstrijdige berichten gehoord over dit vreemde volk, om dan vervolgens de expeditie af te blazen zonder één van hen ontmoet te hebben.

Ik was een van de laatsten. Van de grote groep die begon, was de helft halverwege al uitgeput afgehaakt, en toen we eenmaal een eind de berg op waren, viel nog een groot deel van de groep af. Letterlijk, want de berg was van een uiterst broos materiaal gemaakt dat niet opgewassen bleek tegen de grip van een hand met het gewicht van een volwassen mens eraan. Maar we waren inmiddels hoog op de berg, ik, twee andere expeditieleden en onze gids.

Onze gids, ja. Dat was er ook eentje om in te lijsten. Een onooglijk, schriel mannetje. Schijnbaar kwam hij hier al vanaf het begin. Slecht zicht, slechte huid, slechte tanden. En stinken. Maar het mag gezegd, hij kende zijn weg. Zonder enige vrees beklom hij het broze materiaal waar wij schroomrijk en voorzichtig volgden. Er doemde een duister woud boven ons op. De gids wees en stopte met klimmen. Verbaasd keken we we naar zijn vinger, naar de donkere bosrand, en toen terug naar hem. Maar de boodschap was duidelijk: hier zouden we vinden wat we zochten. Dankbaar betaalden we de gids het afgesproken bedrag en klommen voorzichtig voort zonder hem.

Net voor we het woud konden bereiken, greep nog een expeditielid een extra breekbaar stuk dat verpulverde tussen zijn vingers. Met een door merg en been gaande doodskreet stortte hij de diepte in. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ineens klonk boven ons ook een luide kreet, gevolgd door een felle lichtflits in het bos. Verbaasd keken we elkaar aan en klommen verder.

Waar het licht het felst was geweest, daar troffen we er dan eindelijk een. Een Stellige. Dat was althans de naam die de atropologen, die de mythen over deze menswezens bestudeerd hadden, deze wezens gegeven hadden. Dit moest er wel een zijn. Zijn huidskleur was als geen enkele mensensoort die ik ooit bestudeerd had. Bruingrauw. Trots en onverstoorbaar keek hij ons aan, volslagen niet onder de indruk van de eerste vreemdelingen die hij wie weet in heel zijn leven gezien had. De Stelligen woonden immers op onbereikbare hoogte en daalden zelf nooit af.

Het was imposant, tegenover een levende legende te staan. “Noeb ?” sprak de Stellige kalm. Mijn metgezel keek mij vertwijfeld aan, schraapte de keel en wees naar zichzelf. “Noeb,” sprak hij. De gelaatsuitdrukking van de Stellige verwrong woedend en zijn ogen flitsten vuur. Zijn reusachtige lippen openden zich en hij liet een enorm luide schreeuw klinken. Voor ik goed en wel wist wat er gebeurd was, werd de omgeving alweer ondergedompeld in fel oplaaiend licht. Toen het weer afzwakte en ik mijn ogen weer opende, zag ik dat mijn metgezel verdwenen was. Enkel zijn bergschoenen stonden er nog.

“Noeb ?” vroeg de Stellige kalm aan mij. Ja dag, dacht ik bij mezelf. Ik wees de Stellige aan en sprak “Noeb !”. Dit amuseerde hem en hij lachte. Hij sloeg een arm om me heen en ik bleek geaccepteerd. “Joormam,” sprak hij op een tevreden toon.

Nu zal ik u niet vervelen met het taaltje dat de Stelligen spreken, die tijd komt nog. ik werk aan een uitgebreid woordenboek van dit vreemde gebrabbel, dat binnenkort de markt zal bestormen. Liever zet ik hier een korte schets uiteen van hoe dit wonderlijke volk leeft, zoals ik in mijn kortstondige tijd bij hen heb kunnen observeren. Het volk beweert dat hun voorouder hier in dit woud beland was, op deze eenzame hoogte, doordat hij in de REM-fase van zijn slaap zijn droom vastgreep. De Droom strubbelde paniekerig tegen, vloog in blinde angst naar deze hoogte, tot ze eindelijk aan de gretige klauw van de Voorouder ontglipte. Sindsdien jaagt het volk op deze Droom, dat nog door het woud spookt. Dit omdat de Stelligen geloven, nee, wéten, dat de Droom hen tot nog grotere hoogten zal leiden.

De Droom probeert zich te verstoppen in het duister tussen de bomen. Hierop hebben de Stelligen een bijzondere vaardigheid ontwikkeld. Ze nemen een wijdbeense, zelfverzekerde houding aan, voor het lekenoog met een arrogante schijn, schreeuwen zo hard ze kunnen, en alles rond hen raakt opgelicht. Of ‘verlicht’, zoals hun woord daarvoor mijns inziens het beste te vertalen valt.

Deze schreeuw heeft nog meer eigenschappen. Zo worden er ook geschillen mee beslecht, waarin de hardst schreeuwende Stellige als winnaar wordt aangewezen. Ook het paringsritueel verloopt met een hoop geschreeuw, waarbij de vrouwelijke Stelligen niet zelden de mannelijke overstemmen. Dit heeft de afgelopen tijd geleid tot een Stelligenmaatschappij waarbij menige discussie door de vrouwen gewonnen werden, die zich steeds dominanter en overheersender gingen opstellen. Wat deze maatschappelijke omslag op de lange termijn voor de Stelligen betekent, kan enkel de tijd uitwijzen.

Het meest bijzondere is nog wel dat de Stelligen hierdoor geen waarheden kennen. Iets wordt met een Stellige Schreeuw tot waarheid bestempeld, of daarna door een andere Stellige Schreeuw weerlegd. Een magisch gegeven, want het blijkt dat als je niet van een ware realiteit uitgaat, de realiteit zich buigt naar jouw Stellige Schreeuw. Zo zag ik de ene na de andere natuurwet gebroken worden door een schreeuw van dit volk – een teken dat zelfs de natuur niet opgewassen is tegen deze bijzondere vaardigheid. Kortom, het verdient nadere studie.

Evenwel zat voor mij de tijd bij dit volk er al gauw weer op. Ik begon het net naar mijn zin te krijgen, maar toen hurkte mijn nieuwe vriend plots neer, draaide een flinke hoop, stond op en begon tegen de dampende creatie te schreeuwen. Zijn uitwerpselen veranderden in één oogopslag in het  kruimelige, rotsachtige materiaal waar heel dit volk op leefde, en waar ik met zoveel moeite tegenop had geklommen. Hierop besloot ik weer af te dalen, om veiligheidsredenen.

Ik wil maar zeggen, wellicht kun je er vruchtbare hoogten mee bereiken, maar het blijft toch een berg stront.

 
René van Densen
René van Densen
René van Densen (1978) is een cynische dromer, een lachende pessimist, een realistische romanticus, een honklosse kluizenaar, een intelligente mafkees, een bedachtzame schreeuwer, een podiumschuwe polderpoëet, ex-nachtburgemeester van Tilburg, ex-striptekenaar, ex-schrijver, ex-webdeveloper, ex-vuilnisman, ex-kind en ex-volwassene, ex-burger, en kattenpapa van een Gentse terror kitten. Eerste Nederbelg die toetrad tot de Wolven van La Mancha. Maar is uiteindelijk niet zo van de collectieven. U treft hem uitsluitend in vrouwonvriendelijke omgevingen aan, en die nieuwe roman van hem komt ook nooit af. Werd al eens omschreven als "onbegonnen werk" door een prachtige blondine.

www.renevandensen.nl
Meer René op Facebook !