KutBinnenlanders.nl

Tag: Proza (Page 6 of 13)

Daten met Miriam

Voor de volledigheid van mijn verhaal, moet ik nog een aanvulling plaatsen waar ikzelf pas later achter kwam. Dus bij deze.

Het was de dag na de date, dus zondagochtend. Wonder boven wonder was ik redelijk helder en wakker. Ik loop mijn woonkamer binnen en zie op de grond 2 kipfilets liggen. Voor de duidelijkheid, ik heb normaal geen kipfilets op de grond in mijn huiskamer liggen.

Ik raapte de kipfilets op en heb ze in de prullenbak gedeponeerd. Ik ben achter de pc gaan zitten en heb mijn verslag van de avond ervoor uitgetypt. Later sprak ik dezelfde gozer via internet, en halverwege moest ik weer aan de kipfilets denken. Ik vroeg hem ernaar. Hij legde uit dat terwijl hij bezig was met een zweep, mijn vriendin kaarsvet op mijn kont aan het gieten was. Hij had haar opgedragen om ijsblokjes te zoeken. Ze kon echter geen ijsblokjes vinden en kwam met 2 bevroren kipfilets uit mijn vriezer aanzetten, om dus mijn kont mee te koelen. Ik vroeg hem toen ook verschrikt, maar ik ben toch niet helemaal naakt geweest!? Hij stelde mij gerust door te zeggen dat mijn slipje niet uit is geweest. *zucht van verlichting*

Daten met Miriam

Ik ben single, dus waarom niet kijken wat er onder de horizon te vinden is? Hier mijn eerste date ervaring met een so called sm-meester.

Zaterdag 25 februari,

We hebben afgesproken op het station. Natuurlijk kunnen ik en mijn vriendin niet opschieten, maar gelukkig heeft mijn vriendin een sms-je gekregen dat hij ook te laat is. We komen op het station aan en we gaan daar even zitten en wachten op onze date.

Het is een date met een gast die we beide via internet kennen, daarom gaan we ook samen en spreken we af op een openbare plek. Maar nog steeds kindertjes, raad ik aan. Don’t try this at home!

Eerst maar even in de stad “waggelen”, zoals mijn vriendin dit mooi en charmant kan omschrijven. We gaan op een terrasje zitten en drinken wat. Hij blijft vrij stil, en antwoorden moeten er echt uitgetrokken worden. Mijn vriendin is vrij verlegen en heeft moeite om sociale gesprekken te voeren, dus er vallen uiteindelijk veel
stiltes. Wat ik eigenlijk niet erg vind, want het is vrij warm voor februari, en ik kan lekker van de zon genieten.

Na nog wat drankjes bij andere cafés, word er voorgesteld om naar de winkel te gaan om wat eten te halen en dan bij mij te koken. Hij stelt voor dat hij kookt en wij sluiten ons daar graag bij aan.

Wanneer we bij mij aankomen, wil hij gelijk starten met koken. Terwijl hij in de keuken bezig is zit ik in de woonkamer zenuwachtig een sigaret te roken. Gedachtes razen door mij hoofd; Waar ben je mee bezig?? Weet je wel zeker dat je hiermee verder wilt. Dit is de gast die je via internet vreemde opdrachten gaf, die je toen
wel spannend vond, maar nu is het voor het écht!.. Zou het wel echt gaan gebeuren? Let it go! We zien wel waar het schip strand. Moge de god waar ik niet in geloof me bijstaan.

Na het eten (sorry dude, ik heb niet veel honger *kuch*smerig) begint mijn vriendin gelijk aan de sterke drank. Ik ben wijs en blijf nog maar even nuchter.

Zullen we truth or dare doen?  Vraagt mijn vriendin. Hij vind het goed, ik ook maar.. Natuurlijk in het begin, wat voorzichtige vragen, rustige opdrachten. Ik begin me eigenlijk ook wel weer op me gemak te voelen, het geeft
toch een geruststelling wanneer je weet dat de ander zich als een volslagen idioot kan gedragen.

Als een van de ‘dare’ krijg ik de opdracht om een glas tequila leeg te drinken, dus uiteindelijk ben ik alsnog aan de drank. Die vloeit daarna ook rijkelijk zoals het spreekwoordelijk gezegd word.

Na afdrachten als, kruipen over de vloer en een sollicitatie uitvoeren voor de ministry of silly
walks. (die vond ik best goed bedacht van mezelf!) Krijg ik de opdracht mezelf met mijn polsen vast te boeien aan een kast voor 2 minuten. Hah easy! Appeltje eitje. Ik krijg zelf die boeien niet echt goed om, maar krijg gelijk hulp daarbij. (goh!) Ik krijg een pets op me billen. Dat was te verwachten. Ik krijg nog meer petsen. Ik begin te lachen. Ik denk op dat moment hoe frustrerend het zou kunnen zijn als je iemand mept en diegene lacht alleen. Daardoor kom ik in een lachstuip. Ik denk ook gelijk, een hand kan mijn spekkont niet deren en ik moet alleen maar harder lachen. Ik krijg de vraag of alles goed gaat en of het geen pijn doet. Dit zou mij echt rollend op de vloer hebben  laten lachen, ware het niet dat ik vastgeboeid aan een kast stond. Na de gedachtes ‘pussy’ en ‘kippekracht’ vind ik het wel welletjes en merk op dat de 2 minuten om zijn.

Na deze opdracht, gekregen door mijn vriendin, maar dus uitgevoerd door hem is het pay-back time. Ze mag van mij ook petsen op haar billen ontvangen.

Nog wat opdrachten later zit ik zoenend met mijn vriendin op de bank, en vanaf hier word het wat wazig.
Beelden als ik die op de grond zit en omhoog kijk naar 2 mensen die op mij neerkijken. Ik die alleen nog maar gekleed in een slipje op mijn knieën zweepslagen krijg (?) Een naakte vriendin die op de bank ligt en ik bezig ben
te bevredigen. Tot het moment dat ik terugkom van de wc en hij bezig is zijn spullen te pakken omdat hij morgenvroeg een afspraak heeft?

Hij was daarna ook vrij snel weg. Was dit een blauwtje? Geen idee..

Me vriendin stelt voor om naar de stad te gaan. Ik kijk op de klok en zie dat het kwart voor 12 is. Ik trek een rok aan en een t-shirt en we rennen naar de trein. Trein net gemist, maar gelukkig gaat er nog een, 10 minuten later. Ik hou een uitvoerig gesprek met de conducteur dat ik net ‘gebliebt’ heb, maar dat mijn vriendin een écht
kaartje heeft. Een pool komt halverwege mijn redevoering de trein uitgezwalkt en vraagt; Tilburg centraal? Ik zeg nee, 1 halte terug. Ik zeg tegen de conducteur; ik neem hem wel mee hoor. Vanaf Tilburg centraal lopen we samen naar de kroeg, plus 1 Pool. Onderwijl de voortdurende vraag; Waarom heb ik geen broek aan? Ik heb altijd een broek aan, of legging, of panty.. We lopen gedrieën de kroeg in en ik ben al vrij snel iedereen kwijt en sta te zoenen met een gast die ik wel eens eerder had gezien. Ik vroeg hem later hoe oud hij was.
Hij zegt; 22…

Bam, ik ben nuchter.

What the hell just happened??

Neige

De besneeuwde velden zijn naar mij toe gekomen. De stad ligt verdoofd onder een deken sterrepoeder. Stralend wit, gedempt stil. De normaal zo lawaaiige auto’s sjokken stapvoets; het gespin van hun laagdraaiende motoren verklettert in rondvliegend drab. De bomen komen eindelijk tot hun recht: wat een takken! Zo fijn en zovelen, nu goed zichtbaar in de avondnacht, tot de kleinste afsplitsing, wit wolgebrei van arm tot pink – fiere aftekeningen op de donkere achtergrond. Het park is verlaten. Natuur in haar zuiverste vorm in de boesem van de grote stad. Wij lopen, een moeder en haar twee jongen, ploeterend, schuivend. Sprakeloos van eerbied en bewondering; beschouwelijk.

De heemtuin in, het meertje langs. Een reiger maakt zijn ongenoegen hoorbaar, een menselijk wezen zoeft langlaufend voorbij. Het slanke gestalte verdwijnt gezwind uit het zicht, en het weidse gebied is weer van ons. We lopen, een moeder en haar twee jongen, ploeterend, schuivend. Sprakeloos van dankbaarheid en verwondering; in heilzame betovering.

Gekke reis.

Ze waren jong, blond en luid. En heel duidelijk giebelende Nederlandse studentes. Wat zeg ik, Nederlandse, ‘Ollandse. “NEE DÉZE DAN HAHAHAHAHAHA” en ze lazen voor: “OPDRACHT ZES: LAAT EEN BELG HET WILHELMUS ZINGEN.” En weer gegiebel. Ik dacht: succes, meisjes. Komen jullie wel achter. Het ging maar door en door en ik probeerde me op mijn laptopscherm te concentreren ondertussen. “EN DEZE DAN. VRAAG EEN GENTENAAR WAAR DE TERM STROPPENDRAGER VANDAAN KOMT HAAHAHAHAHAHA STROPPENDRAGER JA HOOR” waarop een ander zoiets had van “JA IK DENK DAN AAN EEN STROPDAS, DAAR ZAL HET WEL VAN ZIJN” en een kakafonie van gelijkgevende klanken klonk. Ik dacht, o god, de tutjes gaan óók naar Gent. Bij de overstap moet ik beslist een andere coupé vinden dan zij. Dit wordt een gekke reis. Ik had gelijk.

De trein stopte en iedereen wachtte tot de deur open kon. Proberen. Nog niet, blijkbaar. Proberen. Nog niet. Verdacht lang. Ik zag de bui al hangen en keek naar de buurcoupé. Ja hoor, daar was iedereen er al uit. Met mijn tassen slingerend sprong ik door de binnenstromende menigte de trein uit. Of de rest van die mensenkluwen in mijn coupé het op tijd naar buiten gered heeft, ik heb geen idee. Sorry mensen, I was on a tight schedule. Ik werp onderweg naar de trap één blik op het bord, routineus, gewoon om te dubbelchecken of ‘mijn’ gebruikelijke vervolgtrein op hetzelfde spoor en tijdstip staat. Eh… Nee ? Wat nou nee ? Niet ? Spoor 2, helemaal bovenin het station, en dertien minuten later ? Huh ?

Verbaasd loop ik toch maar een beetje in de richting van het gebruikelijke overstapspoor, om daar iemand met een enorm ding moeilijk te zien staan doen onderaan de roltrap. Ik dacht even dat het een stakende schoonmaker was die met een bezem aan het poseren was, want ik zag meteen daarna ook een cameraman, maar dichterbij gekomen bleek het een microfoon. Waarom staan er nu weer mensen op Antwerpen te filmen, dacht ik, en besloot mij verdekt uit beeld op te stellen, namelijk vlak erbij buiten de lensrichting.

Loopt er dus doodleuk Lien Van de Kelder met een andere acteur, middenin een scéne, in rol dus, langs me heen terwijl de cameraman achteruit het ‘loopshot’ verricht. Wow. Lien Van de Kelder op een meter afstand, dat maak ik ook niet elke dag mee. Kleine dame maar in het echt minstens zo mooi als op de kijkbuis. Ik grinnikte nog even over deze wonderlijkheid en vervolgde mijn reis.

Op Gent stapte ik over naar Drongen. Een conducteur van het levendige, vrolijke slag – U kent ze wel, die mannen die dat al heel hun leven doen en tóch met plezier naar hun werk blijven gaan – zwaait nog een paar extra, aan komen rennende mensen erin en steekt de sleutel boven de deur erin. Nog nét voor de deur dicht was, terwijl de trein al rijdt, zwaait een jonge knaap zich preciés door de sluitende deuren binnen.

De conducteur knippert met zijn ogen, grijpt de jongen half kolderiek vast, en begint te briezen “bende gij helemaal zot ! Als gij tussen diene deur had gezeten, dan wou ge niet weten wat er gebeurd was, dan waarde ge eraan he ! Die machinist die ziet dat niet dat er dan iemand onder ligt he ! Dan moet ik aan de noodrem trekken en dan is alle vertraging voor u he, leg dat thuis maar eens uit aan papa en mama. Maar ja, het is toch zo ! En als gij tussen diene deur waart gekomen he, ge waart eráán geweest ! Man, mijn hart klopt mij hier 140, pfoei. Da van jullie ook, niet ?” richt hij zich naar ons, de inmiddels half op onze tong bijtende om niet te lachen, half schichtig kijkende gangpadkliek die deze druktemaker observeren. “Zo’n jonge gast, en dan waarde eraan geweest hoor, dat moogde echt niet meer doen.”

Hij loopt een coupé binnen, komt terug: “Ja maar ja, dat is echt hoor, dat moogde nooit meer doen zo, ge wil niet weten wat er kan gebeuren, man man man man man.” Hij loopt de andere coupé binnen. Komt terug. “En diene camera he, op het perron he, die he’t alles gefilmd he manneke. Dus ik weet nie wa ze daar nog mee gaan doen. Ah maar ja, ’t zal wel zijn se !”

Pal na dit kersje op de taart die de reis toch al was moet ik uitstappen. Lachend loop ik over straat. En even denk ik aan Mijke Pol. Wat zal die momenteel jaloers zijn.

De Geboorte van Oud Zeikwijf

Het is bitter koud deze winter van ’63-’64 hoog in de Alpen. “La bise” blaast onophoudelijk haar noordelijke adem over de bibberende bewoners van het plateau. Sneeuw is metershoog gevallen, reeds in november. Sinds Allerheiligen vriest het dat het kraakt. Je weet: de dooi zal met Pasen komen.

.

De mijnwerkers stappen halverwege de nacht nuchter en frisgewassen de naoorlogse bus in die bij het station staat te ronken. Zijn geur van roetig diesel kruipt over het besneeuwde wegdek, waar de sneeuw platgewalst is en bezaaid met kolengruis, bij wijze van zout. Ze gaan de schachten in, diep in de ingewanden van de bergen. Vanmiddag zal de mijn ze weer uitbraken, zwartgeblakerd, hongerig en dorstig. Na een wasbeurt en een flinke maaltijd zullen zij zich naar het café begeven; het café van mijn vriendins oma of dat van haar overgrootmoeder, of één van de andere drankhuizen die een hele zijde van de hoofdstraat sieren.

 

Het is de laatste dag van het jaar.

 

Het sneeuwt zachtjes met grote vlokken. Een vrouw staat in de winkel van mijn oma te werken, die naar de Riviera is voor de feestdagen. Zij is hoogzwanger. In februari zal ik geboren worden, ik, haar eerste kind. Mijn vader en zij hopen op een jongen. Zij zijn allebei half Italiaans, daarom. Geëmigreerde Italianen waren in die tijd de Marokkanen van nu. Vol ouderwetse melancholie die in Italië zelf al lang plaats had gemaakt voor modernisme. Niet dat mijn oma’s, de Italianen van mijn familie, zo waren, nee, zíj hadden juist een open geest. Maar mijn vader vooral, met mijn moeder als slaafse volgelinge, had het machodom in zijn kop en beriep zich om de haverklap op regels uit het land van oorsprong uit langvervlogen tijden .

 

’s Avonds keert de vrouw huiswaarts, naar een kleine, donkere woning aan de top van een steile steeg in het Middeleeuwse centrum van de stad . Het lopen gaat haar moeilijk af: de steeg is bedekt met een laag ijs, ze moet zich met beide handen aan de grote stenen van de eeuwenoude muren vasthouden. Nu boodschappentassen haar gang belemmeren is dat nog erger. Zij bereikt het huisje, en laat zich vallen op een houten stoel.

 

Mijn vader is nog lang niet de JR van de streek. Zoals velen in de bergen heeft hij ’s zomers zijn baan en geeft hij in de winter skilessen aan toeristen. De sneeuw is die dag ook hoog op de berg gevallen, wat zijn lessen bemoeilijkt heeft. Toeristen komen voor een stralende zon in een blauwe hemel op maagdelijk witte sneeuw. De weg beneden naar huis is gevaarlijk: hoe moe hij ook is, hij moet zijn aandacht er flink bij houden, verblind als hij wordt door de fletse witte stippen die zich op de ruit van de deux-chevaux blijven storten, tussen elke veeg van de wissers. Het is al lang donker als hij beneden de steeg parkeert, en naar boven loopt.

 

Bij het binnen komen werpt zijn vrouw zich om zijn hals – ze zijn nog vreselijk verliefd, en ze is ook zo blij dat het eindelijk gelukt is, na vier jaar vruchteloze pogingen doorspekt met miskramen, om in verwachting te geraken. De tafel is feestelijk gedekt. Met een stoffen kleed, kaarsen en champagne, echte, geen Clairette van de dichtbijgelegen Die, oesters, langoustines en iets verrukkelijks en zoets toe. De twee jonkies laten het zich lekker smaken. Mijn moeder drinkt zelfs een paar glaasjes – in die verre jaren ’60 in Frankrijk wordt dat nog niet als een grote zonde gezien. Ze wachten tot middernacht, geven elkaar een nieuwjaarskus, en laten zich te bed.

 

De sneeuw is steeds harder gaan vallen: nu is het een storm. Met angstaanjagend gegil jaagt het in grote turbulenties tussen de huizenrijen, waar de ramen op dit late tijdstip nog verlicht zijn. Halverwege de nacht is er geen doorkomen meer aan: terugkerende voetgangers die de réveillon uithuizig hebben gevierd zakken erin weg tot hun knieën, auto’s worden ter plekke achtergelaten om daags later te worden opgehaald, wanneer de sneeuwschuiver na de feestelijkheden is gekomen. Mijn ouders liggen zij aan zij in bed. Mijn moeder kan de slaap niet vatten. Ze heeft pijn. Ze maakt mijn vader wakker: “Breng me naar het ziekenhuis, het kind komt eraan.” “Welnee” antwoordt mijn vader, dronken van slaap en spijzen “Het kind komt pas in februari. Je hebt gewoon teveel gegeten.”, draait zich om en valt weer in de diepe slaap van de lijfelijk voldaan. Mijn moeder is immers jong en onervaren. Wat weet zij van barensnood en weeënpijn? Maar de pijn blijft komen, steeds heviger. Ze belt de vroedvrouw, die haar terechtwijst. Zij heeft haar van de week onderzocht en verwacht geen noemenswaardige toestanden voor minstens een maand. Bovendien is ook zij gaan stappen, en aan een welverdiende rust toe. Na een uur aarzeling staat de jonge vrouw op en vangt de lange weg naar het ziekenhuis te voet aan.

 

Kilometers heeft ze gelopen, in de nacht, in de sneeuwstorm. Bij elke stap zakt ze diep in het witte spul, dat zich in regelrechte muren aan weerszijde van de rijweg ophoudt, de afgelopen weken steeds opnieuw opgehoopt door de schuivers. Om de zoveel stappen moet zij halten. Dan grijpt ze naar haar rug en wacht tot de golf van pijn voorbij is. Urenlang heeft ze zich een weg door de sneeuw gebaand. Onvoorstelbaar wat voor een kracht je kreeg, op zo’n cruciaal moment. Alsof je lijf wist: het is erop of eronder. Alsof jij er niet meer toe deed, als vrouw. Het wezen in jou was natuurs prioriteit. Wanneer zij de poort van het gasthuis ontwart is de storm gaan liggen. Zij steekt het binnenplein over en beklimt de brede stenen trap. Halverwege zakt ze in elkaar. Met een rauwe schreeuw probeert zij nog de deur te bereiken. Paniek grijpt haar, maar ook al snel overgave. Er is niets meer aan te doen, het kind komt eraan.

 

De zon komt net boven de horizon, op deze eerste dag van het jaar 1964, als ik het levenslicht zie, op de besneeuwde trap van het ziekenhuis.

 

De zware deuren zwaaien open. Twee zusters rennen naar haar toe. Zij wordt naar binnen gedragen. Het klompje mens dat ik ben, amper drie pond, is onaf en moet acuut in de couveuse, die ze niet hebben in dit kleine ziekenhuisje hoog in de bergen. De taxichauffeur tevens ambulancebroeder die zijn Oud & Nieuwroes ligt uit te slapen wordt wakker gemaakt doch weigert pertinent: de wegen zijn onbegaanbaar – hij zou niet eens de parkeerplaats uitkomen, laat staan de spekgladde helling à 12,5% die naar de grote stad leidt. Er is consternatie, maar de zorg om mijn moeder neemt algauw de overhand – ik zal het toch niet halen. Terwijl zij in een schoon bed wordt gehesen worden uit alle hoeken van het gasthuis kruiken aangedragen. Ze worden in mijn wiegje gepropt. Ondertussen is mijn vader hijgend aangekomen, vol verwachting en spijt, en heeft zich bij de kersverse moeder gevoegd.

 

Tot ieders verbazing bleef ik leven. Ik barstte van honger en levenslust, en heb me een weg naar volgroeiïng gezogen. Op dat moment was een vrouw verderop in de hoofdstraat zwanger van wie mijn grootste makker zou worden. Zij is nu dood, en ik leef nog.

Lange tanden

Toen ik een kwart eeuw geleden in Amsterdam aanbelandde zag het straatbeeld er anders uit. Je had wel wat Chinezen en Surinamers en een enkele verdwaalde Ghanees, maar dat was het een beetje. Voor de rest zag ik enkel oer-Nederlanders. Ze maakten veel indruk op me.

Ze waren stuk voor stuk enorm lang. Als ik bezoek kreeg liet ik ze snel zitten. Anders was het onmogelijk converseren zonder vreselijke nekpijnen na afloop, van dat zolang naar boven moeten kijken. Ze liepen in vale t-shirts en sandalen, dezelfde voor man en vrouw, en niet zelden hadden ze daarin hun sokken nog aan. Een detail voor u, een onmogelijkheid voor mij, een Française. Het verschil tussen de Nederlandse mannetjes en vrouwtjes is mij sowieso jaren onduidelijk gebleven – ik vond ze eender lijkend. Zelfde grootte, zelfde bouw van het lichaam: de mannen met brede heupen, de vrouwen met een platte borstkast, mannen met flinke boesems. Mannen met lang haar, vrouwen met kort haar, stoere gezichten bij vrouwen, engelachtigheid bij mannen. Nooit lippenstift of mascara, nooit naar de kapper. Geen hoge hakken, geen rokken. Ik begreep maar niet hoe mannen verliefd werden op mannelijk ogende vrouwen. Het werkte wel bevrijdend voor mijn beeld van het vrouwzijn. Ik gooide dan ook spoedig al mijn schoonheidsattributen over de heg en ging als een Nederlandse: kort haar, slobbertrui en joggingbroek, platte schoenen, onopgemaakt. Ik zag er niet uit. De Nederlandse vrouwen wel – die bleven oogverblindend mooi in al hun mannelijke eenvoud.

In die hoogtijdagen van de macrobiotiek en de biologische dynamica was het übergezonde eten bij hen thuis niet te vreten. Als ik uitgenodigd was nam ik dan ook geld mee: voor een patatje op de weg terug. Ze waren dan ook niet dik, nee. Lang en dun. Gebogen, om hun hoofd dichter bij het centrum der aarde te brengen. Benen zonder einde, waarover ze niet leken te weten wat ze ermee aanmoesten: ledematen met vaak ongecontroleerde bewegingen, die zomaar wegschoten alsof de Nederlander een zachte schop gaf aan een denkbeeldig object.

Vaak hadden Nederlanders spleetogen, waarachtig waar. Je zou die enkel in Mongoolse of Japanse streken verwachten, maar hier waren ze: dunne strepen van ogen, diep verscholen in hun kassen, boven hoge jukbeenderen. Zou dat door de wind zijn gekomen, die onophoudelijk en eeuwig blies op dit wat groot uitgevallen stuk strand aan de Noordzee? Als het waait doe je immers je ogen dicht, daar heeft de evolutie vast niet overheen kunnen kijken.

Maar wat mij het eerst opgevallen was, waren hun tanden. Nergens had ik zulke lange tanden gezien. Het leken wel paardengebitten. Soms schrok ik ervan, van die tanden. Iemand deed zijn mond open en dan zag je lange witte toetsen die niet leken te eindigen. Een variant bestond ook: die van het lange tandvlees. De combinatie lange tanden en lang tandvlees was dan ook mijn nachtmerrie.

Als zo’n mond zich opende wou ik ergens schuilen.

Les Aventures Extraordinaires d’Oud Zeikwijf

Je zou het niet zeggen nu de middelbare leeftijd kliko’s zand in de machinerie heeft gegooid, maar in de jaren tachtig was ik een temperamentje.

 Heden ten dage zou ik niet opvallen aangezien driekwart van de Amsterdamse meiden een GRRL-mentaliteit heeft om u tegen te zegen, maar toen was ik daar in de weide omtrek berucht om. Bij het noemen van mijn naam sloegen de meesten de ogen naar de hemel, en de religieuzen een kruisje. Meer hoefde niet. Iedereen wist immers: dat is een karaktertje.

 

Daar moest ik weer aan denken na het zien van de film “Les Aventures Extraordinaires d’Adèle Blanc-Sec”. Ik had de heldin kunnen zijn. Niet dat ik op een pterodactiel vloog, nee, maar veel scheelde het niet: die dadendrang, dat ongeduld, de koppigheid, de bazigheid, de gekke plannen die against all odds uitgevoerd moesten worden, de megalomanie, de veronachtzaming van de ander in het algemeen en van het gewone in het bijzonder. Wie dat allemaal niet beviel kreeg er scherp van langs, high & mighty of niet. Ik had dezelfde gehaaste loop en zelfs onze dictie leek op elkaar: ik sprak ook onverstaanbaar snel. Een punt van verschil: Adèle Blanc-Sec ziet eruit als een dame, ik liep er jaren als een zwerver bij.

 

Zo zat ik eerst in mijn Pippi Langkous-periode Ik had geen geld en leefde van afgedankte spullen. Ik sliep opgerold in een zeil langs de grachten, schoor mij kaal om te kijken hoe het eruit zou zien, liep een jaar op blote voeten. Ik ging elke dag in dezelfde aftandse kleren onder een stofjas die ik nooit waste. Daar had ik immers geen tijd voor, bezig als ik was met belangrijkere dingen. Zoals zeulen door het centrum van de stad met mijn ezelin, mijn kat en 30 gehandicapte kippen, en daar telkens een nieuw onderkomen voor timmeren. Mijn ezelin was mijn maatje, ze liep los aan mijn zij en dook telkens weg om bier te zuipen in schalen die gasten van de café’s op onze route voor haar neerzetten.

 

Of naar Rusland varen met mijn zelfgeknoopte eiland van piepschuim, om de Vikingen na te doen in hun tocht door dat reusachtige land. Ik zou het Kattegat oversteken, en eenmaal aan land, gelijk de oude Noren diep in het Oosten doordringen door mijn vlot van rivier naar rivier over de bevroren grond te slepen, rollend op afgehakte boomstammen. Kersverse president Gorbatsjov werd per brief van mijn plannen verwittigd. Jaren heb ik naar dat doel toegewerkt. Mijn generatiegenoten spendeerden ondertussen hun jeugd door op sublieme wijze te lanterfanten op caféterrassen en andere hangplekken. Mij trof u daar nooit: ik had daar geen tijd voor. Achteraf kan ik me wel voor mijn kop slaan.

 

Wat ons moeiteloos brengt naar het volgende tijdperk: de periode Hornblower, when all I thought about was roaming the seven seas. Verder dan de punt van Noord-Holland ben ik niet gekomen, maar dat is niet te wijten aan enig wilsgebrek: ik had besloten een kind erbij te nemen en was domweg vergeten dat een moeder haar baby niet zomaar achterlaat om zich maanden in het ongewisse te storten. Velen om me heen hebben mij bijtijds op dat detail gewaarschuwd, maar luisteren deed ik nu eenmaal nooit.

 

Als moeder was ik ook een plaatje. Ik woonde op mijn zelfgeknoopte schip, had tot de bevalling door de grachten gevaren en mijn kind daarop geworpen. Mijn peuter was mijn makker. Ik nam hem overal mee, ook naar concerten in Paradiso bijvoorbeeld. Op de weg terug diep in de nacht knoopte ik mijn jas als een kussen op het stuur van mijn fiets. Kindje deed zijn hoofdje erop en sliep. Als ik boodschappen deed liet ik hem als een hondje bij de trap. Als ik terug kwam was er steevast een troepje bezorgde burgers om hem heen verzameld. “Hij had zo meegenomen kunnen worden” riepen zij dan, waarop ik in de regel antwoordde: “Dat was ook de bedoeling maar dat is wederom mislukt, helaas.” Waarop ik de peuter onder mijn arm pakte en ermee wegliep. Verbijsterde blikken doorboorden mijn rug. Dat ik een buitenmaatse regenboogkleurige pet, een minirokje bestaande uit een stukje afgeknipte visnet, laarzen met plateauzolen droeg en open ogen geschilderd had op mijn oogleden moest iets daaraan bijgedragen hebben. Niet nodig te melden dat nr.2 en 3 een totaal andere opvoeding hebben genoten. Ik had in de tussentijd iets opgestoken over de 3 R’s and all that.

 

Eenmaal uit voorgenoemde periodes gekropen trok ik schoenen en schonere kleren aan. Wat mij niet in dank werd afgenomen: een project van één jaar zwoegen op de geschiedenis van Provo werd bruut geaborteerd door Tjebbe van Tijen, toenmalige cerberus van het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis. Met zijn vadsige lijf versperde hij mij de toegang tot de archieven waar ik de brievenwisseling tussen Kohn Bendit en de Provo’s wilde lezen (de crux van mijn te schrijven boek: ik wilde aantonen dat de kiem van mai ’68 bij Provo lag, en niet andersom zoals algemeen aanvaard). Mijn uiterlijk beviel hem niet: fel rode lippenstift, hotpants, rijglaarzen en netkousen – of het moest de brutale blik in mijn ogen zijn; hij kon mij simpelweg niet serieus nemen. Dat ik op dat moment meer wist over Provo dan gansch de Nederlandse bevolking kon er maar niet in. Ik kon (briesend) naar huis (wat destijds het atelier van Jasper Grootveld was op de Borneokade), waar Jasper, bij het horen van het relaas, niet meer bijkwam van de lach. Ik was danig uit het lood geslagen maar terug gaan op een ander tijdstip met een keurig mantelpakje aan? Geen enkele van mijn o zo flitsende hersencellen was dáár op gekomen. Ik hing dat project dan ook pardoes aan de wilgen.

 

Feesten op vage haventerreinen, slapen in afgedankte wc-hokken waar mijn ezelin voor de deur wachtte, mij compleet bezopen liggend op haar rug terug naar de Conradstraat laten rijden – ze wist de weg en deponeerde mij in het collectief bad op de begane grond waar ik de rest van mijn roes uitsliep –, uit Paradiso gejonast, uit de Mazzo gegooid – mijn blik beviel de barman niet –, knappe dudes voor één nacht bij de vleet naar huis gesleept, een levensgevaarlijke junk gehuwd, met een panty op mijn hoofd bij wijze van kaboutermuts op het huwelijk van Simon Vinkenoog verschenen, stormen op het IJsselmeer in mijn uppie op mijn drijvende eiland getrotseerd, voor anker langs de dijk met messcherpe stenen, vlot erop gestrand, met hulp van de boeren weer het water ingeduwd en verder gevaren, inbrekers naakt, met bezem en bulderende stem te lijf gegaan, één, twee, drie keer. Een leven als een wervelstorm.

 

Ik overdrijf niet. Mensen die mij in mijn twintiger jaren hebben gekend zullen dit beamen. Mijnheer Oud Zeikwijf, om maar iemand te noemen, vond mij in die tijd raging nuts en heeft mij vijftien jaar lang zorgvuldig vermeden, tot ik de helft van mijn wilde haren kwijt was en enigszins pruimbaar was geworden. Laatst kwam ik op het Ezelsbruggetje (dat trouwens waarachtig naar mijn ezelin is vernoemd) een bekende van lang geleden tegen. Enigszins verbaasd dat ik nog leefde en nog meer dat ik kalm en waardig eruit zag, met mijn modelkinderen bij me, verzuchtte ze prompt: “Wat was jij gek in die tijd”. Mijn twee jongsten stonden erbij met een blanco wtf-uitdrukking op het gezicht. Hun moeder is immers één der brave burgers, op het truttige af, die parels draagt, haar nagels manicuurt, trouwe en normale vriendinnen heeft, elke dag uitgebreid kookt, keurig werkt, haar boekhouding dagelijks bijhoudt en haar belastingen binnen het termijn betaalt. Hun moeder is een lieve moeke die zich nooit opwindt: daar heeft ze geen puf meer voor. Ze sjokt als een slak met de boodschappen en ligt een gat in de dag te dutten. Ze spreekt beschaafd en is alom gerespecteerd. Die vrouw moest het over iemand anders moeder hebben.

« Older posts Newer posts »

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders Noren — Up ↑