KutBinnenlanders.nl

Tag: Proza (Page 7 of 13)

Schuld & Boete

Nu de terreur in Amsterdam vaste vormen heeft aangenomen (serie geweldadige inbraken thuis, blijvende intimidatie in de openbare ruimte) voel ik ook de neiging om te roepen: “Streng aanpakken die lastpakken.” Ik heb echter onlangs begrepen waarom harder straffen niet werkt. Dat zal ik hier uitleggen.

.

Het gaat niet om schuld en boete, maar om schuld en slachtofferschap. Als je uitgaat van schuld en boete, dan blijft de crimineel in zijn rol van crimineel. De boete/straf heeft immers zijn zonde weggewassen, en hij kan weer van voren af aan beginnen. Een boete/straf doet enkel fysiek lijden. Fysiek lijden is vele malen beter te doorstaan dan psychisch lijden, oogt stoer en genereert martelaarschap. Hoe bereik je optimaal psychisch lijden? Door enerzijds het schuldbesef te optimaliseren en anderzijds het gevoel van slachtofferschap te minimaliseren. Schuld en slachtofferschap, dus.

Slachtofferschap: een miskend gegeven heden ten dage. Een van de belangrijkste redenen waarom minder bedeelden zich gerechtigd voelen om tot onoirbare daden over te gaan. Dat effekt is een belangrijk onderdeel van de psychologie van slachtofferschap, in het engels “entitlement” genoemd. Wat we moeten doen met de aggressor is dus ten allen tijde voorkomen dat hij (het zijn voor het overgrote merendeel mannen, puberjongens) zich slachtoffer gaat voelen.

Hoe doe je dat?

Mijn allereerste ingeving bij het horen hoeveel een jonge crimineel de samenleving kost aan reïntegratietrajekten (180 000 euro p/jaar) was: geef dat geld gewoon meteen aan alle potentiële draaideurcrimineeltjes. Hoeven zij daar niet meer voor te stelen, te moorden en te treiteren. Zij blij, wij blij. Maar dat is wellicht een brug te ver. Daarom de volgende realistische suggesties:

Ten eerste: we stoppen collectief met wijzen naar zijn verschrikkelijke jeugd, of naar het erbarmelijke lot van de oergastarbeiders (in het veelvoorkomend geval van een dader die zich identificeert met een ethnie). Niet meer doen. Werkt averechts.

Ten tweede: we geven geen straf meer. Straf ontdoet hem van schuld, en geeft hem een gevoel van slachtofferschap, wat, zoals zonet uitgelegd, nieuwe misdaden triggert.

Ten derde: we vergeten hem volledig. we negeren hem. Er word dus niet over hem geschreven in de kranten, niet over gesproken op TV. Hij verdwijnt in onherroeppelijke vergetelheid.

Wat we voortaan wel doen is hem weghalen uit ons midden. Voorgoed opsluiten in een aangename omgeving, bijvoorbeeld in een opgepimpte gevangenis in Nederland of nog beter, in een van die peperdure Jellinekklinieken op Curaçao. Crimineel zijn is immers ook een verslaving. Als dat niet zo was hoefden we er niets aan te doen, want recidive zou niet bestaan. Dat is wat een beschaafd land aftekent tegen een barbaars. We hebben er het geld voor, en blijkbaar ook de cellen, die we anders aan België moeten verhuren, dus hoeven we lastposten niet meer te doden. We kunnen ze eeuwig laten voortsudderen in hun eigen schuldbesef, dat hen dagelijks stevig wordt ingepeperd door het verplicht bijwonen van uitzendingen over de gevolgen van hun daden. Ver van onze gerieflijke leventjes. Waar ze NOOIT meer terugkeren.

Voor hun collega’s in spe zal dat heilzaam werken: wie van die opgroeiende crimineeltjes in de dop zal nou tegen gasten opkijken, die hun leven als luxe poedels doorbrengen zonder ooit maar iets te hoeven doen? Dat zijn geen helden, dat zijn mietjes.

Als dat mijn lezers te lieftallig in de oren klinkt, dan kunnen we ze ook castreren. Van loslopende castraten in het wild heeft immers nog nooit iemand last gehad. Doen we al volop met paarden en katers. En het is behoorlijk goedkoop ook.

Amor fatalis

NULLUS LIBER ERIT,

SI QUIS AMARE VOLET.
No one will be free,

if he wishes to love

.

Je bent een onbezorgde meid, in de twintig. Het leven kabbelt lekker voort met beduidend meer ups dan downs. Al voelt dat niet perse zo — weinig jonge mensen weten op dat moment hoe gelukkig ze zijn. Het besef van geluk, dat komt later, als de stormen van het jonge leven zijn gaan liggen en je eindelijk zitvlees krijgt en rust in je kop, voor het stil staan bij de ware zin des bestaans.

 

Je wordt verliefd. De eerste weken ben je in hogere sferen. Het duizelt. Je loopt op de bergen van je gemoed waar zuurstof zeldzaam is. De ijlheid van de lucht maakt je licht in je hoofd. Het venijn sijpelt ondertussen door, druppel per druppel, in je kristallen universum. De man blijkt geen kopie te zijn van jouw vriendinnen. Hij praat niet veel. Hij doet dingen die je niet weet. Hij doet ook dingen die je weet en niet goed vindt. Hij leeft niet zo gezond als je zou willen. Hij is niet gezellig. Je verandert. Je fluit niet meer en zingt niet meer. Je bent gefocussed op die man.

 

Je minnaar houdt van je en vindt je geil, maar hij kan niet tegen jouw gezeur. Hij wil doen wat hij wil, wanneer hij wil en hoe hij wil. En als hij klaar is met al die dingen doen, als hij ergens een plekkie heeft in zijn tijd waar hij geen zinvollere vulling voor heeft — iets statusverhogends om indruk te maken op zijn maatjes bijvoorbeeld — dan wil hij naar jou toe.

 

In zijn dromen doe jij extatisch de deur open in een niemendalletje, en werp je je in zijn armen. Je sleurt hem naar de bank en begint ter plekke aan een woeste liefdesbetuiging. Je rukt zijn t-shirt eraf en trekt zijn broek naar beneden. Je gaat voorover buigen en laat hem je met wilde stoten nemen.

 

Hoe teleurgesteld is hij als jij daar staat, met je boze kop. Het is laat, je moet de volgende dag werken. Je laat hem met tegenzin binnen, je vraagt of hij een kopje thee wil. Je hebt je slaapattributen aan en sloffen aan je voeten. Na het kopje thee keert hij teneergeslagen huiswaards. Onderweg komt hij langs een bruisend café waar hij de rest van de nacht zijn onbegrip wegzuipt.

 

De liefde tussen man en vrouw gaat vaak niet over rozen.

Stapelgek

Van de week las ik allerlei smeuïgs over Diederik Stapel. 

Dat hij niet één onderzoek (die van het carnivoren-egoïsme) maar talloze heeft gefingEErd, zijn hele loopbaan door. Dat hij de tests in zijn eentje uitvoerde, áls hij ze uitvoerde. Dat als zijn studenten de proefpersonen zelf wilden testen, hij botweg weigerde. Dat als zij aandrongen hij ze de mond snoerde met: “Uw toon bevalt me niet” of “het is een kwestie van vertrouwen”(in de wetenschap, sic). Dat de rector magnificus van de Universiteit van Tilburg partijdig was, tot onlangs 3 studenten achter de rug van D. Stapel om het onderzoek opnieuw uitvoerden en niets van zijn aannames heel lieten, de resultaten onder de neus van rector Philip Eijlander schoven en deze niets anders restte dan aan de noodrem te trekken (“Ik kon er niet meer omheen”). Dat de UvT na aanleiding van dit ongeluk het beleid op twee punten gaat aanpassen:

-onderzoeksgegevens moeten 5 jaar openbaar blijven ten behoeve van nadere toetsing

 -de rector magnificus zal onpartijdig zijn

 

Hoe ze dat laatste willen aanpakken weet ik niet. Hoe en in welke mate de rector in eerste instantie partijdig was ook niet.

 

D.Stapel heeft een openbare mea culpa geschreven. Helaas kan hij het niet laten op subtiele wijze de schuld buiten zichzelf te plaatsen (de druk om te presteren was te hoog, hij kon geen weerstand bieden aan de cultuur van aldoor publiceren), en zichzelf stiekem toch een schouderklopje te geven: “Ik heb de fout gemaakt dat ik […] de wereld net iets mooier wilde maken dan hij is.“

Nee, Mijnheer Stapel, niet de cultuur van steeds publiceren heeft u gedwongen om jarenlang uw onderzoeksresultaten uit uw duim te zuigen, dat deed u helemaal zelf, u en uw tomeloze zucht naar succes en aanzien. De jongens die mee hebben gedaan aan het bouwen aan bunkers voor de Nazi’s, de moffenhoeren die neukten om hun gezin van de hongersnood te redden, die zijn onterecht aan de schandpaal genageld. U niet. Er was geen pistool op het hoofd van uw kind of uw zusje gericht.

De Speld heeft er een geducht concurrent bij gekregen. Als ik in het vervolg bepaalde stukken onderteken met D. Stapel, dan weet u wat ik ermee bedoel. U zijt gewaarschuwd.

Eilanden

Een veelvoorkomende klacht: “Oud Zeikwijf is zo negatief, altijd maar klagen.” Nogal wiedes. Anders had ik voor deze alter ego wel een pseudoniem als “Joviale Bourgondiër” of “Vrolijke Nimf” gekozen, dunkt me. Maar goed. Voor wie er zo desperaat naar hunkert, hier een positief bedoeld stukje.

.

 

Een voorwaarde om je goed te voelen in je leven is volgens gangbare opvattingen “vaste grond onder je voeten.” Heb je dat niet, dan ben je veroordeeld tot een onbestemmig lot, naar van grilligheid. Ik neem op mij de onmogelijke opgave om te bewijzen dat dat niet zo is. M.a.w.: dat vaste grond onder je voeten niet nodig is om je happy te voelen. Sterker nog: dat vaste grond niet nodig is punt. En zomogelijk nog verder: dat vaste grond niet bestààt. Eenmaal daar aanbeland zal ik mijn belofte van een positief stukje wel moeten inslikken vrees ik. Het zij zo. Hoe zij haar best er ook voor doet, Oud Zeikwijf zal nooit “Lief Trutje” worden. Fasten your seatbelts.

 

Ik draai het om en begin bij het einde: vaste grond bestaat niet. Het is zo. Daar heb ik geen bewijzen voor nodig. De aarbol is een spettertje gesmolten steen, ooit uitgespuugt door een of ander cosmisch objekt. Het zweeft doelloos rond in het helaal. Op die druppel heeft zich door de kou een korstje gevormd. Een heeeel dun korstje. Pak er maar een atlas bij als je mij niet gelooft. Bij het zien van een dwarsdoorsnede van de aarde kun je niet anders dan je hart vasthouden: inderdaad een hoop vloeibaar, heet spul, met een drijvend laagje waar wij op lopen. Dat laagje is zo dun dat het hier en daar plooit, en ook wel eens breekt. Ook ontsnapt er zo nu en dan een wolk hete stoom die zich een weg naar de buitenkant drukt, zoals de luchtbellen in een pan kokende bechamelsaus als je een tijdje niet roert.

 

Hebben de meest gedeprimeerden onder ons nu al lezend zelfmoord gepleegd? Hèb ik nog lezers over? Dan ga ik verder.

 

Dat “vaste grond” een fata morgana blijkt, wil niet zeggen dat we daar niet naar snakken. Goud is ook tergend zeldzaam, maar hele volksstammen plegen daar moorden voor. Om te zwijgen over aardolie. Waar ik mee weer vreselijk dichtbij mijn startpunt (of mijn eindpunt zo u wilt) kom, iets wat ik met alle macht wil voorkomen, uit angst van het verliezen van de 3 onwrikbare positivo’s die nog stug doorlezen.

 

“Vaste grond”. Laten wij dat begrip maar eens goed klemmen op de glasplaat van de microscoop. Wij bedoelen met ons allen dat ons leven een vaste koers moet hebben. Dat veranderingen kwalijk zijn. Waarom zijn ze kwalijk?

 

De psychosociologie heeft er het beeld bij gelanceerd van wortels die de mens moet hebben, en die bij kap moeilijk weer aangroeien. Ik tuur naar mijn voeten en zie daar niets bungelen. Ik heb geen wortels. Ik ben een MENS. Geen boom. Ik loop vrij rond. Dat is wat mensen doen. Wij laten ons niet vastbinden door de denkbeelden van fantasierijke “-Ologen”.

 

Het is ook vaak een kwestie van geld: hoe langdurig vast de grond, hoe hoger de goudberg. Hieraan ga ik verder geen woord meer vuil maken. Wik en weeg, zou ik zeggen. Wat is je meer waard? Maar een kwestie van leven of dood is het niet.

 

Waar het dat wel is, is wanneer “vaste grond” te maken heeft met het nageslacht. Bij de eeuwig puberende lonesome cowboy zie je dat verlangen naar vaste grond niet. Dat verlangen is van de vrouw, die het van het kind heeft. Kinderen, die willen vaste grond. Geloven wij. Als ik journalist was, dan zou ik hier wat onderzoekjes bij moeten pakken om van de statistieken te begrijpen wie er slechter af is: het kind dat opgroeit op een gifbelt, of het kind dat daarvan weggerukt is, en geimplanteerd op een lekker stukje vruchtbare aarde? En als het zelfs dat kind lukt om een mooi plantje te worden in zijn nieuw tuintje, dan moet dat een aanmoediging zijn voor de ouders, of zijn de steken die ik laat vallen in de redenering te opzichtig? Ah! Een opmerking uit de zaal: “Soms is er geen nieuw tuintje, en wordt het kind zwervend, omdat het de ouders niet lukt om een nieuw tuintje te creëren…”

 

Tja. Dan pak ik terug naar mijn oorspronkelijk beeld van de aardbol en zeg ik: Gooi overboord je verlangen naar vaste grond. Maak van je leven een snoer van eilandjes. Zij dobberen in de oceaan van je bestaan. Je hopt van het ene naar het andere. Zodra een eiland vergaat, spring je op het volgende. Af en toe spring je mis en val je in het water. Maar je hebt leren zwemmen (een voorwaarde om zonder vaste grond te leven), dus je klautert gauw weer op het volgende vlotje, en je trekt je kindjes er ook snel op. Als je het verlangen naar vaste grond hebt uitgebannen, dan pas kun je op elk van die eilandjes volledig uitrusten. Je gaat zitten, en je geniet ogenblikkelijk van de schaarse momenten die het leven is.

 

Je kindjes kijken naar jou: je zit op je nieuw eilandje. Vredig en kalm. Je glimlacht en je zegt: “Kind, wat hebben we toch een lekker plekkie gevonden. Hier gaan we een poosje wonen.” Je kijkt niet naar het verzonken eiland. Je straalt, je bent gelukkig. Je kust je kind. Je gaat zitten en geniet. Je blik dwaalt af naar de tak waar een torretje op loopt, naar het licht van de duizend stukjes spiegel in het water. Je ruikt de verse geur van de grond. Je voelt een zacht briesje op je wang. Morgen is het leven toch over. Nu gaat het erom: niet verdrinken. Vrede in je hart. Carpe diem.

Ochtendoverpeinzingen.

Wakker ik ben niet wakker ik wil niet wakker zijn maar moet er toch uit wacht ik snooze nog negen minuten
Ok ik heb dus negen minuten met ogen half open gesnoozed, slaat helemaal nergens op dan maar koffie
Trap af slenter koffie waterkoker kat je mag de keuken niet in hop kssst
Trap op hmmmmmm koffie ok mail checken
Iemand noemt me allemansvriend in mijn mail ik twijfel of ik me beledigd voel of niet
Twitter bijlezen pffff wat zien al die avatars er wakker uit of ligt dat aan mij
Douchen wacht dat gaat niet huisgenoot 1 springt onder douche huisgenoot 2 springt onder douche
Pfff de tijd vliegt en ik zit pas aan mijn tweede koffie
De kat komt een speeltje brengen dat vervolgens ergens in de dekens kwijtraakt achja vind ik wel weer terug
Tussen huisgenoot 2 en 3 even snel de douche inpikken ahhhhhhhhhhhh douche
Scheren brein begint langzaam te werken wat als ik nu
Eens de kost probeer te verdienen door aan een creditcardmaatschappij voor te stellen dat ik een hele blogreeks schrijf
Over hoe lang en hoe gewiekst ik kan overleven op hun creditcard totdat ik de limiet bereik geweldig plan voor de aankomende crisistijden parkeer het in je achterhoofd ah KUTZOOI
Ik heb een wondje in mijn linkerwang gesneden dus snij ik er aan de andere kant voorzichtig ook een want de symmetrie is wenselijk vandaag ik wil een beetje in balans blijven
Waarom denk ik zoveel onzin ik heb een eindredacteur in mijn kop nodig het houdt maar niet op en ratelt en ratelt en hee

Het is alweer middag.

Lof der Loser

Ik kan het woord loser niet meer horen.

.

 

Toen ik jong was en deze benaming nog niet uit de VS was overgewaaid, wemelde het van zulke types in Amsterdam. Het waren gezellige jongens en meisjes, mannen en vrouwen, en ook bejaarden, die niet voor de heb gingen, maar hun leven in het teken van relaxed en easy zagen. Ik, komende uit snelle maatschappijen elders in de wereld, vond het een verademing. Ze waren doorgans best intelligent en/of getalenteerd. Ze hadden alleen geen zin in de ratrace en wat ambitie met je doet. Het leven tussen hen was bijzonder aangenaam. Zelf hoefde je dan ook niet zo veel: iedereen was straatarm. Je gevoel van geluk hangt toch vaak samen met wat de buren hebben. “Keeping up with the Jones” cq we passen onze consumptiedrang aan wat de buren hebben, kopen en doen. In mijn jeugd was mijn vriendenkring bevolkt met figuren die sterk op Jeff “The Dude” Lebowski leken. Geheel in stijl, eigenlijk, met wat van ons allemaal verwacht wordt in het kader van CO2-reductie en milieubescherming (al blijkt dat lijnrecht tegenover de behoeftes van een gezonde economie, die ons wil laten kopen-kopen-kopen). Het doet dan ook pijn als deze lieverds tegenwoordig met loser aangeduid worden. Het maakt mij bang voor de toekomst als mijn kinderen niet meer simpel van het leven zullen kunnen genieten met een minimum aan hebbedingetjes zonder dat dat vieze etiquet op hen geplakt zal worden.

 

Een heleboel van mijn vroegere vrienden leefden van een uitkering. Niet allemaal: de echte “Dude” laat zich niet subsidieren door de overheid. Die sprokkelt wat bij elkaar dmv een minimumbaantje en reduceert zijn levensstijl tot the bare necessities. De rest deed een beroep op de Sociale Dienst. Ik heb dat altijd als een zegen beschouwd. Want hoeveel kostten zij nou de burgerlijke burger? Zijn de belastingen sinds het genadeloos aanscherpen van de toelatingseisen nou zo drastisch gekeldert? Ik dacht het niet. Destijds werd dus voor een habbekrats een leger aan nietsnutten minimaal in leven gehouden. Een ideale oplossing. Typerend voor het pragmatisme van de Nederlander dat ik zo bewonderde. Als werkgever moet je daar toch niet aan denken dat je lui in dienst hebt die totaal geen werklust aan de dag tonen? Toen ik voor het eerst voet zette in Nederland, en mij verbaasde over de afwezigheid van overlast gevende (allocht…) jeugd, placht ik dit toe te schrijven aan het uitkeringstelsel. Ik dacht nog: “Geef alle Franse Noord-Afrikanen een uitkering, legaliseer wiet en hash en je hoort niemand meer piepen.” We hadden daar toen al (25 jaar geleden), in tegenstelling tot de situatie in Nederland, namelijk volop last van groepen slecht opgevoede jongens op straat.

 

Ik durf dit niet meer te denken. Er is een generatie binnengekomen die grondig misbruik van de situatie zou doen. Nix rustig thuis jointjes roken. Thuis is er, waar hun kamer zou moeten staan, een pronksalon voor het scharse bezoek van de ouders. Thuis worden hun vrienden niet getolereerd. Dan maar buiten. En dan ook maar op een onaangename manier dealen, je hebt toch tijd zat. En voorbij lopende meisjes nasissen “Hoer! Hoer!” Zij vervelen zich en zullen het ons laten weten ook. Het uitkeringstelsel noch het gedoogbeleid van weleer zijn aan hen besteed.

 

Nee. De relaxed jaren van mijn jeugd zijn onherroeppelijk voorbij. Het voelt als een gemiste kans.

Schoonheid

Je hebt mensen die geloven dat de buitenkant echt telt. Bewapend met slogans als: “de eerste indruk is bepalend” proberen zij de arme luisteraar in vreemde kronkels te dwingen aangaande het verbeteren van zijn/haar uiterlijk. Ik moet daar niets van hebben… Sterker nog: ik ben faliekant tegen. Mijn mening bij de kwestie schoonheid was, is en blijft: schoonheid is magie.

Als je uitgaat van dit thema kun je mijn vriendinnenkring grosso modo in vier categorieën verdelen:

  • de dazzling beauties zonder hersenen,
  • de dazzling beauties mèt hersenen,
  • de lelijkerds met hersenen,
  • de arme sloebers zonder beauty noch hersenen.

(Lezer, besef bij deze wel dat om u te amuseren ik mezelf veroordeel tot in lengte van dagen elke vriendin te overtuigen dat ze absoluut bij de tweede categorie hoort. Een hels karwei.) Vraag eens aan iemand van de tweede categorie wat zij liever heeft: beauty of hersenen. 10 tegen 3 dat ze antwoordt: “Kom maar op met die kokende olie, maar blijf in godensnaam van mijn hersens af.” Dat weten de dazzling beauties zonder hersenen niet. Sterker nog: ze gelòven het niet. Mijn bedoeling hier is ze dat wel duidelijk te maken, zodat ze eindelijk eens ophouden met hun zuur verdiende geld aan cosmeticapatjepeeërs te doneren alsook met mij te vervelen met hun litaniën over het uiterlijk.

Because, if you want to know: I don’t give a shit about looks. En wel daarom: ik ben opgegroeid tussen de dazzling beauties, hetzij met hetzij zonder hersenen. Èn ze liepen stuk voor stuk als hondjes achter mij aan omdat ik altijd de beste ideeën had voor het spelen, èn ze hebben het stuk voor stuk moeilijker gehad dan ik op het liefdespad, èn ze zijn op hun oude dag stuk voor stuk lelijker dan ik geworden. Zelf hoor ik als je heel objectief kijkt bij de 3de categorie _ ik lijk eigenlijk min of meer op Ugly Betty_ maar in tegenstelling tot de dazzling beauties, kan ik toveren. Ja. Short plump and dark, ik durf zonder enige gêne een balzaal vol helblonde cellulitisvrije celluloïdpulp te betreden. Met het niet zeldzame resultaat dat ik ook nog de aandacht volledig naar mij toe weet te trekken èn aan het einde van de avond hun love interest heb ingepalmd. Dikkig lelijk ding hier heeft nooit en te nimmer gebrek gehad aan mannelijke (en vrouwelijke) belangstelling, en niet alleen in platonische zin.

Dus waar is het probleem? Het probleem zit hem er in dat vrouwen (het zijn meestal vrouwen. Mannen weten dat namelijk wèl) niet weten dat je moet toveren. Terwijl het zo simpel is. Een bezoek aan de sauna? Even denkbeeldig wat toverpoeder op je hangborsten strooien en ze glinsteren van zinnelijkheid. Vergeten te scheren? Wegdenken! Opeens tot je grote schrik een paar lovehandles om je middel? Toverformule “Ik heb ze, ik hou ze” gebruiken. Ook van toepassing op kilo’s, futloos haar, vet, bovengenoemde hangborsten, kapotte voortand en elk ontsierend attribuut waar je mee behept bent. Het werkt, het maakt je leven op slag een stuk makkelijker èn de dazzling beauties hebben het nakijken.

Het enige nadeel, en dat is er meteen eentje van formaat, bestaat erin dat je alleen kunt toveren als je fit en krachtig bent. Ziek moe en afgemat zal het niet lukken. En laat dat nou net de toestand zijn waarin u en ik meestal verkeren.

Koud.

Ik weet niet: is dit de leeftijd ? Is het een teken des tijds ? Of ben ik gewoon in mijn eentje een beetje gek ?

Hoe dan ook, ik merk dat het me tegenwoordig niets meer doet. Niéts. Den Haag. Koningshuis. Amsterdam. Rotterdam. Nederlands Elftal. Belastingen. Bezuinigingen. Crisis. Amerika. Fukushima. Breivik. Moslims dit, Wilders dat. Bommelding. File. Moord. Treinvertraging. Europa. Gaga. Griekenland. Winehouse. Regen.

Ik zie over allerlei onderwerpen mensen ontzettend serieus doen, lange stukken schrijven, zich er honderden slagen in de rondte over erop los twitteren, collumns over volpersen, maar het voelt allemaal zo leeg, zo ongeëngageerd, zo onbelangrijk ook. Alsof we allemaal gek zijn geworden en iedere opwinding exact een half etmaal duurt. Boos omdat de jonge enige overlevende van een groot ongeval in zijn ziekenhuis wordt opgebeld door de pers, maar wel maar tot vijf uur want we moeten nog eten hè. Ik voel apathie in wat zich verkleedt als maatschappelijk engagement.

Of misschien kijk ik wel gewoon in een spiegel en ben ik degeen die begon met er niets meer om te geven. Want ik kan hooguit nog lachen. Om sommige dingen. Want je mag tegenwoordig niet zomaar meer overal om lachen he. Stel je voor, dat we hier als een stel Russen de onvermijdelijke hardheid van het bestaan robuust gaan lopen opvangen met de lách. Nee, dan liever met een beleidsnota of een arrestatie. En kamervragen.

Ik lach om de kneuterigheid van het alles. En ik lach omdat zo weinigen lijken te zien dat het zo ontzettend grappig is. En dan plots lijk ik als enige te lachen. En kijk ik om me heen naar de strakke, serieuze gezichten. En voel ik me heel eenzaam.

Zo vergaat tenslotte ook het lachen mij. En rest enkel de apathie. En de koude. Want de lach is warm, maar de apathie, zij is koud.

Terugkomen.

Samen een grote afstand overbruggen. De ene set wezens wordt er hechter op, ik en de kitten niet. Het heeft misschien ook te maken met dat ze hier ab-so-luut niet voor gekozen heeft. Ook niet voor zou kiezen. Van een klein maar intiem en volstrekt privéparadijsje-met-enkel-papa in Gent, naar een reusachtig-huis-met-meerdere-bewoners-inclusief-andere-katten in Tilburg. Overal vreemde geluiden en geuren, en die twee andere viervoeters die maar lopen te doen alsof zij hier ook wonen. De transitie gaat tot dusver niet geweldig: ze is al meerdere keren op de reeds hier wonende katten afgevlogen, en ze loopt te zenuwen en te stressen. Ik herken het. Ook voor mij gaat de overgang zwaar, terwijl het toch naar een bekende plek is.

De 130 km op de snelweg durf ik niet te beweren te weten wat er in de kitten omging. Maar zoveel als ‘haal me uit de cat carrier en stop hiermee want ik vind dit maar niks’ zou ik wel uit het klaaglijk gemiauw willen interpreteren. Bij iedere vorderende kilometer werd ook mijn hart wat zwaarder. Ik gaf het ditmaal echt op. Ja, natuurlijk kom ik spoedig nog even terug om ‘het kot’ op te kalefateren voor sleuteloverdracht, me uit te schrijven, vanalles op te zeggen en adreswijzigingen door te geven, maar komaan. Het is voorbij, ik heb de handdoek in de ring gegooid en ik kruip kilometer na kilometer nu over asfalt terug naar Tilburg. Met de staart tussen de benen.

Ik ben blij dat mijn beste vriendin me rijdt. Ze biedt troost, ook al is het voor haar ook niet gemakkelijk – zij is Gentse en ziet een van haar beste maatjes weggaan ‘naar het buitenland’. We hebben het misschien ‘slechts’ over 130km maar dat is toch minstens, in volgorde van lengte, anderhalf uur autorijden, drieëneenhalf uur treinen of een uur of zes fietsen mits niet verdwaald raken op de bar slecht aangegeven Belgische wegen.

Ik kom niet meer rond. Ik heb geen vooruitzichten in Gent, ook niet op het professionele vlak. Ik ben enkel nog ‘in de running’ daar voor jobs die ronduit onhaalbaar zijn qua praktische bereikbaarheid. Van de uitkering kan ik geen twee huishoudens meer onderhouden en mijn reserves zijn in ruim twee jaar vér opgesnoept. Dus. Keuzes. Mezelf in het rood storten als een gokverslaafde die hoopt met zijn laatste fiches nog een hele avond verlies naar winst om te zetten. Of. Realistisch zijn en beseffen dat Tilburg – nog – niet op te zeggen valt en Gent – nog – niet haalbaar is, toch zeker niet zoals het sinds 2009 gegaan is.

Ik wil het liefst onder mijn bed kruipen, in een angstige vrees dat ik helemaal de verkeerde keus maak. Ik heb een hernia doorstaan daar, werkeloosheid, aanrijdingen, eenzaamheid, ik heb in alle uithoeken van Vlaanderen gesolliciteerd, ik heb vriendschappen in diverse stadia tussen pril en verstevigd weten op te bouwen, en de kitten heeft exact haar portie ellende in die tijd meegekregen. Ik blijf haar kitten noemen, ondanks dat ze al ruim een jaar oud is. Ze miauwt nog steeds als een manipulatieve ‘kijk mij cute en zielig zijn’ kitten.

Maar misschien is dat stiekem wel onze band. En misschien botert het daarom niet. Omdat we hier nu allebei zitten met het gevoel dat dit één grote vergissing is. Maar omdat papa daar wél voor gekozen heeft en kittenlief niet.

Het gaat tijd kosten. En of ik er juist aan gedaan heb, ga ik vermoedelijk nooit zeker weten. Maar we zitten hier en we moeten het er maar mee doen. Ik hoop dat het goedkomt.

Iemand

Mijn naam is Lowieke Grotevaart. Ik ben een voor mijn leeftijd nog verbazingwekkend potente pensionado van achtenzestig jaar.

Mijn halve leven heb ik op de grote vaart gezeten. Ik heb havens aangedaan op de meest afgelegen punten van de Oost, van de Beringzee tot aan de Zuid-Chinese zee. Ik heb meer van de wereld gezien dan menig benepen burgermannetje of -vrouwtje in een vinexwijk in Hollandia, in vijf of tien levens zou meemaken. Ik voer naar de Rode Zee, de Perzische Golf, de Golf van Bengalen, de Golf van Mexico, de Grote Oceanen over tot aan Vuurland toe. Ik mag wel zeggen dat ik mijn pappenheimers ken.

Op elk continent heb ik naar schatting minimaal drie koters rondlopen, kids die hun zeevarende vader nooit hebben mogen ontmoeten, verankerd als ze zijn, sinds hun geboorte, slechts aan de moederliefde. Ja, in die tijd, als jongeman van een jaar of twintig, tweeëntwintig, was ik nog een behoorlijk hitsige vlegel, de paal in mijn broek die na een aantal weken op volle zee om ontlading schreeuwde, stelde ik nooit teleur. Mokkels genoeg, in de van gewillige hoeren wemelende havens van Vladivostok, Shanghai, Manilla, Saigon, Bangkok, Santos, Veracruz, etc. etc. Erotische expedities die me menig druiper hebben opgeleverd, gelukkig heeft mijn jongeheer daarentegen nooit iets blijvends onder de leden gekregen.

In die tijd heb ik veel gezien, niet alleen van de wereld – verbijsterend mooie zonsondergangen hebben zich voor eeuwig in mijn geestesoog gebrand – , ook voor wat betreft de mensheid: ik ben heel wat figuren tegen het lijf gelopen, in de jaren dat ik de wereldzeeën bevoer. De merkwaardigste types denkbaar, in de havenkroegen, bordelen, massagesalons, zwarte casino’s en bars, die ik placht te bezoeken.

Ironisch is het dan ook, wanneer ik mijn herinnering laat dwalen over die periode, die als een goudomrande ansichtkaart staat te pronken in een trots kamertje van mijn ziel, dat de merkwaardigste vogel die ik ooit ontmoette in mijn luisterrijke leven, een pief was waarop ik stuitte, gewoon hier, in West-Europa, in een verlopen havenkroeg in ’t Antwerpse, om precies te zijn.

René van Dommelen, ik herinner me zijn naam als ware het de dag van gisteren, dat ik hem voor het eerst ontmoette. Een gozer voor wie het woord ‘mafkees’ uitgevonden leek te zijn. In die tijd was ik net enkele weken vrijgezel, mijn Vlaamse meid Godelieve was er vandoor gegaan met een onbetrouwbare Chileen met een snorretje zó dun, dat ik zou zweren dat de knakker van de andere kant was. Een half jaar later hoorde ik van Godelieve – Liefke, zoals ik haar placht te noemen in onze ‘goeie tijd’ – dat dat inderdaad het geval was. Hij had op zijn beurt de plaat gepoetst met een Vlaamse bard genaamd Willy Beekemans, artiestennaam ‘Willy Wonderwonka’, die verschrikkelijke nummers uit zijn luit en strot wist te toveren.

Hoe dan ook, voordat ik te veel uitweid over oninteressante details die een mens slechts vervelen: Ik was dus vrijgezel en hing veel rond in een Antwerpse havenkroeg genaamd ‘Het Hete Madammeke’, waar ook die betreffende René van Dommelen placht rond te hangen. Een uit Holland gevluchte (alimentatieproblemen), volledig aan lager wal geraakte, linkse journalist, met een volstrekt verknipte kijk op het leven in het algemeen en de Nederlandse maatschappij in het bijzonder. Een non-conformist avant la lettre. Iemand die het establishment in zulk een mate haatte, dat je er, luisterend naar zijn van donkere rancune vervulde verhalen, bijkans koud van werd.

Op een goede avond – wat uiteindelijk een zeer kwade avond zou blijken te zijn – zat ik zoals gewoonlijk samen met deze Van Dommelen aan de bar van Het Hete Madammeke, bardame Flavie schonk ons gebruikelijke gif, een avond als alle andere, zo leek het.

Totdat het oog van Van Dommelen viel op een groepje – een stuk of drie, vier – mannen. Louche types die je ervan verdenkt dat ze hun vriendinnen elke avond een pak rammel geven, van hier tot aan de meest desolate uithoek van de (toen nog niet voormalige) Sovjet-Unie. De gasten behoorden duidelijk tot de beroepsbranche die we ook wel ‘maffia’ noemen, ze waren wat aan het husselen met dames van lichte zeden, een pets in het gezicht hier, een klap op de bips daar. Van Dommelen ergerde zich mateloos. Hoewel ook hij net als ik regelmatig gebruikmaakte van de diensten van de Antwerpse madammekes van plezier, had hij een bloedhekel aan vrouwenhandelaren en pooiers. ’Addergebroed, het laagste van het laagste’, placht hij te zeggen, ouderwets hoffelijke moraalridder als hij soms kon zijn.

Van Dommelen stond op, waggelde met zijn dronken kop op de vier smiechten af en vertelde hen, dat ze moesten ophouden met hun criminele spelletjes, dat hij er anders een gendarme bij zou halen. Ik hield mijn hart vast.

Smalend keken de vier gasten op naar de wankelende knuppel die hen, gespierde binken, de les probeerde te lezen. Een van hen trok een biljet van een paar honderd franken, gaf het aan René, vergezeld van de woorden: ‘Hier gast, en nou opgesodemieterd!’ Ik denk niet dat de reden van dit ‘zwijggeld’ was, dat ze dachten dat de dronkenlap het daadwerkelijk tot het politiebureau zou redden. Ik vermoed eerder dat ze hoopten dat mijn vriend de barfly zichzelf met de overhandigde ‘fooi’ zou doodzuipen: een mooi spektakel voor het stelletje leeglopers dat ze waren. Dit was echter niet wat Van Dommelen deed. Hij liep naar buiten. Is hij bang geworden, dacht ik verbaasd, Van Dommelen was er niet het type naar zich te laten intimideren.

Een kwartier later was hij terug, een reusachtige zak Vlaamse frieten, weelderig overgoten met kwakken mayonaise, in zijn handen. Hij gooide de buil met een wilde zwaai over het tafeltje van de maffiosi en hun psychisch geketende vrouwelijke gezelschap. De witte klodders mayo staken schril af tegen de dure maatpakken van de verbouwereerde snuiters. ’Hier heb je je vieze geld terug,’ sprak Van Dommelen, ‘ik hoef jullie vunzige franken niet.’

Dit wordt hommeles, voorvoelde ik, en ik probeerde René mee naar buiten te trekken, maar mijn barvriend was nu helemaal ontketend, het leek of hij op de vuist wilde met zijn opponenten: een oneerlijke concurrentie, to say the least. Ik was te laat.

De ploerten trokken de desperate alcoholicus over het biljart, en… wat exact volgde weet ik niet, aangezien ik zélf moest rennen voor mijn leven.

De volgende dag in de Antwerpse haven volgde een kort, zwijgend afscheid, mijn boot richting Zuid-Amerika lag klaar voor vertrek. Met een brok in mijn keel drukte ik hem de hand. Hij: de barvlieg, de gek, idioot, halve gare, maar met het hart immer op de juiste plaats. Zijn rechteroog was helemaal dichtgeslagen, zijn rechteroor half kapotgeslagen, er waren schrammen zichtbaar op zijn volledige gezichtsoppervlak.

Met weemoed in mijn hart liep de kade af. Voordat ik aan boord ging draaide ik me nog één keer om. De kreupele dronkenlap stak zijn hand omhoog. Ik zwaaide terug, in de wetenschap dat hij een kwartier later al zijn eerste whisky van de dag naar binnen zou gieten, zelfdestructief mechanisme tot welke hij verworden was. Ik was in de veronderstelling dat ik hem nooit meer zou weerzien.

Daarin vergiste ik mij. Deze maand op de kop af drie jaar geleden was ik met mijn huidige vrouw een paar dagen in Parijs, waar mijn jongste dochter woonachtig is en een studie antropologie volgt. Struinend over de boulevards, door de steegjes en parken, over de bruggen van de mooie Franse hoofdstad, viel mijn oog op zeker moment op een zonderling figuur in een lange, donkere, wollen jas – het was hartje zomer – , die onder een van de Parijse bruggen schijnbaar onverstoorbaar een lied aan het zingen was. Naast hem lagen tientallen lege bierflesjes, honderden peuken en wat verregende glossy-magazines. Iets in de stem van deze clochard kwam mij bekend voor.

’Ik ken die stem’, sprak ik glazig tot mijn vrouw, die mij probeerde mee te trekken, weg van de groezelige kant van deze beroemde toeristenstad met zijn twee gezichten. Maar nee, ik móest weten hoe de vork in de steel stak, rukte mij los van de goede bedoelingen van mijn eega en liep op de man af.

’Wie is u?’, vroeg ik kort maar krachtig. ’Je suis le zombie René’, sprak de vagebond, en op dat moment viel bij mij de centime. René van Dommelen!

Ik probeerde een gesprek met hem aan te knopen, ofschoon ik had niet het idee had, dat hij mij herkende, hij brabbelde wat onverstaanbaar koeterwaals, een mix van Frans, Engels en Hollands. Het deed mij wel wat, hem in deze toestand terug te zien. Tegelijkertijd besefte ik, dat ik hem niet zou kunnen helpen. Van Dommelen was de val, die hij voor zichzelf zette, de eigenhandig gecreëerde mist in het duistere woud van zijn bestaan, het door hemzelf hoogst persoonlijk aangebrachte hangslot, op zijn vrijheid.

Of was hij vrij – hij, of all people – , was juist hij vrij, en wij, wij allen, gezapige pensionado’s met onze huisjes, onze boompjes, onze beestjes, onze dodelijk vervelende Rijncruises, waren wij wellicht de wérkelijk onvrijen…? Mijn hoofd duizelde, vragen tolden door mijn hersenen.

‘Wie was dat?’, vroeg mijn vrouw. ’Och… niemand’, antwoordde ik, maar terwijl ik die woorden sprak, besefte ik dat als ’n bepaald persoon in mijn leven óóit het predicaat Iemand, met hoofdletter I, zou verdienen, dat het dan Van Dommelen zou moeten zijn: de ultieme non-conformist, de klaploper, gehoorzamend aan geen énkele maatschappelijke conventie, slechts luisterend naar zijn innerlijke stem.

De spiegelingen van de lantaarns blonken poëtisch in het donkere water van de Seine. Ik nam de arm van mijn vrouw, waarna we in een bedaarde gang terug naar ons hotel wandelden, terwijl ik mocht bespeuren dat een vleugje geluk zich in mijn hart nestelde.

« Older posts Newer posts »

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders Noren — Up ↑