KutBinnenlanders.nl

Tag: Proza (Page 5 of 13)

De Macht der Designmaffia

Gij kunt mijn naam doen schrappen uit de burgerlijke stand.

Al wat aan mij herinnert zij vergeten en verbrand.

Wanneer dit lied u nog bereikt, verneem het enkel

als wind en eeuwigheid, een bloem in uwe hand.

Gerrit Achterberg


Vrijdag moest ik bij de burgerlijke stand van Stadsdeel Centrum zijn. Dit was de eerste keer sinds lang. Wie schetste dan ook mijn verbazing toen bleek dat in mijn afwezigheid de hele zaal op de schop was genomen.

 Ik werd verwelkomd door een drietal portieren van onder de luifel van een monumentale, knalrode, puntdakige partytent. (Allemaal nieuwe gezichten voor mij. Zijn de oude vertrouwden ontslagen?) Ik diende naar de “overkant” te lopen en aldaar op een bel te drukken. Ik knikte en legde de 200 meter af die mij scheidden van mijn bestemming. Daar bevond zich een tweede balie. Met inderdaad een hotelbel op de desk. Ik drukte. De vele wachtenden keken allemaal tegelijk om. Wat kwam ik voor belangrijks doen dat ik ze allemaal fonisch stoorde? Spoedig kwam een ambtenaar uit de spelonken achterin aanlopen om mij uit mijn benarde positie te bevrijden: hij nam me mee naar een serie kanariegele zeecontainers die midden in de zaal gedumpt waren. Hij deed de imposante deur dicht. We namen plaats. In die smalle kooi voelde ik me lichtelijk claustrofobisch. De stalen wanden waren dreigend dicht op mij. Het had iets unheimlichs.

Boven mijn hoofd torende een buitenpropotionele omgekeerde slakom: een lamp. Ik volgde de vijf meter lange telescopische voet van het beest tot de grond: zijn stekker bungelde werkeloos bij gebrek aan een wandplug. Ik stelde mijn vraag. De ambtenaar moest er iemand anders bij halen. Voorheen had dat zo gekund: de aangifte-hokjes waren open naar achteren – hij had zich omgedraaid en een collega geroepen. Nu was de zeecontainer een eiland, een heel eind verwijderd van zijn werkplek. Hij moest ervoor bellen. Helaas was er geen toestel in het hok – ook bij gebrek aan een plug. Het zijn zeecontainers, niet waar. Echte zeecontainers. Reusachtige blokkendozen van geverfd ijzer ‘waar vroeger de C1000 zijn kratten bier in opsloeg en stadsdeel centrum zijn ambtenaren in opsluit’, hoorde ik iemand mompelen bij het voorbijgaan. Zie daar maar elektriciteit aan te leggen. Je komt simpelweg niet door het pantser heen.

‘Leuk voor tijdelijk’ durfde ik te uiten

‘Niets tijdelijk, dit is voorgoed.’ antwoordde de ambtenaar ietwat beschaamd, ‘Wees hier maar blij mee, we hebben er immers om gevraagd. Want ze lieten eerst het publiek staande aan de open balie aangifte doen. We kregen pijnlijke zaken. Zoals van een vrouw die de dood van haar baby kwam aangeven terwijl een man vijf meter verderop uit zijn dak ging omdat zijn foto mislukt was. En toen hebben ze die zeecontainers hier gedropt.’ voegde hij toe en hij rende weg om mijn vraag door te geven aan de achterhoede.

 Nu hij weg was ging ik er goed voor zitten: wat was er allemaal veranderd? Het oude systeemplafond was er nog in al zijn spotgoedkope lelijkheid. Daarachter liepen vast alle leidingen die nu eenmaal horen bij deze (makkelijke) vorm van modern bouwen. De puntdaken van de partytent en de muren van de zeecontainers reikten echter tot het plafond (je moest natuurlijk niet krijgen dat de burgers boven de muren zouden klauteren in een wanhopige poging aan deze claustrofobische omgeving te ontsnappen): hoe zouden ze die platen weg moeten halen om een eventueel euvel te verhelpen? Ze zaten op al die plekken muurvast. Dan was er de grond waarover ik tot twee maal toe struikelde: oneffen. De trap naar de bovenverdieping van het stadhuis, die vroeger veilig in het privée werkgedeelte van de ambtenaren stond, pronkte nu prominent tussen de wachtstoelen. Er was wel een koordje gespannen met een bordje verborgen toegang, maar als een wachtende ontplofte, zoals vaker gebeurde, omdat hem een belangrijk document geweigerd werd, dan moest dat koordje van goede huize komen om hem tegen te houden. Hij kon er *hup!* zo overheen springen om de burgemeester te gaan vermoorden. Nee, veilig leek het mij niet.

 Ik legde mijn oor te luisteren bij het publiek. ‘Wat jammer dat opa er niet bij kon’ zuchtte een kersverse vader tegen zijn eigen moeder, die hij meegenomen had om zijn boreling aan te geven. ‘Dat is waar ook’ bedacht ik me ‘de hokjes zijn te klein, je kan er maar met z’n drieën in, ambtenaar incluis.’ ‘Vroeger zat ik elke keer gezellig met tig collega aangevers te kletsen in “ons” hokje. Nr.1 was dat. Dat was ook de enige plek waar we elkaar ooit troffen. Ga maar na wat voor een impact dat heeft. Ik zie ze nooit meer.’ huilde een uitvaartonderneemster bijna. ‘Vroeger was de achterkant open, met zicht op de werkende ambtenaren, nu is de voorkant van glas, naar het publiek toe, dat werkt onprettig voor ons, de professionals.’

Ze had een punt, vond ik.

 Het formulier, ingevuld en ondertekend, werd meegenomen door mijn functionaris. Hij deed de glazen deur open, stapte de openbare wereld in, en beliep dwars door het publiek de halve kilometer naar zijn afgeschermde werkplek. De unheimlichkeit nam paranoïde trekken aan: daar liep die man met mijn hoogstgevoelige privé info zomaar langs allerlei Amsterdams gespuis! Het kon hem zo ontstolen worden. Een onbedwingbare drang om hem te volgen tot hij een veilige brandkast had bereikt maakte zich van mij meester.

Ik hernam me, en liep *struikel* langs de trap van de burgemeester, het nog-nat-achter-de-oren-jonkie van een beveiliger en de partytent weer naar buiten. Ik had het vaag gevoel ergens aan ontsnapt te zijn. Waaraan wist ik niet goed.

Column Vreihijd

Bij De Groene Amsterdammer van de week van 5 mei zat een bijlage, het magazine Vreihijd. Het is ook gratis verkrijgbaar bij de bibliotheek. Het magazine heeft als centraal onderwerp: the paradox of freedom. A.H.J. Dautzenberg schreef een column.


Schrijver Anton Dautzenberg werd lid van de pedofielenvereniging Martijn om op te komen voor vrijheid. En moet daarvoor boeten. Door A.H.J. Dautzenberg

Ook ik heb de nodige petities getekend tegen regimes die de mensenrechten schonden. Lekker veilig, dacht ik er steeds bij, van een fikse afstand je stem laten horen. Comfortabel vanachter je computer, vanuit een land dat (mijn) vrijheid van meningsuiting verdedigt als geen ander.

Het afgelopen jaar keek ik machteloos toe hoe in Nederland de heksenjacht op pedofielen in heftigheid toenam, ook vanuit de overheid die Vereniging Martijn – die acceptatie nastreeft van seksuele omgang tussen kinderen en volwassenen – met alle macht probeert te verbieden. Veel van de schrijvers die ik bewonder schreven op een ontroerende wijze over (hun) liefde voor kinderen. Gerard Reve, Jan Hanlo, Frans Kellendonk. Pedofilie heeft voor mij dus geen negatieve connotatie. Kindermisbruik is iets compleet anders, net als kinderporno. Maar die nuance lijkt niemand meer te (willen) zien.

Met verbazing en stijgende ergernis volgde ik de collectieve verkettering van pedofielen in ons land. Ik moest iets doen. Nee, ik móést iets doen. Petities kreeg ik volop onder mijn neus geduwd, maar die waren juist tégen pedofielen gericht. Ik besloot daarom (actief) lid te worden van Martijn. Als protest tegen de ongenuanceerde hetze én om te laten zien dat pedofielen gewone mensen zijn met wie je op een verstandige manier kunt praten.

Mijn lidmaatschap leidde tot een storm aan protest. Mijn mailbox liep vol met slecht geschreven hatemail en doodsbedreigingen. In eerste instantie liet ik die nonchalant van me afglijden. Blaffende honden bijten niet, maar gaandeweg werden de bedreigingen concreter.
Op straat begon ik om me heen te kijken. Wapens had (en heb) ik niet, ik moest het met mijn woorden doen.

Telkens wanneer ik thuiskwam was ik voorbereid op een ingegooid raam.
Die fysieke aanvallen kwamen er gelukkig niet, wel werd ik in toenemende mate genegeerd. Mensen die mij normaal gesproken altijd groeten, liepen me straal voorbij. In de kroeg draaiden bekenden hun rug naar me toe. Eén keer waagde ik het om naar de reden te vragen. ‘Je bent te min om mee te praten.’ Daar moest ik het mee doen, een genuanceerd gesprek over pedofilie of mijn lidmaatschap was niet mogelijk.

Om mijn motieven uit te leggen publiceerde ik opiniestukken in verschillende landelijke dagbladen en op enkele opiniesites. De bedreigingen namen toe. Ook raakten de pijlen van de pedohaters meer en meer mijn familie.
Ik was genoodzaakt om mijn steun aan Martijn op een lager pitje te zetten. Dat hielp, de doodsbedreigingen
werden minder.

De tegenwind kwam vervolgens uit een andere hoek. Ik werd ontslagen door Financial Times, mijn belangrijkste opdrachtgever. De reden: mijn steun aan Martijn. Wat ik ook probeerde, een gesprek hierover was niet mogelijk. De krant veranderde zich als een gesloten oester. Volgens mijn advocaat had ik als freelance journalist geen zaak. Ik besloot om advies in te winnen bij de Nederlandse Vereniging voor Journalisten. De reactie: ‘De NVJ heeft hier geen mening over daar het een individueel geval betreft.’

Een paar dagen later werd ik gebeld door een andere grote klant, een universiteit waarmee ik een nieuw arbeidsmarktconcept ontwikkel. Ze schortten de samenwerking met mij voor onbepaalde tijd op, ‘bang voor imagoschade’.

Misschien dat in het buitenland iemand een petitie rondstuurt om Martijn te steunen, want in het o zo liberale en vooruitstrevende Nederland durft niemand dat. Pedofilie is immers een uiterst besmettelijke ziekte. Arnon  Grunberg mengt zich (gelukkig) wel zo nu en dan in de discussie, maar die woont dan ook lekker veilig in New York.

Mijn oma

Dit was Fonsina, mijn oma, de moeder van mijn moeder. Ik was gek op haar, en zij op mij. Ze werd geboren in 1910 in de omgeving van Bologna, Italië, als oudste van een familie van tig kinderen. Haar moeder, Zelinda, kreeg al jong kanker en stierf in haar eigen bed na een jarenlange martelgang. Mijn oudtantes hebben me weleens verteld hoe traumatisch die periode van bedlegerigheid is geweest, hoe zij, als kleine meisjes, het geschreeuw van hun moeder hoorden, hoe dat door hun ziel sneed.

 Toen Zelinda stierf was mijn oma 8. Als oudste van het gezin heeft zij haar broertjes en zusjes verzorgd, want hun vader Giuseppe maakte elke dag lange uren op zijn werk als landarbeider. Ze waren met vier zussen: na mijn oma kwamen Fernande, Angèle, Blanche, en een broertje, de baby Garol. Zodra Fonsina oud genoeg was werd zij uit werken gestuurd, als inwonende meid in hotels; haar salaris was broodnodig voor het armoedige gezin.

 Haar vader moest radicale beslissingen nemen: als eenvoudige werker kon hij onmogelijk voor al die kinderen zorgen. Zij werden dan ook prompt bij verschillende familieleden ondergebracht. Zelf stapte hij, zoals vele Italianen in die vroege 20ste eeuw, op de boot om zijn geluk te beproeven in Amerika. De reis duurde weken. Onderweg kreeg hij een infectie in zijn voet, die begon af te sterven. De arts stond klaar met zijn zaag. Mijn overgrootvader (ik hem hem nog goed gekend, ik was 6 toen hij stierf en noemde hem “le pépé pénible” vanwege zijn nors, veeleisend gedrag, een roepnaam die tot de dag van vandaag aan hem is blijven kleven), was echter een eigenzinnige, koppige man. Hij vluchtte van het ziekenboegbed. Met koudvuur in zijn lijf maakte hij geen kans meer in de VS. Hij keerde dus terug met de volgende boot. In de maand aan boord deed de verkwikkende zeelucht zijn helend werk: tegen alle medische wetmatigheden in genas hij. Hij landde fitter dan ooit weer in zijn geboorteland.

 Niet veel later waagde hij het opnieuw. Dit keer richting de Alpen in Frankrijk, waar ze volk zochten om een stuwdam te bouwen. Eenmaal daar gesetteld liet hij zijn dochters en zijn zoontje overkomen. En zo kwam het dat ik de mooie Fonsina als oma kreeg.

 Zij was 18 en van een verpletterende schoonheid. In de verre omtrek waren talloze jongens verliefd op haar: zij had de beste partij kunnen kiezen. In plaats daarvan huwde zij mijn opa, Albert, een helblonde Fransman, kalm, introvert, hardwerkend en onopvallend. Een armoedzaaier van de bovenste plank, een mijnwerker, een mineur de fond bovendien, die de laagste status – en de kortste levensverwachting – hadden. Iemand zonder familie: hij was wees en enig kind. Mijn oudtante Angèle, die mij dit allemaal heeft verteld, omdat mijn oma nooit iets zei, was op haar oude dag nog verbijsterd over die keuze, net als destijds heel het stadje. De schoonheid van de streek, die werd aanbeden door de beste lui, rijke zonen, flamboyante knapen, koos voor een minkukel. Dat moet wel liefde zijn geweest.

 Ze kregen prompt een zoon. De Tweede Wereldoorlog brak uit: mijn opa werd naar het front gestuurd om te vechten tegen de Duitsers. Hij werd gevangen genomen in Silezië. Hij kreeg een brief van zijn mooie Italiaanse, waarin stond dat zij zwanger was. Van mijn moeder.

  

Toen ik als 19-jarige naar het buitenland vertrok gaf mijn oma mij deze foto mee. Jaren hing hij aan de muur. Tot ik eens de schotten moest verven, de foto eraf haalde en iets me opviel: er waren meerdere punaisegaatjes bovenaan, waarvan één verroest was. Had ik soms verroeste punaises? Opeens it hit me: dat was de punaise van mijn opa! Pas toen zag ik dat er een stempel was op de achterkant, in gotische letters: “Stalag II A, 21 gepräƒst”. Albert, had deze foto in Duitsland ontvangen, in het kamp in Silezië waar hij gevangen zat. Een kiekje van het gezinnetje dat hij achtergelaten had in de bergen van Frankrijk. De eerste aanblik van zijn dochter die hij nooit in levende lijve gezien had. Hij had de foto aan de kale muur van zijn cel gehangen, boven zijn bed vol bedwantsen.

 Mijn opa bleef niet in het soldatenkamp. Alle mannen in Silezië waren naar het front, dus al gauw werden de gevangen soldaten te werk gesteld. Albert in een boerderij, waar hij het enorm naar zijn zin had. Decennia later als ik weer eens op zijn schoot kroop met “Opa vertel eens over de oorlog”, verzuchtte hij dolblij te zijn geweest de bedwantsen achter hem te laten, die zijn nachten in het gevangenenkamp tot een hel hadden gemaakt. En hoe gelukkig hij zich prees bij die boeren. De gevangenen hoorden verhalen van het thuisfront, waar voedsel op de bon was en, vooral in de steden, hongersnood en ellende heersten. Op de boerderij werkten die jonge, sterke kerels in de buitenlucht: na jaren in de mijnschachten van zijn geboortestreek te hebben geploeterd, bloeide mijn opa op. Zij kregen goed te eten, ze aten mee met de boeren. Binnen de kortste keren werden zij behandeld als familie, iets belangrijk en troostend voor de wees die hij was. Zonder het gemis van en de zorgen over zijn gezin, was Albert de hemel te rijk geweest.

 In 1945 keerde hij weer naar huis. Mijn moeder was 5, en schok zich een ongeluk toen die vreemde man opeens haar huis binnen wandelde. Fonsina en hij kregen nog twee zonen: Jean-Pierre en Philippe. Zij waren gelukkig. De mijnen, een sociaal bedoeld staatsbedrijf, zorgden in alle opzichten goed voor hun personeel. Ze bouwden fatsoenlijke, ruime twee-onder-een-kapwoningen voor hen, omringd door grote lappen grond om eigen groente te telen. Ze betaalden alle stook- en ziektenkosten, en hadden zelfs een eigen zorgstelsel in huis, met eigen (tand-) artsen en praktijken. De twee oudsten groeiden voorspoedig op. Ze haalden allebei goede cijfers op school, en waren knap genoeg om door te studeren. Alles was pais en vree op het hooggelegen plateau, in de koude lucht onder de strak blauwe hemel waar tussen de besneeuwde pieken een verdwaald cumulusje wel eens voorbij dreef.

 Tot het noodlot toesloeg.

 De twee oudste kinderen waren volwassen geworden en hadden allebei een gezin gesticht. Jean-Pierre en Philippe woonden nog thuis. Iets dat Philippe, zoals Il Ultimo, het laatste kind, betaamt in de Italiaanse opvoeding, tot de dood van zijn ouders is blijven doen – hij had een kamer in de stad waar hij doordeweeks werkte, maar kwam elk weekend thuis doorbrengen, waar Fonsina zijn was draaide. Hij heeft dan ook pas ver in de vijftig eindelijk een relatie gekregen. Een treffend detail dat mijn oma mij vertelde toen ik hoogzwanger was van mijn eerste, is dat Philippe haar enige kind was met een moeilijke bevalling – hij moest met de tang gehaald worden: hij wou er simpelweg niet uit. Maar terug naar ons verhaal: toen zaten hij en zijn broer nog op de middelbare school. In de zomervakantie had Jean-Pierre een baantje bij een garage in de Grand-Rue, de drukke hoofdweg. Op een ochtend had hij geen zin om te gaan. Hij smeekte zijn moeder om thuis te blijven. Zij was echter onverbiddelijk van arbeidsethiek: hij moest. Schoorvoetend sleepte hij zich naar de Grand-Rue en begon aan zijn werkzaamheden. Met de pauze stond hij buiten op de stoep toen een hond de weg overstak. Daar kwam een auto met volle snelheid aan. Jean-Pierre aarzelde geen seconde, maar sprong de weg op om de hond te verjagen. De auto knalde frontaal tegen hem op, en reed door. Jean-Pierre was op slag dood.

 Fonsina had haar oogappel de dood in gejaagd. Ze heeft daarna nooit meer gelachen.

 Albert stierf op 76 jarige leeftijd aan slokdarmkanker, not bad voor een mineur de fond die zijn hele leven had gerookt en gedronken. Wij de kleinkinderen kenden mijn oma als nors en stil. We hadden haar nooit enige teken van tederheid zien vertonen naar haar man toe. Zij was 80 toen hij stierf; zelf blaakte zij van gezondheid. Maar binnen drie maanden was zij hem naar de eeuwige jachtvelden gevolgd. Zij hield van hem, zij liet het alleen niet zien.

De Luizen

Een rode draad in de zelf die ik in mijn jeugd was, betreft het opnieuw uitvinden van het wiel. Niets nam ik zomaar aan. Alles moest door mijzelf opnieuw ondervonden en getest worden. Ik moest er in persona achter komen of de door de generaties voor mij, door de mensheid zelfs, geboden oplossingen werkelijk optimaal waren.

Dus deed ik dingen. Zoals eten niet meer koken, om te kijken of je het niet net zo goed rauw kon eten. Of slapen op de grond, met hooguit een tapijt onder mijn botten. Matrassen waren zúlke overbodige ondingen, niet waar? Zeker als je elke maand gedwongen werd te verhuizen. Schoenen ook: ondingen. Blootsvoets moest ik! Waarom zouden we immers een extra zool onder onze voeten doen? We hebben tenslotte huid, dat de hoedanigheid heeft onder regelmatig gebruik te vereelten. Het was dus zaak om die natuurlijke aangroei te stimuleren door geen schoenen meer te dragen. Na een tijdje zou ik dikke natuurlijke zolen kweken en konden schoenen voorgoed in de kast blijven. Dat onderdeel van het masterplan heeft gewerkt: na een week liep ik moeite- en pijnloos zonder schoenen. Daar ik ook mijn kleren niet meer waste (waarom zou je?), en mijn haar kaal schoor om te kijken hoe mij dat zou staan, riep ik negatieve reacties van de buitenwereld op mij af. Bespottelijk vond ik dat. Ik. Was. Een. Lady. Konden die mensen dat niet zien? Zoveel kortzichtigheid legde ik naast me neer.

Tanden poetsen moest ik ook al niet meer doen van mezelf. Je verstoorde het subtiele bacteriële evenwicht van je speeksel. Als je dat maar lang genoeg deed dan stoorde je je ook niet meer aan de geurtjes. Naar de tandarts gaan, ook onnodig in mijn nieuwe levensfilosofie. Nooit zo weinig gaatjes gehad trouwens, dan in mijn tandartsloze periode. Wat mij doet denken aan de mortaliteitscurve in ziekenhuizen, die elke zomer een stevige dip vertoont, wanneer de witte jassen hun tweede verblijf opzoeken in verre oorden, om weer als nooit tevoren omhoog te schieten als de knappe koppen weer de scalpel ter hande nemen.

Haar wassen, ook hier: in godensnaam waarom? Je ontdoet het haar van het vet dat het moeizaam produceert om zichzelf te beschermen tegen weersomstandigheden en andere aanvallen van buitenaf. Dus liet ik mijn haren ongemoeid. Begon dreadlocks-achtige groeisels aan te kweken. Ook had ik gelezen dat eieren goed voor je haar waren. Dus klopte ik bij tijd en wijle een ei kapot op mijn schedel en smeerde ik het goedje in mijn haar. Dat liet ik zo gewoon staan – ik waste mijn haar immers nooit meer.

Af en toe dook ik de vieze gracht (want in die tijd nog fungerend als open riool) in bij wijze van lichaamsreiniging. Vond de coating die het gaf aan mijn haar heel aangenaam. Tot ik bulten kreeg. In mijn nek. Die steeds groter werden – en enger. Ik zie mij nog zitten, aan de rand van een van de werkvlotten van jeugdvereniging Vlotwezen, voeten bungelend in het water, met angst in mijn jonge hart. Want knobbels, in de nek, op je 20ste, zeg nou zelf: is dat niet reden om in paniek te raken? Je denkt gauw aan tumoren, aan hersenkanker. Ik zag mijn kort leventje abrupt eindigen in afgrijselijke pijnen. Maar ik was laks, dus keek ik het een paar weken aan. Waarbij ik elke dag doodsangst uitstond. Het was vast afgelopen met het wezen Oud Zeikwijf op deze aardbol. De vraag was hoe snel schikte ik me in deze niet te ontlopen waarheid? Na een tijdje besloot ik naar een dokter te gaan. Ik had er geen, dus nam ik die van een ander. Ik belandde bij Pim Scheele, de beruchte behandelaar van junks en ander gespuis die praktijk hield op de Wallen. Mijn eerste echtgenoot, van wie ik die tip kreeg, hoorde bij die categorie. Ik nam plaats in de wachtkamer, en werd spoedig zijn kantoortje binnen geleid. Hij zag mij van verre aankomen: met mijn ongewassen stofjas vol vlekken. Ik moet ook gestonken hebben. Hij bleef op een afstand, en gebaarde mij op een stoel te zitten. Hij richtte, nog steeds zonder mij aan te raken, een kniktelescopische lamp op mijn schedel, en schreef vervolgens in stilte een recept dat hij mij overhandigde: luizenshampoo.

Ik had luizen.

Tage von das Deutsche Tahl

Härry und Rudy, die Fötze Inländer

Härry: “Rudi, warum bist du so an’s lachen ?”
Rudi: “Zomahr, Härry, zomahr.”

Härry: “Nein, wirklich, warum lachtst du so ?”
Rudi: “Och, ja. Es ist ein beisonderes Tag, he Härry.”

Härry: “Ist das so ?”
Rudi: “Sicher wohl, sicher wohl. Weist du das nicht ?”

Härry: “Ik habe keine Anus.”
Rudi: “Ach so. Es ist der Tage von das Deutsche Tahl.”

Härry: “Sollen wir besser nicht schweigen dan ?”
Rudi: “Wellicht besser von wohl, Härry. Wellicht besser von wohl. Mann macht besser keine grappen mehr diesere tagen. Damit musst man aufpassen. Waakt dir fur der Humor.”

Härry: “Das soll ich dan maar tun, Rudi. Gibt mir die shampoo eins dur ?”

Het failliet van Hollywood

Iedere gozer die zoals ondergetekende in de kleurrijke jaren tachtig – jaren van schoudervullingen, ontplofte kapsels, nederreggaecult en vermaarde discoclips – een tiener was, zal zich nog wel de twee stoten kunnen herinneren, die in dat decennium de (inter)nationale bioscoopdoeken opsmukten, met hun ongebreidelde sexappeal: de juffrouwen Kim Basinger en Kathleen Turner. Ja, menig (onder)laken in menig puberslaapkamer – ik geef toe, ook in mijn slaapstulpje – zal in die jaren bevlekt zijn geraakt, ten gevolge van uit de ‘hand’ gelopen tienerfantasieën, na het zien van één van de twee eerdergenoemde dames in de bioscoop.

Natuurlijk, die twee waren dé cinematografische seksbommen van hun tijd. Toch knaagt iets aan mij, wanneer ik met generatiegenoten nog weleens wil terugkijken op die opwindende jaren, en zij steevast met deze twee ‘erotische grootheden’ komen aandraven.

Er was nóg een dame die mijn tienerhart in die dagen op hol deed slaan: mevrouw Anne Archer, de actrice die in de inmiddels klassieke stalkerfilm uit 1987, Fatal Attraction, de echtgenote speelt van Michael Douglas, en geterroriseerd wordt door de gruwelijk waarachtig spelende Glenn Close. Voor mij, jonge, ongerepte knaap die ik toen was, was zij het ultieme schoolvoorbeeld van de klassieke brunette schoonheid: een glimlach om bij te likkebaarden, een volle bos bruine krullen om in te verdwijnen, en een lichaam om oneindig ‘gymnastiekoefeningen’ mee te doen…

Zelden kwam ik als puber dichter bij het beeld van de ‘ideale vrouw’, als toen ik deze dame ten eersten male in de bioscoop aanschouwde. Mijn popcorn snoepende vriendinnetje, Madeliefje, verbleekte volledig naast de engel op het witte doek, en de erectie die ik de gedurende de hele film in mijn broek voelde, was gewijd aan de Hollywood-actrice, niet aan het ranke, niet superknappe ding naast me, met wie ik ‘liep’, min of meer bij gebrek aan beter.

Des te groter was onlangs mijn teleurstelling toen ik in een opwelling – wellicht als gevolg van het feit dat de onderhavige stalkerklassieker weer op tv te zien was geweest – via het net ging navorsen, wat er eigenlijk geworden was van deze mevrouw Archer: zou ze zoveel jaar na dato nog steeds die krachtige, intrinsieke schoonheid bezitten, die mij destijds omver wist te werpen?

De teleurstelling was enorm. Wat bleek: de actrice had haar gezicht volledig laten dichtplamuren. Een strak gezicht keek mij aan, iemand van in de zestig die bang is om ouder te worden, en haar façade had laten ‘verminken’ tot dat van een veertigjarige. Zoals dat in Hollywood gemeengoed is voor dames van boven de vijftig, zestig… of moet ik tegenwoordig zeggen: voor dames van boven de veertig, dertig, twintig…

Hevig ontgoocheld zette in mijn pc af. Waarom doen mensen dat toch: hun hele leven, hun geschiedenis, hun gevoel, karakter, eigenheid, dat alles zichtbaar in de speelse rimpels op hun gelaat, laten vernietigen door een ‘plastische slager’ (esthetische beul) die er goud geld mee verdient?

Het failliet van Hollywood.

Openhuizendag

Op Openhuizendag afgelopen zaterdag trokken wij, Mijnheer Oud Zeikwijf en ik, erop uit om de huizen te bezichtigen waar we al tijden nieuwsgierig naar zijn. Dat kan op die dag! We moesten een keuze maken qua buurt. IJburg leek ons een goeie. Allemaal kekke gebouwen op een stel vers opgespoten eilanden.

We nemen de afrit van de A10 en willen allebei instinctief linksaf slaan. Geen molecuul in ons lijf die er spontaan wat voor voelt om de Behabrug te nemen – waarschijnlijk wil ons systeem ons liever veilig terug de stad in hebben, dan in zo’n eng Nieuw Gebied waar van alles kan gebeuren. Doch nemen we wel degelijk de Behabrug en belanden wij in IJburg.

We spotten meteen een paar interessante woningen. Aan de top van een toren aan de Noordelijke oever bijvoorbeeld: daar zouden we dolgraag het uitzicht op het IJmeer van willen checken. Adembenemend, zonder twijfel. Maar zo’n doorzonwoninkie in de vele rijtjes die IJburg rijk is, daar zijn we ook best benieuwd naar. Op IJburg woont een speciaal soort mensen moet u weten. Blank, geel of zwart, ze lijken allemaal op elkaar, en allemaal lijken ze uit Almere te komen. Ze hebben ook stuk voor stuk een bakfiets en een stel koters bij zich. De vrouwen hebben een zweem van gedwongen creativiteit over zich (nepbloemen in jeugdige vlechtjes, nepbloemen op de bakfiets). De mannen ogen wat simpeler. We willen best kijken hoe die het thuis hebben.

Dus bellen we aan. Er wordt open gedaan door zo’n immer vrolijk kijkende dertiger van een moeder, die vast en zeker ergens een halve baan in iets administratiefs heeft, en een kleuter die tussen haar benen door naar ons gluurt. Ze glimlacht nog steeds als we vertellen voor de Openhuizendag te komen, en probeert ons vriendelijk uit te leggen dat háár huis niet te bezichtigen is. We gooien het op een foutje in de communicatie van het evenement en vragen om een kopje koffie. De smile dropt. Ze roept Ernst erbij. Die duwt ons resoluut de stoep op en knalt de zware want hardhouten deur tegen onze neuzen.

Beteuterd kijken we elkaar aan. Dit is geen goed begin. Maar het uitzicht op het IJmeer lonkt en dus steken wij de langste laan ter wereld over. We laten een treurig ogend winkelcentrumpje rechts liggen en koersen naar de woontoren aan de waterkant. Onderweg noteren we de drijvende schepsels voor volgende bezichtiging.

Ondertussen merken we hoe hard het hier op de nieuwe eilanden waait. “Un vent à décorner les cocus”  zeggen we in het Frans (een wind om bedrogen mannen de hoorns van hun kop af te blazen). We zijn vertrokken uit de Watergraafsmeer waar het lente was. We zijn dan ook sterk verbaasd hordes klanten in tekoop-huizen binnen te zien stappen. Willen ze echt hier komen wonen? In die wind? In hun plaats hadden we meteen rechtsomkeer gemaakt.

Het uitzicht op het IJmeer kunnen we u niet navertellen, net zomin als de inrichting van de ponton-huizen. Overal werden we met harde hand geweerd. We doen hierbij een dringende oproep aan de organisatie van de Openhuizendag om volgend jaar de communicatie met de huizenbezitters sterk te verbeteren.

De Pont

Oud Zeikwijf is dit weekend naar Tilburg afgereisd voor een laatste overleg met René van Densen over het Blogbal. Ze hadden afgesproken in café Lambiek. Al gauw kwam ter sprake het geruchtmakende nieuws dat de beroemde Chinese dissident tevens kunstenaar Ai Wei Wei een tentoonstelling had in Tilburg. Om de hoek van Lambiek, uitgerekend. De nieuwsgierigheid was gewekt, en het Blogbal kon toch ook op zondag in kannen en kruiken worden gegoten, dus op pad gingen wij.

René: De Pont. Altijd een beetje een haat-liefde verhouding mee gehad. Het publiek is stereotype museumpubliek: grijs, stoffig, stram, en met een inflexibele muffezoldergeest. Armpjes op de rug, van museumstuk naar museumstuk slenterend, stilletjes fluisterend, bordjes lezend met een blik alsof ze al wél wisten waar het kunstwerk op slaat. Daarentegen: in De Pont staat regelmatig kunst die zelfs ik, half-onderwezen estheticus edoch bewust cultuurbarbaar, kan velen. Aangezien Oud Zeikwijf zelfs niet eens van ‘ons’ internationaal vermaard museumpje gehoord had, moést ze uiteraard mee. En stapte ik ook weer eens de deuren van het lievige haute culture huisje binnen.

OZ: Van alle  richtingen stromen de cultureel correcten naar de megadraaideur van de ingang. Veel grijze koppen met opvallende brillen, maar ook jeugdigen met skinny jeans aan en colberts in het koningsblauwe van dit seizoen, of kekke overhemden. 

We snellen naar het Ai Weiwei gedeelte. De Pitjes. Ze zijn er. Miljoenen. 10 000 kg korreltjes gebakken klei die 1600 vrouwen één bij één met een penseeltje hebben voorzien van de kenmerkende zwarte strepen van de zonnebloemzaadjes. Ik had hoge verwachtingen van de pitjes: in Zomergasten had Ai Weiwei immers verteld dat ze zo levensecht leken dat men ze in de mond zou willen nemen. De ontgoocheling was dus groot toen ik bij Vlak I en vervolgens bij Vlak II aankwam, en vaststelde dat ze toch echt iets betonnerigs uitstraalden. Je zag meteen dat het kunstmatig was, en als je het niet zag dan rook je het, of voelde het in de lucht hangen.

Het scheelde wel veel. Vlak I of Vlak II. Ik vond Vlak II natuurlijker, veel grootser en epischer. Het duizelde me even hoor, bij Vlak II. Man man man. Wat ben ik blij dat ook Vlak II er was. Als het enkel Vlak I was geweest, was het toch niet hetzelfde geweest.

Het lieftallige vervaardigingsproces door kleine lieden uit platteland China spatte er geenzins van af. Ai Weiwei zei ook dat de zonnebloem refereerde aan de Grote Mars Voorwaards van Mao Zedong, waarbij elk pitje een individu symboliseerde. Ik zie iets anders in dit werk: het onzinnige van 1600 vrouwen een jaar lang kleikorreltjes laten beschilderen voor een kunstwerk. De nutteloosheid ervan. Maar de vrouwen uit de straatarme gedeeltes van China waren zelf dolblij met dat werk, dat ze thuis konden doen terwijl ze op de kleintjes pasten. Wat zou dan niet nutteloos zijn, voor die vrouwen om te doen met hun tijd? In een fabriek werken, spellgoedrobotjes in elkaar steken of ipads voor Apple? Bijdragen aan de overconsumptieve gekte van de wereld? Ja, als de bedoeling van Kunst is dat het je laat nadenken over dingen, dan is het bij deze goed gelukt.

Het is geduldig wachten op de porceleinen sigarettenpeuken. Ze kunnen in Jingdezhen alvast de mouwen weer opstropen. Of individuele korreltjes as in een set asbakken. Allemaal porcelein. Als het de welvaart in Jingdezhen stimuleert, doe ik bij deze Weiwei de ideetjes cadeau. Peuken en as zijn GO.

Ondertussen verkopen de pitjes in afzonderlijke hoeveelheden goed. De Tate heeft er al 8 miljoen van besteld, en ze worden ook gewoon door Sotheby’s verkocht. 

Terwijl menigeen nog gefascineerd, en de 1-meter-afstand-aub regel respecterend, de vijfduizend kilo namaakzonnebloempitjes staat te bewonderen (al dan niet inclusief camera in extreme close-up) valt mijn oog op een vertoonde video met surfende jeugd. Ik stoot Oud Zeikwijf aan en sis ‘surf dudes’, wetende dat ze daar een zwak voor heeft want daar heeft ze ooit over geblogd. Of getweet. Of weet ik het. Mijn geheugen gaat achteruit. In ieder geval lopen we vlug weg bij de grijze pitten en naar de video. IS HET VERDOMME WEER EEN VIDEO OVER AI WEIWEI. Dat-ie hoofdpijn heeft wegens externe slagen. Het is heel erg wat hem overkomen is, maar documentairemakers zijn als museumbezoekers: traag, overmatig serieus, en veel te uitvoerig stilstaand bij alles. Het daadwerkelijk in het ziekenhuis belanden van Weiwei duurt dan ook ruim zeven minuten. Ons geduld was al op voor er enig uitzicht op een operatie kwam, en over de kunst, ho maar weer. Dus we lopen verder.

Daar staan er twee reusachtige bomen, gemaakt van segmenten van echte bomen aan elkaar geklonken met stalen moeren. “Tim Burton-achtig” zegt René, raak. Ook een kamergrote wiel gemaakt van fietsen, schattige rotsblokken van Delft Blauw porselein. Ook grappig van hem: een piepklein lijstje van een mannenhoofd gemaakt uit een gebogen klerenhanger. 

De museumbezoeker laat zich vervolgens ook te kakken zetten door de kunstenaars, in goede dadaïstische traditie. Niet alleen de serieuskijkers bij de zonnebloempitjes, maar even verderop iedereen die nieuwsgierig een grote gebogen plexiglasconstructie inloopt om te pogen te begrijpen wat de big deal is. Er voorbij lopend schiet ik in de lach door deze mensen die zelf het kunstwerk worden voor mijn ogen. Erger is het om de hoek: een grote gebogen spiegel waar mensen voor- en achteruit voor lopen en niet-begrijpende, verbaasde giechelkreetjes loslaten. Ik kijk ondertussen geamuseerd naar deze kermisattractie-bezoekers. Oud Zeikwijf loopt met de aapjes mee naar het spiegelvlak en roept verbaasd uit dat ik het moet proberen en dat je er duizelig van wordt. Ik laat me uiteindelijk ompraten en doe met de meute mee. Ik zie niks bijzonders. Gewoon mezelf.

De obligate foeilelijke schilderijen (van Rob Birza dit keer) ontbreken natuurlijk niet, al was je die genre in de moderne kunst een klein beetje vergeten door de overdonderende aanwezigheid van prachtig materiaal. Zoals het meesterlijke Grosser Respekt van Thomas Schütte: een dakloos twee vlakkig prieel met in het midden van de bovenste verdieping een beeldengroep van drie geketende naakte reuzen, waaromheen goudhoofdige lilliputters langslopen, de een ernaar kijkend, de andere niet, kletsend met elkaar, turend in de verte… Is het een spiegel naar ons, de bezoekers van het museum, die met verschillende maten van interesse naar de Kunstenaar gluren, gekweld, gekneveld, en met een meervoudigpersoonlijkheidssyndroom symbolisch voor de gekte die in elke kunstenaar huist? Terwijl ik de techniek van dat beeld zat te bewonderen die het nette (het keurige van de perfecte vormen – cirkels, de afgemeten trappetjes, de truttige hekjes) met het ruwe (roestend ijzer) in zich verenigde, was René al doorgelopen naar de volgende beeldengroep van deze kunstenaar: Grosse Geister.

Waow, de Grosse Geister. NICE. Hilarische, kinderlijk verbaasd kijkende michelinmannen waar gesmolten uitsteeksels vanaf bungelen en die zelf maar geen vorm of plek lijken te vinden. Als dwerg loop je tussen deze beelden door maar beseft je meteen dat je zeker net zo’n grote geest bent als de afgebeelde wezens. En dan schiet je door de kop, oh ja, het zijn maar beelden zelfs. Ontsproten aan iemands brein en bestaande uit aluminium en lucht. En alles wat we erin zien zit in onze kop. Grote Geesten. Machtig. Ik stond te grinniken. +veel voor Schütte.

De uitleg bij de kunstwerken is een bron van vermak op zich. Onze erepenning gaat naar het volgende: “Het werk van Berlinde de Bruyckere gaat over de verontrutse schoonheid van onderdrukte verlangens en verdrongen angsten, over de sublimering van de dood.” Een dijk van een promotekst, die je knipplak op werkelijk elk kunstwerk in de wereld kan toepassen. ik zou zeggen: noteren voor later gebruik. Maar het allerfijnste was toch Grijs Vierkant, dat de kunstenaar Gerhard Richter helaas niet zo heeft genoemd maar “Graues Bild”. Het ei blijft hervonden worden, ook in de Kunst, vooral in de Kunst.

Na wat pixelschilderijen en gekke perspectieffoto’s van ramen begin ik het een beetje beu te worden. De kunst-allergie speelt weer op. Zelfs een mooie reeks ondersteboven hangende nachtleven-weerspiegeld-in-rimpelend-water foto’s kan daar niet aan afdoen. Ook OZ lijkt het beu. Terug naar het bier, stel ik voor. Er wordt ja geknikt. Cultuuroverdosis. Als kleine kinderen doen we een speels walsje in de draaideur, 180 graden rond, terwijl mensen wachten. Mensen met heel serieuze gezichten. Die zich ergeren dat we zo speels doen in een culturele plek waar zwaarbetaalde kunstenaars net met hén hebben lopen spelen. En die zeker niet pal na het museum een groot witbier gingen zuipen. Hoe kunnen zulke mensen toch bestaan ?

Rode ballon

We zitten beiden nog maar op één derde van onze individuele bierglazen, tegenover het station, herinneringen op te halen wanneer ze even stilvalt. Ik kijk haar verbaasd aan, want haar gezicht trekt een verwonderde aanblik. “Zie die rode ballon daar, gevangen in den hekken,” verduidelijkt ze me. Ik draai me om, maar waar ik ook kijk in de wirwar van metaal, tramrails en steen rondom Gent Sint-Pieters, een ballon zie ik niet. “Daar, hij is juist verdwenen achter het paaltje, ge kunt ‘em nu juste niet zien.” Ergens in mijn achterhoofd moppert een ergerlijk stemmetje dat ik dit soort spelletjes altijd haat, dat zoeken naar hetgeen dat de ander ziet maar dat jouw blik maar niet kan ontwaren. Ik speur het metaalrooster van de tijdelijke omheining af, maar zie er nergens een ballon in bungelen. Ik draai me terug naar mijn gespreksgenote. Ze wijst. Dáár, de ballon is juist weer in zicht gekomen beweert ze. Ik keer mij om en na een hernieuwde roosterafspeuring zie ik plots dat er beneden, op de grond binnen het hek, een rode ballon rondstuitert als een jong hondje dat niet ingesloten wil zijn. Ah, ik zat foutief in de aanname dat de ballon wel in de mazen van het hekwerk zelf gevangen zou zitten bungelen.

We vervolgen ons gesprek, ik weer met mijn rug naar de ballon. Die blijft echter in zijn spel met de wind de aandacht trekken van mijn tafelgenote. Gefascineerd staart ze naar een winddans die de olijke rode stuiteraar furieus blijft uitvoeren binnen het grauwgrijze hek. Tot ze met een klein vreugdekreetje verklaart dat de ballon, ongezien door mijn rug, over zijn omheining was gesprongen. Ik keerde me nogmaals om en zag inderdaad dat de ballon springenderwijs de vrije voeten heeft genomen. Het had inderdaad iets aandoenlijks, die rode ovaalbol die over de tramrails en tussen de zebrapadstrepen door stuiterde. Ik keer me naar mijn gezelschap en constateer verrukking in haar gezicht, maar ook zorgen.

“Bijzonder toch,” waag ik me aan een beschouwelijke uitspraak, “dat we zo’n onschuld kunnen zien in een velletje latex en wat lucht.” Maar de beschouwing slaat meteen dood op de zorgelijke blik van mijn goede vriendin die gebiologeerd het pad van de ballon blijft volgen terwijl er een tram nadert.

Ik staar met haar mee. Het lijkt even kantje boord, maar een onzichtbare windstoot doet de ballon toch van de grote tramwielen wegstuiteren. Om vervolgens midden op een zebrapad een beetje heen en weer te treuzelen. Er zijn geen verdere voertuigen in zicht, dus ik draai me weer naar het gesprek en poog het te vervolgen.

Na enkele zinnen constateer ik dat mijn gezelschap even vrede heeft met de omstandigheden van de ballon, die blijkbaar een minder benarde plaats in de verkeersstromen heeft opgezocht. Maar een passerende bus sleurt de ballon in zijn kielzog weer terug in de risicozones. Dan passeert een tram én een bus, en een personenauto van de andere kant, en het wordt spannend. Maar de ballon navigeert zich dapper door al deze bedreigingen heen en beweegt subtiel  meer in de richting van ons terras.

“Als de ballon hier belandt, vind ik wel dat gij em mee moet nemen in de trein. Naar Tilburg,” zo stelt mijn gezelschap. Ik schud het hoofd. “Drie katten. Dat overleeft hij nog geen tien seconden, lieverd. Nee, hij zou bij u in betere handen zijn. Dus dan moet gij em maar adopteren.” Ze trekt een triestig gezicht en betrekt even het meedogen met de ballon op zichzelf. Hoe ze een pushover is voor alle dreigende situaties van dieren in het verkeer, zoals laatst een moeder Gans met een riedeltje kleintjes langs de snelweg die maar niet naar het veilige water konden uitwijken wegens grote betonblokken die de weg blokkeerden. Of een ooit gezamenlijk aanschouwd egeltje dat door een nietsontziende wegpiraat zijn einde vond. Ik haal nog eens het verhaal op van hoe ik nabij Antwerpen, op de fiets gezeten, mocht aanschouwen hoe een ontzettend druk kruispunt lamgelegd was omdat niemand de panisch in alle richtingen uitwijkende Moeder Eend met haar kleintjes wou overrijden. Hoe ze na tien minuten, tot opluchting van alle betrokken chauffeurs (op de ongeduldig toeterende luxe-auto’s achter hen, die op een middelvinger-reactie konden rekenen, na), toch een veilige berm had gevonden. En waarna het verkeer zich vervolgde.

Ik stel dat dit nu eenmaal de bijkomstigheden waren van de aanleg van almaar meer wegen en bouw van almaar meer huizen. Ze knikt maar staart alweer gespannen naar de ballon.

Onze onschuldige knalrode vriend rolt gevaarlijk dicht naar een tegemoetkomende auto. We zien gespannen hoe de wind eerst zorgt dat de ballon de voorwielen ontwijkt. Maar dan tussen voor- en achterwiel onder de auto gezogen wordt. Paniekerig stuitert hij even onder het onderstel van de auto en vliegt vervolgens hoog, maar veilig door de lucht, ongeschonden. We slaken allebei een bijna onhoorbare zucht van opluchting.

We glimlachen naar elkaar. Mooi dat we toch nog altijd het vermogen delen dit soort kleinigheden gespannen te blijven volgen. De hoeveelheid romantische zielen in deze wereld is schrikbarend laag. Ik neem een slok van mijn bier en kijk of de ballon al dichterbij ons is beland.

Nee, alleszins niet. De ballon ligt zelfs vol in het pad van een naderende tram. Gespannen kijk ook ik nu toe. Het zou toch een wel heel tragisch einde zijn mocht er nu een knal klinken, na alle capriolen die onze rode onschuldige vriend al stuiterend heeft uitgehaald.

Een jonge vrouw achter een kinderwagen loopt anderhalve meter van de ballon af. Plots laat ze haar kind met kinderwagen en al middenop het zebrapad staan en zet enkele haastige stappen naar de ballon. Zich blijkbaar volledig bereid voelend kind én eigen lijf en leden te riskeren bij de aanblik van de ballon pal voor de tram. Gelukkig bedenkt ze zich snel genoeg dat dit wel al te gek is en grijpt haar kinderwagen weer vast. Desalniettemin volgt ze, net als wij vanaf het terras, gespannen wat de ballon nu zal doen.

Een zachte bries rolt de ballon nét voor de tram weg en de turbulentie van het zware metalen voertuig slingert hem even een halve meter in de lucht. Om vervolgens olijk naast de tram te stuiteren.

We kijken ademloos toe hoe de vrouw, kinderwagen en al, met versnelde pas achter de ballon aanloopt naast de tram. Ze bukt. Ze pakt de ballon. Ze reikt die aan het kind in de kinderwagen aan. En met een vrolijke sprong in haar tred vervolgt ze haar pad.

Op het terras heerst een oprechte consensus dat dit het mooist denkbare einde aan de situatie was. Ontroerd en gelukkig drinken we onze glazen leeg en steken ieder een sigaret op. Leve de zondagen dat je je nog kunt bekommeren om het lot van een rode ballon in de wind.

Debat op 2

Ontwikkelingsgelden stopzetten om uit de crisis te komen: ja of nee?

De pro’s voeren hartverscheurende argumenten op: In Zuid Afrika leven lesbische vrouwen die verkracht en verstoten worden. Stop je de ontwikkelingssamenwerking, dan gaan die praktijken maar door. De tegens zeggen dan dat er in al die jaren niets is veranderd, dat het water naar de zee dragen is.

 

Aan het woord is nu Stef Korneef, emeritus hoogleraar biafristiek aan de RUL:

“Het probleem met Afrika is dat ze daar te lang leven. In 1972 was de levensverwachting 38 jaar. Nu is dat 55. Deze toename is voornamelijk te verklaren door het terugdringen van de infantiele mortaliteit. In doorsnee Nederlands: in 1972 gingen er veel babies daar dood, en nu niet meer. Als al die lesbiënnes als baby dood waren gegaan, dan waren ze later niet verkracht. Als de verkrachters als baby dood waren gegaan, dan hadden ze de lesbiënnes niet verkracht. Als je al die babies redt, en je laat ze 55 jaar worden ipv 38, reken maar uit hoeveel lesbiënnes ze in die extra 17 jaar kunnen verkrachten. Daar zit de kern van het probleem. Dat heeft mijn onderzoek dan ook feilloos aangetoond.”

 

Arie Boomsma strekt zijn rechterbeen uit, en blijft een minuut of 5 zo staan, met zijn linkerhand hoog in de lucht, een gelukzalige glimlach op zijn fraai gevormde lippen. De camera zoomt langzaam uit. De aftiteling komt in beeld. Opeens zien we een Adriaan van Dis, die in zijn hoogbejaardheid albino is geworden, met een lepel pap voeren aan een cholerapatiëntje uit Jakarta.

« Older posts Newer posts »

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders Noren — Up ↑