‘Ik krijg nooit genoeg van de momenten waarop de kluts met de noorderzon verdwijnt en mijn ogen zaken zien die niet aan te zien zijn.’

Hij had zachtjes gesproken. Zijn gesprekspartner moest zich inspannen om hem te horen.

‘De kamer plooit zich terug vanuit de vier hoeken. Ik kan dan geen kant meer uit. Van de deur en de ramen blijft niets over.’

‘Ben je dan niet bang?’

‘Net wat je zegt: niet bang. Wel nieuwsgierig. Naar het vervolg.’

‘Komt dat er dan?’

‘Soms wel, soms niet’.