Een man steekt een plein over. Eerst keek hij naar links. Nu kijkt hij omhoog, naar een toren. Hij staat er echt stil van.

Toch raakt hij los en stapt dra zonder dralen een zijstraat in. De huizen staan er dicht tegen elkaar aangebouwd, dulden geen torens, nauwelijks een straatje. Hier bevindt zich het café zo uniek literair te zijn.

Een dichter zingt er heel vals het beste werkstuk van zichzelf, dat eindigt met een onaffe, alleszeggende regel: alles wat niet geschreven staat.

Het laat niemand onberoerd en ieder in verbazing achter.