Gent
Zachte G’s in mijn mond vol tanden
rottend in dit vlakke land
Dichter bij goot, op losse handen
springend uit een lekke band
Want ik raak beschonken, nimmer dronken
werk me armer op dit loon
Erin gestonken, noodlot beklonken
als ik nooit meer in die hemel woon.
Want op die afdeling genoeg verveling
stegen stinkend naar ambrozijn
Nectar koopt men daar van de heling
van fietsen die daar gestolen zijn
De mensen slecht, de misdaad echt
en door de Roomse kliek snel schoon
Ik raak nog in moeilijkheid terecht
als ik nooit meer in die hemel woon.
Oh Gent!
U bent de Brinta-krent
uit alle papjes in dit vals heelal
Gekend door Ford en Arthur Dent
vervloekt in zangerig gelal, oh Gent!
Ik ben gestrand in ’t paradijs
sinds lang bevriend met een aardig heden
Maar ik smacht naar grijs en ’t romig ijs
van een voor mij zo levend verleden
Mijn jeugd die deugt, me nog steeds heugt
en slechts daar meugt en werd beloond
Zelf kon ik dit lied niet schrijven
omdat ik niet meer in die hemel woon
Ik zal een vreemde in dit leven blijven
tot ik weer in die hemel woon.
.


Geef een reactie