Er is een striptekenaar aanwezig in Club P. Hij hoort de anekdotes van de gasten aan en roept enthousiast dat hij de verhalen in stripjes gaat verwerken. Het gras is voor mijn voeten weggemaaid: nu moet ik iets anders zoeken om over te schrijven. Dat valt niet mee, want ik leef al maandenlang teruggetrokken thuis. En mijn kat slaapt zestien uur per dag. Ik haat de striptekenaar nu een beetje.
Wanneer ik weer eens als laatste gast overblijf, vraagt de Opperpater of ik nog een biertje wil. Maar ik voel me moe. Waarschijnlijk regent het dus, want als nachtmens word ik ’s nachts vooral slaperig van regen buiten. Ik heb een raar bioritme. Jas aan, deur uit, jawel: regen. Op een kletsnatte fiets rijd ik naar huis.
Een vrouw, middelbaar, muizig uiterlijk. Rode, regenbestendige jas. Blonde vlaskrullen. Overkant van de weg. Ze roept iets, dus ik stop. Zo ben ik door de wereld opgevoed. Bij mijn fiets aangekomen vraagt ze: “Jongeman, mag ik wat vragen ?” Ik zeg niets. “Ben je vrijgezel ?” Een ongewone vraag om drie uur ’s nachts op straat, dus ik antwoord bevestigend. “Heb je misschien zin ?”
In een paar seconden schat ik in waar deze avond heen gaat als ik “ja” zou liegen. Naar haar huis, waarschijnlijk. Misschien is het een vervallen puinhoop in haar huis. Of juist burgerlijk truttig. Iets te drinken, sfeerlampen aan. Waarschijnlijk wordt er een prijs genoemd. Ze kijkt met oude ogen. Ik zucht en wil gewoon naar mijn kat. Naar een leven waar weinig over te schrijven valt.


Geef een reactie