KutBinnenlanders.nl

Dag: 20 maart 2013

Ideaal

Het was een minuut voor vier in de morgen, na afloop van een vermoeiende stapavond wilde ik nog een bord vlees gaan scoren bij de Turk, toen deze mij weigerde. Hij vertelde mij dat de sluitingstijd van vier uur reeds overschreden was en toonde mij zijn horloge, waarvan de grote wijzer inderdaad de twaalf reeds was gepasseerd.

Echter, zijn klokje stond niet goed afgesteld, in tegenstelling tot mijn horloge, dat altijd bij is, ingesteld op de atoomklok: het was een minuut vóór vier, niet een minuut na vier uur. De goede man was niet voor rede vatbaar, waardoor ik mij uiterst onrechtvaardig behandeld voelde. Moest ik boeten voor het feit dat die knakker zijn uurwerk niet op de juiste tijd had staan? Ik vond van niet. Met veel misbaar droop ik uiteindelijk af. Hevig gefrustreerd, ik had een gat in mijn maag van hier tot Tasmanië, maar geen tent die nog open was.

Ik besloot een kei (een wonder dat ik er überhaupt een vond, in het keurig aangeharkte centrum van het brave provinciestadje) door de ruit van de inaccurate horeca-exploitant te flikkeren. Daarna volgde een hoop trammelant, de juten werden opgetrommeld (een forse meid met een stevige bips en een lange, magere kerel met een wat bleke snoet), waarna ik met mijn halfdronken kop in een politiebusje werd gesmeten, naar het bureau werd afgevoerd. Ook daar heb ik nog een hoop stampei lopen maken, en nadat ik een paar weken later mevrouw de rechter voor ‘vooringenomen politiehoer’ had uitgemaakt, mocht ik van haar drie maanden gaan brommen in de lik. Het deerde mij niet echt, ik beschouwde het als een interessant experiment, een welkome afwisseling op mijn behoorlijk eentonige vrijgezellen/werklozenbestaan.

Al spoedig kwam ik erachter dat er in Nederlandse gevangenissen een hoop niet pluis is. Ik merkte dat je er heel gemakkelijk aan drugs kon komen. De cipiers waren zo corrupt als de neten, het was geen enkel probleem om in het cachot een lijntje te scoren of aan je dagelijkse hoeveelheid cannabis te komen. Niet dat ik daar persoonlijk behoefte aan had, ik ben een mens die houdt van klaarheid in zijn geest, een incidentele alcoholroes daargelaten.

Ook merkte ik dat onrecht zich niet alleen bleek af te spelen buiten de gevangenismuren, evengoed erbinnen. Er was op mijn afdeling een beklagenswaardige sloeber genaamd Knillis, waarover boze tongen beweerden dat hij vastzat vanwege pedoseksuele praktijken, hoewel hij zelf beweerde onschuldig te zijn. Onschuldig of niet, bij het gros van zijn medegevangenen was hij al gebrandmerkt als ‘inferieur individu’, ik hoef u waarschijnlijk niet uit te leggen hoe laag pedofielen staan in de gevangenishiërarchie? Ze worden beschouwd als het laagste van het laagste: uitschot, honden die men gevoeglijk kapot mag slaan, stront waarop gekotst mag worden, willoze lichamen waarin men naar believen met vlijmscherpe messen, rechtse leuzen en hakenkruizen kerven mag…

Het waren twee kerels in het bijzonder, die zich bezondigden aan deze kwalijke ‘eigen-rechter-praktijken’. Gasten met achterbakse gezichten die luisterden naar de namen Kor en Stui. Iets dat ik met lede ogen aanzag. Ik houd niet van onrecht, het gebrek aan recht is de onmiddellijke verblinding voor mijn ogen. Bovendien, een pedofiel is ook maar een mens, een arme drommel die van het lot een abjecte seksuele natuur heeft meegekregen. Niet dat ik de daden van Knillis, zo hij al schuldig was, goedkeurde, vanzelfsprekend. Hij had zijn straf evenwel reeds opgelegd gekregen door de rechter, ik vond niet dat de ‘heren’ Kor en Stui daar nog iets aan behoorden toe te voegen.

Zo kwam het op een kwade dag tot een confrontatie. Nadat Knillis, die zich op geen enkele manier wist te verweren, bange kwezel als hij was, weer eens te grazen was genomen door de twee lafbekken. Met als resultaat dat hij zijn bebloede gezicht kon gaan afwassen en twee voortanden mocht gaan zoeken. De eerstvolgende keer dat ik ze zag – tijdens het gezamenlijke douchen – , confronteerde ik de twee ruziemakers met hun ploertige gedrag. Ze haalden slechts hun schouders op en vroegen of ik wellicht ook met alle plezier aan kleine leutertjes van jonge jongetjes zat, en of ik misschien ook graag met mijn blanke roede de te krappe openingen van jonge meisjes openscheurde.

‘Nee,’ antwoordde ik, ‘je behoort niettemin met je vuile poten van andere gevangenen af te blijven, óók als het poten zijn, of pedo’s’. Met die zin had ik het spel op de wagen gegooid. De twee kwamen als wildemannen op mij afgestormd. Twee tegen een, dat wordt een makkelijke strijd, zullen ze ongetwijfeld gedacht hebben. In feite was het handgemeen inderdaad ongelijk, maar dan omgekeerd. Twee uiterst primitieve knuppels die het moeten opnemen tegen een buitengewoon gespierd persoon, die de fijne kneepjes van de nobele zelfverdedigingskunst jiujitsu tot in de finesses onder de knie heeft:

Binnen één minuut had ik de twee ongelukkigen over de knie, vijf minuten later had ik in de onsmakelijke derrières van beide heren enkele stukken zeep zó diep naar binnen weten te proppen, dat het bloed – rood anussap – langs diezelfde zeep weer naar buiten kwam sijpelen. Ze smeekten als kleine kinderen, gevangen in een afhankelijkheidspositie op het speelplein van hun engste jeugddromen, om genade, ik was nochtans niet in een bui om ze clementie te verlenen. Wél schonk ik ze de genadeklap: een knietje in hun ballen, waarna ze minutenlang ineengedoken lagen te jeremiëren van de pijn. Ik spuwde nog een keer op hun kale kruinen en verliet als een fiere Caesar het strijdtoneel. Zo, die klus was geklaard.

Op dat moment had ik me moeten realiseren dat mijn tegenstanders behoorden tot het slag lafhartige sujetten, dat niet terugdeinst voor vals spel. Twee dagen later, wederom tijdens de dagelijkse douchesessie, voelde ik twee messen in mijn rug. Geen figuurlijke messen, gekleid uit de materie verbeelding: letterlijke exemplaren, van staal. Ik zeeg ineen, slap als een vaatdoek. Een gevoel dat ik nog nooit in mijn leven had gehad, overviel me, ik was bang naar ‘de andere kant’ te gaan. Dat bleek uiteindelijk mee te vallen, het resterende deel van mijn straf heb ik redelijk stressvrij kunnen uitzingen in de ziekenboeg van de petoet. Toen ik een paar weken later ontslagen werd, was ik De Heer dankbaar dat ik leefde.

Maar zelfs als ik mijn gevangenschap niet had overleefd: je kunt beter sterven voor een ideaal, dan leven zonder ideaal.

 

Bananarama Consultancy // Negers

 
Otto loopt naar het raam en kijkt er doorheen. Wat hij ziet, bevalt hem niet. Want het ziet zwart van de negers. Ze hebben zich onder zijn raam opgehoopt. Wat moeten die hier, denkt de opperbevelhebber van Bananarama Consultancy Unlimited B.V. Vandaag heeft hij geen negers besteld. En hij heeft zijn witte eeltloze handen vol aan de kopieerneger. Zo vol dat hij er nooit over zal peinzen nog meer negers te bestellen, hoe aantrekkelijk de groothandel ze ook mag prijzen. Alhoewel, wanneer negers tegen bulkprijzen ingeslagen kunnen worden dan valt er natuurlijk een aardige marge op te zetten. Met de negerhandel is dan een dusdanig resultaat te boeken, dat hij een dief van zijn eigen portemonnaie zou zijn wanneer hij niet in de verkoop van die Moriaantjes zou stappen, hoezeer zijn ervaringen aangaande dit ras ook negatief gekleurd mogen zijn door het nukkige gedrag van zijn kopieerneger. Nadat hij dit alles en nog veel meer overdacht heeft, sloot hij de gordijnen met een tevreden gehum. Buiten huilde een sirene.

 

© 2021 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑