Uit haar handtas toverde ze een versleten portemonnee tevoorschijn. Ze zwaaide ermee naar de barman, die stellig nee schudde met een blik die verried dat hij haar kende. Met een zucht legde ze de portemonnee voor haar neer en vouwde hem open. Diederik zag meteen al dat er geen biljetten in zaten, en zo te horen zelfs geen muntgeld. Het zwaaien ermee dat de vrouw gedaan had, riep dan ook enkel vraagtekens bij hem op.

Ze toonde een foto die in de portemonnee zat. “Loek, dis maai dotter. Dis maai dotter.” Diederik knikte, afwisselend naar de vrouw en naar de foto van een achtjarig meisje. We hebben hier te maken met een dotter, naar beweren, dacht Diederik. Dotter dibber daboe badaboe doebiedoebie da wop wop woe. Veel tijd kreeg de innerlijke stem niet, want de vrouw barstte in luid huilen uit. Ze liet daarbij de foto vallen. Diederik haastte zich om deze van de barvloer op te rapen en terug te geven. Ze snikte en veegde een oog uit. “Denk joe. Joe verrie frendlie mèn.”

Voor hij een erkentelijke glimlach op zijn gelaat kon laten verschijnen, begon ze honderduit uit te weiden over haar dotter. Een vondeling in een tijd van wolvenroedels, dacht Diederik. Moeder was al enkele jaren gescheiden van haar man en was daar duidelijk de voogdij van haar dotter bij kwijtgeraakt. Sterker, ze zou het land uitgezet zijn. Maar ze was gewoon niet gegaan, en was op straat gaan leven. Zo zag ze af en toe haar dotter nog. Van een afstand, bespiedend. Diederik deed zijn best zijn gezicht niet al te erg te laten betrekken, maar de avond verloor ras haar smaak, als een bak zompige cornflakes. Een treffen met de snijbonen in de ziekenhuismaaltijd, dacht Diederik.

Toen ze begon over dat haar ex-echtgenoot zeer vermoedelijk zich met de regelmaat van de klok aan dotterlief vergreep, trok Diederik het niet meer. Ik ben geen pingpongtafelnetje, dacht hij bij zichzelf. Voor hij iets kon zeggen of doen echter, was de ongeduldige barman al vanachter zijn toog aan komen lopen. Hij greep hardhandig de vrouw bij de arm en riep: “En nou hoepel je op. Het is iedere keer dat gezeik met jou, opsodemieteren !” De vrouw gaf een hoogdramatisch gejammer ten gehore en poogde zich te laten vallen, maar daar trapte de barjongen mooi niet in. In rap tempo werd ze de deur uitgewerkt. Opgelucht nam Diederik waar dat de foto van de dotter toch niet als vergeten achtergelaten was. Desalniettemin zat hij nu daar met een moerassig gemoed. Hij nam een slok van zijn bier.

Een stralende grijns aan de andere kant van de bar scheen zijn kant op. Het viel hem nu pas op. Hij kneep zijn ogen samen en herkende de vrouw die hem daar zat aan te lachen. Hoe lang had ze daar gezeten, en hoeveel had ze opgemerkt?

René van Densen
René van Densen
René van Densen (1978) is een cynische dromer, een lachende pessimist, een realistische romanticus, een honklosse kluizenaar, een intelligente mafkees, een bedachtzame schreeuwer, een podiumschuwe polderpoëet, ex-nachtburgemeester van Tilburg, ex-striptekenaar, ex-schrijver, ex-webdeveloper, ex-vuilnisman, ex-kind en ex-volwassene, ex-burger, en ex-kattenpapa van een Gentse ex-terror kitten. Eerste Nederbelg die toetrad tot de Wolven van La Mancha. Maar is uiteindelijk niet zo van de collectieven. U treft hem uitsluitend in vrouwonvriendelijke omgevingen aan, en die nieuwe roman van hem komt ook nooit af. Werd al eens omschreven als "onbegonnen werk" door een prachtige blondine.

www.renevandensen.nl
Meer René op Facebook !