KutBinnenlanders.nl

Maand: mei 2011 (Page 5 of 6)

A.Storm, superheld.

De seconden op zijn horloge tikten hard, maar verbeten zette hij voort. A.Storm, superheld zonder weerga, gaf zich niet zomaar gewonnen. Als hij nog even met al zijn macht zijn handen samenkneep, was de stalen ondersteuning herversterkt en kon de wolkenkrabber de naderende aardbeving weerstaan. Het metaal piepte en knarstte maar het lukte. Bij de eerste rilling van de aarde stond het megalomane bouwwerk stevig genoeg om er de komende vier decennia weer tegen te kunnen, en niemand in het hele pand wist dat A.Storm hen gered had. Daar was hij te bescheiden voor, A.Storm. Hij was al in razende vlucht onderweg naar de volgende noodtoestand. Joe, dacht hij bij zichzelf. Maar niet te lang, want het bezigen van hippe uitdrukkingen getuigt van een zwakke geest en dient derhalve enkel in ironische context plaats te vinden.

Amper ter plaatse zag A.Storm meteen al wat er aan de hand was. Dit snode plan kon enkel ontsproten zijn aan het brein van… jawel, daar zag hij het welbekende sylhouet van Doctor Drausenball. “Doctorr Drausenball !” riep A.Storm de psychopatische superschurk ten halt, met zijn signature imposante bulderende R. “A.Storm !!” piepte Drausenball schril. “Herr Doktorr, de schurk die zich het eeuwige leven bekwam door Hitler zijn linkerteelbal te doneren,” zei A.Storm, terwijl hij wijdbeens in het pad van Herr Doctor ging staan. Stom, die expositie, volledig onnodig, schoot het door zijn hoofd, maar het had effect: gevleid vergat de Doctor even zijn gruwelijke plannen. Exact lang genoeg voor A. Storm om de vijfvoudig gelaagde nucleaire bom te ontmantelen en de Doctor in de kraag te vatten.

A.Storm twijfelde even wat te doen. Hij had al menig schurk als de Doctor ingerekend, maar die achterlijke sterfelijke mensen lieten ze steeds ontsnappen. Het zou zo makkelijk zijn om hem eventjes, slechts eventjes, de ruimte in te slingeren. Gewoon, een seconde of twee. Net genoeg dat al de zuurstof in zijn hersenen… ach nee, dacht A.Storm. Zonder mensen als de Doctor zou zijn werk maar saai worden.

Of nu ja, saai… De dag was nog niet half om of hij had al achttien natuurrampen net op tijd gestopt, vier superschurken ingerekend, de liefde bedreven met achtendertig prachtige vrouwen, zijn dagelijkse topoverleg gepleegd met alle grote wereldleiders, en een wasje gedraaid. Zoveel superhelden-outfits had hij niet en ze wilden wel eens vies worden. Welgeteld had hij nooit rust. Laatst was hij een weekje op vakantie gegaan. Japan was de klap nog niet te boven.

Verdorie, schrok A.Storm terwijl hij op zijn horloge keek. Al zeven voor twaalf. Ik heb een deadline ! In een wervelende vaart verwisselde hij zijn superheldenkostuum voor een geruiten overhemd. Snel woelde hij zijn perfecte haar wat door de war, om nog hooguit een knullige gelijkenis te vertonen met zijn superalterego. In het dagelijks leven was A.Storm namelijk een schrijver en een recensent, om niet ontdekt te worden. Hij schreef onder het pseudoniem AHJ Storm. Via zijn zolderraam vloog hij zijn werkkamer in.

Ongeduldig rukte hij de envelop open die al drie dagen op zijn bureau lag. Natuurlijk lag die envelop er al drie dagen, hij had het druk gehad ! De wereld redde zichzelf niet, potverdorie. Deed ze het maar. Maar hij dwaalde af en de tijd drong. De kaft van het te recenseren boek zag er klinisch uit. Nee he, dacht hij, toch niet weer zo’n schrijver die zonodig de menselijke conditie, met al haar zwakheden, gaat lopen te verkennen. Bijna zeven miljard van die slappelingen op één aardkluit, en millennia aan beschaving, en nog bleven ze maar emmeren over hun kwaaltjes en hun verliesjes en hun verdrietjes. A.Storm had geen zwakheden. Hij snakte naar een boek over die Supermenschlige Kondition. Anderzijds maar gelukkig dat ze zwak waren, die stervelingen. Als ze daadwerkelijk konden reiken naar de hoogten waar hij routineus naar opsteeg, zou het er maar druk worden.

Met de snelheid van het geluid, wat voor A.Storm behoorlijk aandachtig was, bladerde hij door het boek. Jesses. Dialogen. En, zag hij al meteen, sléchte dialogen. Inderdaad, de menselijke conditie. Ziekenhuizen, verdoving, doktersconsulten, bla bla bla. Saaie gesprekken, die niemand mogelijk ook maar iets zouden kunnen interesseren. Hij zou dit varkentje wel vlot even wassen.

Met een perfecte boog smeet hij het boek in de papierbak en stelde zich in zijn bureaustoel. Met de snelheid van het licht brandde hij het boek af – hij was al klaar met tikken en de toetsen smeulden nog na, terwijl Word nog bezig was met de eerste paragraaf. Geduldig wachtte hij een seconde of dertig tot de trage software de weergaloze A.Storm had bijgehaald, en verzond de tekst naar zijn uitgever.

Tevreden leunde hij achterover en keek op zijn horloge. Drie voor twaalf. Hij kon nog nét een terroristencel in Afghanistan oprollen voor de lunch. Hij steeg van zijn stoel op en vloog zijn zolderraam uit met zo’n razende vaart dat hij bijna een vliegtuig raakte. Bijna, want A.Storm weet donders goed wat hij doet. Al vliegende bedacht hij zichzelf alvast wat hij zou nemen voor lunch. Spagetti met geraspte kaas, dat leek hem wel wat.

Dat is het leven (4)

Diverse bijverdienste baantjes had ik reeds op 12 jarige leeftijd.

De guldentjes waren snel verdiend.
Ik had op de leeftijd van 12 jaar diverse bij baantjes waar geld te verdienen was o.a. Bloemen deur aan deur verkopen je had op weg naar school een bloemen winkel Westlands bloemenhuis hete die zaak en de eigenaar was Abraham Zeegers.Daar kwam ik op een dag dat ik weer eens spijbelde van school voorbij en de eigenaar dat was een Jood vroeg me kereltje wil je geld verdienen.Nu dat was een kolfje naar kleine Lowy zijn hand.
Ik was me toen al reeds bewust dat als je geld verdiende je een goed leven kon hebben.Het geld wat ik verdiende ging meestal op aan snoep en frietjes.Ik had dan ook altijd een grote schare vrienden om me heen.Op weg naar school kwam je langs de snoepwinkel van Cis van de Somme.

Dikke Sis van de Somme.

Wij kinderen noemden hem altijd dikke Sis.Hij had een bril op met van die sjampot glazen.We pikten wel eens een snoepje weg als we in zijn snoepwinkel stonden hij zag het meestal niet
Maar als zijn zus in de winkel stond dan moest je dat niet flikken want die had alles in de gaten daar ging je niet mee lachen.

Snoep jatten bij Dikke sis van de Sommen.
De winkel van Sis van de Somme op de Groteberg eindhoven 1955.
Als de dikke Sis er was kon je wel eens wat gappen maar bij haar niet.Ha ha.
Ze heeft mij eens persoonlijk aan het er tegenover gelegen politie bureau afgeleverd met de mededeling deze knaap heeft 2 toverballen bij me gestolen.
De agent vroeg waar zijn die toverballen dan.Maar die had ik snel opgegeten.Toen in de jaren 50 -60 mocht en kon nog alles in Nederland.

Dat is het leven (3)

Ik moest mijn verontschuldigen bij Dhr Anton Philips.

We deden dat en daar kwam de aap uit de mouw ik had clandestien zitten vissen in de gracht rond de villa van Dhr Anton Philips.Ik moest beloven het nooit meer te doen en kreeg de opdracht om mij bij Dhr Philips te verontschuldigen .
Dat deed ik in bijzijn van mijn Moeder .en het bleek nog een aardige man te zijn ook die Mijnheer Philips.De verontschuldiging werd aanvaard en ik vertrok zelfs met een hand vol snoep die hij me gaf.

Ik heb ook aan diverse viswedstrijden mee gedaan . Ik won zelfs een maal een echte lederen bal bij een vis wedstrijd in het Eindhovens kanaal.Dat werd voor de jeugd georganiseerd in de vakantie periode.Het vond plaats bij de Hefbrug aan de Tongelrese straat te Eindhoven.

Hier bij de hefbrug werden de prijzen uitgedeeld viswedstrijd.

Het Politieburo daar vertoefde ik regelmatig.

Eens moest ik voor straf op het politiebureau de fietsen van de agenten poetsen.Na dat ik klaar was heb ik in een onbewaakt ogenblik enkele banden van die fietsen lek geprikt.Ze hebben mij nooit meer fietsen laten poetsen.
Ik flikte van alles en dacht elke dag maar aan een ding, ik wilde later zeeman worden.
En dacht toen reeds op zeer jeugdige leeftijd als ik maar genoeg rotstreken uit haal laten ze me later van zelfs wel gaan varen ,als ze zien dat er anders niks goeds van me terecht zou komen.

Tilburg boft

De bof. Honderden studenten van de AVANS hogeschool liggen er mee thuis. Wat een […] (voeg hier je grap in). De bof is een gezellige ziekte. Je krijg er een dik hoofd van. En dik is gezellig. Daarom duikt hij hier op. Wij zijn gezellig. U wilt bewijs? Ik noem Tilburg Zingt. Heerlijk. Lekker gezellig. Ieder jaar weer. Zoals alle evenementen in Tilburg. Samen zingen, wat wil je nog meer? De bof misschien, maar verder…

Eerlijk gezegd heb ik geen idee wat er gebeurt op Tilburg Zingt. Ik kan er een slag naar slaan, maar het blijft behelpen. Dus sloeg ik de krant er op na. De krant is een belangrijke bron van oud nieuws. Op de foto’s staan de mensen dicht op elkaar. Ze hebben hun monden open. Sommigen hebben hun ogen dicht. Anderen kijken verschrikt. Eén man kijkt wat bozig. Het zal een momentopname zijn. Natuurlijk vond hij het ook gezellig. Velen lijken de bof te hebben.

Het krantenartikel roemt de ‘gezellige sfeer die enkele duizenden bezoekers’ met elkaar deelden. Er waren artiesten. Ze zijn enthousiast onthaald. De organisatie spreekt van een succes. Het weer zat ook mee natuurlijk. Dat belooft veel voor volgend jaar. Of zoiets.
Eigenlijk heb ik het niet gelezen. Maar dat hoeft ook niet, je kunt wel raden wat er staat. Zoals de hele lokale krant zich laat voorspellen. Onder de foto stond vast een getuigschrift van de gezelligheid.

Nog nooit was ik op Tilburg Zingt. Of een ander Tilburg-festival. Niemand in mijn omgeving gaat er naartoe. Daar moeten we ons voor schamen. We moeten ons daar zorgen om maken. Zijn wij dan niet gezellig? Wie zijn wij om de gezelligheid af te wijzen? Het geeft te denken. De bof hebben we ook al niet.

Van die ochtenden.

Vandaag wou ik lekker een was gaan draaien en onbekommerd in de zon gaan zitten.

In plaats daarvan spookt al sinds 11u de huisbaas door de gangen.
Ik loop volstrekt niet achter op de huur maar ik mag hier wel geen huisdier houden en er verblijft toch al lange tijd een bepaalde kitten hiero. Die de nare gewoonte heeft ontwikkeld ’s nachts – enkel wanneer ik slaap – bij de deur te piesen, wat men op de gang uiteraard kan ruiken. Niet in het minst: de vrouw van de huisbaas, die hier altijd komt schoonmaken.

Nu is het echtpaar al ruim twee uur aan het spoken en praten. En ze hebben op mijn deur geklopt om te zien of ik er was.
Ik muisstil.
Probeer de kat ook muisstil te krijgen.
Durf de waterkoker niet aan te zetten voor wat koffie, enz enz.
Tot overmaat van ramp springt er net een fors stuk van mijn kies.

Ik wou onbekommerd in de zon zitten. En een wasje draaien.

« Older posts Newer posts »

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑