KutBinnenlanders.nl

Dag: 17 mei 2010

Ko te Let vindt een Z


Omdat de grote schrijver Ko te Let geruime tijd buitengaats vertoefde, kon hij niets publiceren. En toen hij eenmaal weer binnengaats was, gooide de opgebroken straat roet in het eten. Alle stenen voor zijn deur waren weggehaald. Er was nu een grote berg wit zand verschenen. O jeetje. Daar stond Ko mooi mee te kijken. Door de grote hoop wit zand voor de deur was hij veroordeeld tot een leven binnenshuis.

“Werklui. Ik heb er een broertje dood aan , murmelde Ko te Let tegen de rode potgeranium in zijn vensterbank. Vanuit zijn grote schrijversstoel had hij uitzicht op een geranium en de gravende arbeiders. Getverderrie. Hij vond het maar niets. Al die ongelikte beren. Ze hadden waarschijnlijk nog nooit van de schrijver/publicist/dichter/performer Ko te Let gehoord. Een enkeling daargelaten, natuurlijk. Die had het zwaar tussen dat rauwe volk. Had ie maar een vak moeten leren. “Maar er is altijd hoop voor arbeiders die het werk van de grote schrijver Ko te Let kennen!”, riep hij met overslaande stem.

Verder was hij niet zo blij. Door het ontbreken van verhard wegdek zat hij nu al drie maanden binnen. Ja de kinderen, die vonden het mooi. Ze speelden elke middag in het zand. Niemand die er wat aan deed. Ko had al 22 brieven op hoge poten geschreven naar het stadsbestuur. Nul reactie. Ze laten de goede burgers in de kou staan. Waren de gore werklui weg, kwam de opgeschoten schooljeugd zijn overpeinzingen verstoren met hun kwelende kinderstemmen. De krengen waren al maandenlang bezig de buurt te terroriseren met hun gespeel.

Ondertussen hadden de werklui de plaat gepoetst. Schaften, vermoedde Ko, die wel wist hoe de bouwwereld in elkaar stak. Arbeiders zitten vaak te schaften. In een ‘keet’. Daar eten ze witbrood met zult met hun handen. Hij gruwde van het idee van arbeiders die witbrood met hun handen in een keet eten. Er kwamen kinderen langs. Ze gooiden hun fietsen neer om in het zand te spelen. O o o wat hadden ze een pret! Voor zíjn raam. Dat ze verdikkeme voor een ander z’n raam rotzooi trapten.

De kinderen maakten met hun handen een burcht. Het leek nergens naar, dat zag Ko zo wel. Een kasteel van likmevestje. De muren waren oneffen. Broddelwerk. Er was niet eens een slotgracht. Om maar te zwijgen van de torens. Ook daar hadden die jongelui helemaal niet aan gedacht. Ko werd kwaad om zoveel domheid. “Rotkinderen”, brieste hij tegen de potgeranium. Voor hij het wist draaide hij het raam open en riep: “Rotkinderen! Jullie kasteel lijkt nergens naar!”. In het vensterglas zag Ko dat hij helemaal rood was aangelopen. Hij riep nog een keer “rotkinderen!” naar de kleuters en sloot toen het raam. Daar kwamen de Erven van Linda met een pannetje soep.

 

© 2021 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑