KutBinnenlanders.nl

Auteur: Marc Tiefenthal (Page 2 of 29)

In tijden van toenemende verdomming en groeiend nationalisme is het gepast, ha, erop te wijzen dat Marc Tiefenthal gemakkelijkheidshalve kan worden gecatalogeerd als Belgisch dichter, die zowel in het Nederlands als het Frans schrijft. In diezelfde context, stijgende verdomming en toenemend nationalisme, vraagt menigeen zich af waar de dichter verblijf houdt. Daar hij op twee plaatsen in de wereld verblijf houdt, dit is bilokaal woonachtig, heeft hij op het Groot Smoelenboek van de heer Sukkelberg, voor de lol Bobigny als woonplaats opgegeven. Kom hem daar maar niet bezoeken. Evenmin als in Menen, Ieper, Leuven, Bossière, Brussel, Antwerpen noch Temse, waar hij ooit gewoond heeft.

Nieuwe uitdaging (2)

 

Ik had gedacht dat George Clooney, als acteur, makkelijk in het Frans zou schuiven. Dat was een misrekening.

In doorsnee zijn Amerikanen zelfzeker, tot zelfingenomen. Dat staat het leren van een andere taal in de weg. ‘Wij, Amerikanen, enz.’, weet je wel. Welnu, de helft is van Duitse afkomst. Maar dat willen ze niet weten. De andere helft bestaat uit Italianen en Ieren. Een taal leer je echter door je ervoor te openen. Daartoe moet je ego plaatsmaken, een stap opzij zetten.

De laatste dag van mijn eerste verblijf had ik kennis gemaakt met de beeldschone mevrouw Clooney. Zij is de derde. George is nu echter een zestigplusser en geen Van het Groenenwoud. Dus zou de derde weleens de laatste kunnen zijn.

Was zij de steun waarop ik het breekijzer moest plaatsen? Zij is namelijk helemaal niet Amerikaans.

Ik bleef een week weg uit Frankrijk en keerde terug met de hogesnelheidstrein. In de auto vernam ik van de chauffeur hoe lang de Clooneys al in Frankrijk wonen.

Ik pakte George in met de zin: ‘Avec tout mon respect pour votre âge’. Dit respect bestaat niet in de Verenigde Staten noch in pakweg Nederland maar des te meer in Frankrijk. Clooney kreeg er meteen de Franse slag door. Het leerproces ging een versnelling hoger.

Onze gesprekken in het Frans vulde ik aan met boeken lezen. Clooney blijkt een gretig lezer. Na onze twee sessie kreeg hij het Frans te pakken. De tongval nog niet.

 

Kan het nog dichter?

 

Decennialang ging ik als dichter door het leven: eerst maudit (gedoemd) om te eindigen als taodichter, tussendoor dada. Het waren telkens ‘buitenstaanders’ die me daarop wezen.

Doorgaans gaf ik af en toe een bundel uit, telkens bij weer een andere uitgever. Ik vermeed overheidstoelagen en poëziewedstrijden. Hoewel, van die laatste heb ik er ooit twee ‘meegedaan’, in Oostende en in Holsbeek. Ik greep er mooi naast. De winnaars waren doorgaans doodbraaf, klaar om te sterven.

Anders verging het me in Nederland. Daar stuurde ik regelmatig iets in op zondagmorgen op een eenzelvige webstek. Soms won ik er goud, heel af en toe ook zilver. Naast de opmerkingen dat ik het weer eens te moeilijk had verwoord. Nochtans vermijd ik in mijn gedichten het woord desalniettemin.

In Brabant was ik ooit te gast in een tuin waar ik voor vier man en een paardenkop uit mijn werk voordroeg, op de steeds weer even harde wijze. Het aantal aanwezigen en vooral het aantal afwezigen doet er niet toe. Soms moet een mens wat.

Jaren later schreef de organisatie een wedstrijd uit wegens een zoveel jarig bestaan. Mij werd uitdrukkelijk gevraagd alsnog mee te werken. De aanwezigheid als jurylid van een bepaalde persoon, nauw verbonden met een diersoort, weerhield me ervan.

Desalniettemin vroeg de organisatie iets op te sturen ‘hors concours’ om te publiceren in een gelegenheidsverjaardagbundel. Ik bracht het betreffende thema in het zoekvenster in op mijn webstek en selecteerde er een gedicht uit, dat ik opstuurde. Fluitje van een cent. Het werd stiekem en naamloos alsnog aan de jury voorgelegd en kreeg een nominatie.

Hier is duidelijk concurrentie met God aangegaan. Zijn wegen zijn niet langer als enige ondoordringbaar.

Nieuwe uitdagingen ofte de nouveaux défis

 

Veel van mijn vrienden – vertalers annex schrijver zien hun opdrachten verschralen. De kunstmatige dommigheid doet tegenwoordig hun werk, zo goed als gratis. De bedrijven denken er wel bij te varen door kosten te besparen en schotelen hun klanten onverteerbare teksten voor.

Van de weeromstuit melde enkelen zich nu als privaat leraar talen. Privaat docent vind ik nog sjieker. Dat laatste doe ik zelf al jaren, sinds ik op enkele dagen tijd mijn drie overgebleven klanten voor vertalingen verloren had. Niets te maken met robots, trouwens.

Ik reed de eerste keer met de auto naar Zuid-Frankrijk om Georges Clooney wat te leren Frans te spreken. Niet dat zijn tongval in de juiste plooi zou vallen. Nee hoor. Maar toch een mondje.

Ik belde aan. Een bediende deed de deur open en bracht me naar een van de tien of twaalf kamers in het domein. Het was 19 u ’s avonds. Om 20 u ontmoette ik de heer en mevrouw Clooney bij een uitstekend avondmaal uit de Franse keuken. We spraken Frans.

’s Anderendaags begonnen de sessies. Telkens een uur. Vier per dag. Vijf dagen na elkaar. Ik leerde eerste en vooral dat Engels fout uitgesproken Frans is en dat challenge eigenlijk défi is, al willen Franstaligen dat tegenwoordig niet meer weten. ‘Sjalange’.

De tweede keer dat ik tot ginder reisde heb ik niet auto gereden maar de trein genomen. De hogesnelheidstrein, zelfs. Clooney’s chauffeur kwam me ophalen aan het station. Enzovoort.

Bericht aan de bevolking en het publiek

Ik heb een haast baanbrekend UKKV geschreven waar echter een embargo op rust. Zoiets als de onlangs goedgekeurde Belgische begroting dus. Dit veroorzaakt bij mij nu even een schrijversremblok. Zolang het embargo geldt (en ik weet niets eens hoelang) zal hier dus niets van mijn hand verschijnen. Houd moed, het einde komt ooit in zicht.

Bont, blond en blauw

Bont behoort tot de verboden klederdracht voor blonde vrouwen met blauwe ogen.

Net als voor de andere, wat dacht je.

Bont? Ja dierenvellen dus. De bronstijd, weet je wel. Een reliek, kortom, uit vroegere verre tijden toen dieren hier nog talrijk waren en zonder mededogen gedood en gevild werden.

Het onderwerp haalt nauwelijks nog de toogpraat. Toch heeft het mij ooit op de juiste weg gezet. Ik was student, laatstejaars. Er was een suikerzieke hoogleraar vroegtijdig overleden. Mij werd gevraagd na de begrafenis de koffietafel te helpen organiseren.

De stoet hoogleraren liep naar de vestiaire, ze droegen hun uniform: zwarte baret, zwarte toga. Twee half buitenlandse hoogleraren, die hetzelfde vak doceerden, elk om beurt het ene jaar dan weer het andere, liepen in discussie naar de kleedkamer. De kleinste van de twee had een beperkte lichaamstaal: een hand, altijd van hoog naar laag. De grootste sprak met nuance in handen en ogen. Nu eens draaien, dan half zwaaien. Even later kwamen ze in burgerkleren, nog steeds in gesprek, uit de kleedkamer. De grootste droeg een opzichtige bontmantel.

Ik besloot zijn college te volgen. Pas met deze man leerde ik luidop nadenken.

Ver weg op de buiten (3)

 

Er is geen bakkerij in het dorp, dan maar je brood zelf bakken. In voorkomend geval rogge en spelt in netjes afgemeten dosissen.

De kastanjeboom, een ware reus, gooit in het begin van de herfst elke dag zijn rijpe vruchten neer. Er zitten dan ook kastanjes verwerkt in het brood. En in de soep. Zelfs in de eigen gemaakte smeerpasta.

Voor veel geld koop je in de handel notenbrood. Welnu, liever kastanje-rogge-speltbrood van eigen baksel. Noten zouden ook kunnen, overigens, maar de notenboom is nog jong, zijn vruchten klein en nog niet talrijk.

De huizen zijn veelal opgetrokken uit natuursteen. Geen baksteen. Opvallend hoe de meeste huizen stijlvol zijn gerestaureerd. Hier en daar staat een nieuwbouw, sommige van een verbluffende architectuur, die op een geheimzinnige wijze toch plaatsvindt in dit landschap.

 

Ver weg op de buiten (2)

 

Een kast van een huis, zeg maar een villa, vind je er niet. Wel enkele kastelen en herenboerderijen. Middelgrote herenhuizen ook.

De wegen liggen er vol kuilen bij, er wordt zelfs niet aan bijvulling gedaan. En ze zijn smal. Twee auto’s kunnen er elkaar niet dwarsen. Een moet in de berm uitwijken. In het weekend komen velen er fietsen.

Er staan opvallend veel koeien te grazen in de weiden, heel wat paarden ook, soms een kudde bizons en een enkele stier. Nogal wat geiten en enkele schapen.

Via een lichtjes ingewikkelde weg vond ik een inwijkeling uit het noorden van het land. Hij woont er sinds drie jaar en was blij nog eens in het Nederlands een gesprek te houden.

Wat ook opvalt is dat vele dames op middelbare leeftijd er bij lopen alsof ze twintig jaar zijn. Redelijk lachwekkend. Slechts een vrouw zag ik die daarin slaagt zonder belachelijk te worden.

Ver weg op de buiten (1)

Het dorp telt vijf straten, een privé museum met allerlei mechanische stukken, een halve kerk, acht heuvels, een zaak met bed en ontbijt, een school, een kerkhof en ongeveer twee kunstenaars om de vijfhonderd meter.

Alle cijfers bij benadering en afgerond naar boven.

Geen café, geen slager, geen bakker, geen politiecommissariaat.

Wandelen is de meest aangewezen activiteit. Het heuvelachtig landschap is ronduit prachtig. Misschien zijn er daarom zoveel kunstenaars.

Op vrijdag verschijnt Marcel, het lichtpunt bij uitstek. Hij brengt met zijn rijdend winkelkraam verse vis uit Oostende. Meer dan 200 km rijden. Altijd met een brede glimlach.

(dit is het eerste uit een reeks van drie of meer)

Tonton tapis (oompje tapijt)

 

Ja, hij heeft een nektapijt. Nee, hij is niet de enige. Alleen, hij verschijnt bij tijd en wijle op de treurbuis, zodat het de kijkers verdeelt tussen hen die aanstoot nemen aan dat haarkussen, de aanstootkussens kortom,en zij die er juist naar opkijken, de opkijkers kortom.

Onderzoek wijst uit dat het aantal kaalhoofdigen gelijk verdeeld is over aanstootkussens en opkijkers. Gelukkig beschikt onze gast over de nodige arrogantie. Of is het bevrijde vrouwelijkheid? De media over de media, niet multimedia maar metamedia, hadden het geroken en stelden hem vragen. Ook over zijn nektapijt.

‘Ik lig er niet wakker van wat de kijkers ervan vinden. Ik heb me lang geleden erbij neergelegd. Dat moeten ze dan maar ook doen’.

Schapland zonder schaap

 

Eerst is er de brug, smal is de weg, ophaalbaar de brug. Daarna verschijnen de bomen netjes op een rij. Enkele zijn geveld en liggen voor het rapen.

Rechts zit je in de zon en zitten er meestal twee tot drie. Links werpen de bomen hun schaduw en ben ik doorgaans de enige die er gaat zitten.

Niet zomaar zitten, hoor. We zitten om te vissen. Dat is dat ene iets wat ik nooit meer zou willen missen, weet je wel. Vissen hebben kieuwen en testikels. Sommigen hebben uitsteeksels, die doorgaans stekelig zijn. Denk aan de stekelbaars.

Van doorgaans gesproken, ik vis gemiddeld drie vissen per zitting, middelgrote en kleine.

Gisteren had ik eindelijk reuzebeet: een brasem. Feest.

« Older posts Newer posts »

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑