KutBinnenlanders.nl

Auteur: Marc Tiefenthal (Page 2 of 4)

In tijden van toenemende verdomming en groeiend nationalisme is het gepast, ha, erop te wijzen dat Marc Tiefenthal gemakkelijkheidshalve kan worden gecatalogeerd als Belgisch dichter, die zowel in het Nederlands als het Frans schrijft. In diezelfde context, stijgende verdomming en toenemend nationalisme, vraagt menigeen zich af waar de dichter verblijf houdt. Daar hij op twee plaatsen in de wereld verblijf houdt, dit is bilokaal woonachtig, heeft hij op het Groot Smoelenboek van de heer Sukkelberg, voor de lol Bobigny als woonplaats opgegeven. Kom hem daar maar niet bezoeken. Evenmin als in Menen, Ieper, Leuven, Bossière, Brussel, Antwerpen noch Temse, waar hij ooit gewoond heeft.

Momenten

‘Ik krijg nooit genoeg van de momenten waarop de kluts met de noorderzon verdwijnt en mijn ogen zaken zien die niet aan te zien zijn.’

Hij had zachtjes gesproken. Zijn gesprekspartner moest zich inspannen om hem te horen.

‘De kamer plooit zich terug vanuit de vier hoeken. Ik kan dan geen kant meer uit. Van de deur en de ramen blijft niets over.’

‘Ben je dan niet bang?’

‘Net wat je zegt: niet bang. Wel nieuwsgierig. Naar het vervolg.’

‘Komt dat er dan?’

‘Soms wel, soms niet’.

 

Sluier

‘Als je te maken krijgt met versluierende woorden, zorg je er best voor dat je stem niet raspt.’

‘Neem me niet kwalijk. Volstaat een soeplepel olijfolie?’

‘Nou, wie weet. Zou best kunnen.’

‘Ik kan ze ook laten uitspreken door een ander persoon met een beter gevooisde stem.’

‘Ja, waarom niet’.

Zo zitten ze samen, twee mensen van en aan de poëzie, net als twee geheim agenten.

Een bank in het park.

 

Geen pleinvrees

Een man steekt een plein over. Eerst keek hij naar links. Nu kijkt hij omhoog, naar een toren. Hij staat er echt stil van.

Toch raakt hij los en stapt dra zonder dralen een zijstraat in. De huizen staan er dicht tegen elkaar aangebouwd, dulden geen torens, nauwelijks een straatje. Hier bevindt zich het café zo uniek literair te zijn.

Een dichter zingt er heel vals het beste werkstuk van zichzelf, dat eindigt met een onaffe, alleszeggende regel: alles wat niet geschreven staat.

Het laat niemand onberoerd en ieder in verbazing achter.

 

 

 

Zoutloos lonkt de eenzaat

Er heerst pandemie. De herbergen zijn dicht. Mannen liggen op de zetel voor de treurbuis bier uit blik te drinken en laten hun vrouwen op hun honger.

Deze gaan dan stiekem elektronepgesprekjes voeren op  sites bedoeld om afspraakjes te maken om van bil te gaan.

Zelden komen ze ervan.

Buiten verkneukelt het virus zich in zoveel uitzichtloze eenzaamheid.

 

 

Plecht

Het plechtige viel zo van me af. Dat heb je als je als naakte manspersoon voldaan naast je dito vrouwspersoon ligt.

Zelfs in de ogenblikken ervoor. De kleine dood gebood weinig plechtigheid, tenzij op de eerste dag, die van de bruiloft.

Als daar dan een kind uit voorkomt, gedragen we ons alweer plechtig.

Tot de dood ons scheidt. Dan kan het niet plechtig genoeg.

Tot het plecht behoren steevast bloemen. We zeggen het met bloemen, daar waar woorden tekort schieten. Al wordt menig plechtig woord gezegd en uitgesproken.

Doch nu valt dat alsnog allemaal even weg en trekken we ons terug in de bijslaap.

 

 

Koning fiets

 

Een landweg ligt er vlak bij, elders, verder weg van hier, kan hij steil oplopen.

Een man fietst over de landweg. Het is misschien half vier in de namiddag. Er fietsen nog weinig mensen.

Net voorbij een boom staat een jonge vrouw te liften. Meer dan drie kwartier staat ze er en geen enkele wagen is voorbij gereden.

De fietser houdt halt. Ze neemt plaats in amazonezit op de bagagedrager. Zo rijden ze samen de tien kilometer naar de stad.

Of is het een dorp?

 

Hoofd zonder bloed noch wonden

Ik stel me snel even voor: ik heet Y en ben een witte bloedcel. Ik leef ingesloten in een lichaam. Zolang als dit lichaam leeft, leef ik mee.

Nu is het welletjes geweest. Genoeg! Ik wil meer levensruimte. Ik ben daarom nog geen Duitser, heb zelfs geen nationaliteit enkel een witte identiteit al zullen er zijn die me blank willen noemen, mag ook.

Pst, ik slaag erin tot net onder de huid te geraken en in een puist te schuilen. Hoera! Hij of zij knijpt de puist uit, ik kom los met een knal.

Nu zweef ik in een baan rond de aarde.

 

 

Dierenleed (deel hoeveel)

De zebra heeft gefaald, ze heeft de streep niet gehaald. Zo ook de krokodil, geveld door een kokosnoot die viel op haar kop.

Geen mier raakt ooit verpletterd onder haar vracht.

Amper heeft Mila zich als werkbij aangemeld of ze druipt al van de honing. Ze weet raad met die raat.

De zelfhulpgroep ‘Sta de huiskat bij’ is ontbonden. Er was geen kat geïnteresseerd.

Thomas B. overweegt een zelfhulpgroep voor honden op te richten, ‘Wat we zelf uitrichten kan ons beter africhten’.

De zwarte panter komt in dit verhaal niet voor.

 

Op de fiets

Een interland

 

De koning der Belgen, Filip, en zijn gezin gaan al eens fietsen. Meestal  op zondag. De vorst kan zich dan geheel en al toeleggen op vrouw en kinderen. Want ja, de koningin fietst mee. De vorst is dan de koning te rijk.

Kees is geen koning maar voelt zich te rijk. Hij had net een vrouw genomen in de Koninklijke positie, ook wel de lepels genoemd. Beide waren vorstelijk klaargekomen. ’s Ochtends nogmaals.

Nu fietsen beide uitgelaten door de polder, wat een binnenland!

 

Van oude dingen, rakkers en rukkers

Waar wij, oude rakkers, geneigd zijn iemand toe te roepen: ‘de boom in!’, zo roept de jeugd ons toe: oude boemers.

Zijn wij dan boemeltreinen? Ik vermoed dat het gaat om een soort struik, afgeleid van een boem of een boom.

Wat ook kan is dat wij iemand toeroepen: ‘de pot op!’. Die ligt een stuk lager dan de boom en is makkelijker bereikbaar. De associatie met rukkers is snel gemaakt.

Zelf roepen wij de jeugd niets na. We wensen hen al het goede, ook al hebben wij onze korter wordende toekomst goed verzekerd en hun wereld naar de knoppen geholpen.

 
« Older posts Newer posts »

© 2021 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑