Het is een bizar goedkoop geschoren poedel. Onwillig wordt hij door de man meegesleept. De man heeft die typische zaterdagmiddagblik die alleen winkelende mannen van middelbare leeftijd met een boodschappenlijstje in andermans handschrift op zak kunnen hebben. Hij slaat aanvankelijk amper acht op de hond aan zijn zij. De hond ook amper op hem. De man wil afrekenen en weg. Goddank dat er nog altijd mannen met winkelvrees zijn. De poedel met de slechte coupe is jong. Al het voer in de dierenwinkel is luchtdicht verpakt, dus begrijpt ook hij niet wat ze daar doen.

Bij de uitgang staat een schaaltje hondensnacks op de grond. De man bukt. Dit is de eerste actieve handeling die ik hem heb zien uitvoeren. Hij pakt een hondensnoepje. Hij laat de hond ruiken. De hond is geen fan. Met een ‘meen je dit nu echt’ blik kijkt hij de man aan. De man haalt zijn schouders op, en met het snoepje nog in de hand loopt hij de zaak uit. Buiten gooit hij het op de parkeerplaats. De hond slentert mee. Hij kijkt zelfs niet op of om naar de twee honden die nu met hun baasjes naar binnen gaan. “Mogen hier wel honden binnen ?” vraagt de oudere man. De jongere vrouw met haar tekkel lacht schamper en loopt door de deur. Ze heeft een pony en een paardestaart. Ik vraag me even af waarom we een paardestaart niet gewoon een ponystaart noemen. Zelden vraag ik me dat soort dingen lang af. Alle mensen doen immers maar wat.

Ik kan niet blijven kijken. De regen buiten prikkelt mijn blaas. Ik haast mij naar een café nabij. Er is niemand in de zaak, behalve één oud baasje, witte snor, dat kromgebogen aan de bar TV zit te kijken. Wielersport. Alcoholvrij biertje naast hem. Ik vraag of ik het toilet mag gebruiken, zonder enige notie of hij kastelein of klandizie is. Hij wijst vrolijk naar de hoek die ik om moet. Na mijn toiletbezoek – propere pispot, blinkend schoon wastafeltje – kijk ik hem vragend aan. Wij kroegmensen verstaan elkaar meteen. Hij schudt zijn hoofd en zwaait. Geen betaling of consumptie nodig. Ik knik en verlaat de zaak.

De man en vrouw verlaten net de dierenwinkel. De tekkel moet ook de snoepjes niet. De hond van de oudere man duwt zijn snuit enthousiast in de bak en schranst. De riem moet hem de zaak uitsleuren, kauwend en trekkend. Één op de drie, denk ik. Maar bij drie dan ook een daverend succes.