Vandaag ga ik naar de grote stad. Ik doe mijn mooie laarsjes aan. Het is vies in de grote stad en ik heb niet graag vieze voeten. Mijn wanten en mijn sjaal pak ik ook uit de kast. En een muts. Als een michelinmannetje loop ik waggelend naar de bushalte. Ik kan binnen het gewatteerde elementenharnas de bus niet zien aankomen. Daardoor stap ik pas bij de vierde bus op. Ik lig al een uur achter op schema.

Ik ben blij dat er een roltrap in het station is, want met deze kleren aan is het verdomd pittig om de traptreden te bestijgen. Terwijl ik omhoog ga boven brommend gezoem en schrapend metaal, hoop ik dat mijn sjaal niet in de roltrap vast komt te zitten. Op goed geluk loop ik door naar de trein en ik raak door de treindeur. De roltrap had vandaag geen trek in mijn sjaal.

Ik pers mij in een treinzetel. Mijn armen en benen kan ik nu niet meer bewegen. Ik weet niet of het gaat lukken bij de grote stad weer uit de trein te geraken. Het zweet breekt me uit en het wordt kokend heet rondom me. Zachtjes piep ik ‘help’ in mijn wollen gevangenis. Geïrriteerd wijst iemand op het bordje ‘stiltecoupé’. Nu weet ik weer waarom ik nooit naar de grote stad ga.