KutBinnenlanders.nl

Maand: februari 2011 (Page 2 of 2)

Een stropdas en een rouwlachje.

Van de week was ik even een paar dagen zonder tekst. Het had geen direct verband met de poëzie-avond die ik bezocht maandag, want dat inspireerde me juist wél tot weer eens iets fatsoenlijks qua pennenvruchten voortbrengen. Nee, het had alles te maken met de mail die ik las bij thuiskomst.

B. bleek afgelopen week overleden te zijn.

B. was enkele jaren lang mijn baas, bij de job waar ik als een van de prettigste tijden uit mijn leven op terugkijk. Dat had te maken met dat we als cowboyclubje – gestructureerd en gedisciplineerd, maar toch, avontuurlijk pionierswerk door een cowboyclubje – binnen een grote organisatie gedurfd hoge ogen gooiden. Dat had te maken met de fijne collega’s. Dat had te maken met de saamhorigheid, de veelzijdigheid op creatief vlak van de totale club – en het had véél te maken met B.

B. is daags na zijn afscheidsreceptie voor zijn prepensioen – nog vól van plannen en levenslust – in het ziekenhuis beland en binnen een paar maanden was het einde oefening. Een schok, voor mezelf en vele anderen, zoals ik kon lezen op het online condoleanceregister. Hartverwarmende reacties van mensen uit alle delen van zijn leven. B. was een bijzonder, schijnbaar onverwoestbaar, warm en dwars mens. Zo één die vijanden maakte, maar ook vrienden die hem nooit meer zouden vergeten. Vanzelfsprekend ben ik B. nooit vergeten.

Hij heeft ook altijd goed voor zijn medewerkers gezorgd. Ik ga u niet vervelen met alles wat ik me over B. herinner, vooral ook omdat ik eerst en vooral blij ben dat ik ze heb meegemaakt en ik hou ze liever egoïstisch een beetje bij me. Zeker nu. Maar ik heb zelden meer een baas gehad die zo actief en attent met je meedacht. Die je aanraadde je schema te wijzigen zodat je een dag langer weekend had. Die het keihard met HR uitknokte om te zorgen dat je je OV-kaart kon behouden ipv een jaartrajectkaart (mensen van onze afdeling moesten vaak elders op locatie support gaan geven en de OV-kaarten waren echt nódig – naast leuk voor impulsieve weekendtripjes naar zee of waar dan ook heen). Als hij een goed excuus kon vinden om je mee te nemen op een zakenreis, kon je mee. Werd er uitgebreid overgewerkt, dan was hij erbij, zelfs al was er niets voor hem te doen, en haalde hij bier en pizza voor iedereen. U krijgt zo ongeveer het idee.

Het is een beetje door B. dat ik me aangemoedigd voelde wilde, krankzinnige plannen uit te voeren. Zoals het organiseren van ’s werelds eerste webcomicsbeurs. Of later – hoewel ik toen al niet meer onder hem werkte bleven de levenslust en de avontuurlijkheid inspireren – het nachtburgemeesterschap van Tilburg. En meer van de grotere en kleinere stunten die ik in mijn leven heb uitgehaald.

Ik denk dat hij trots zou zijn geweest. En had gelachen. Ook om mijn grote, volstrekt plan-loze stap naar België. Hoe ik in Gent al vijf aanrijdingen, werkeloosheid, een crippling zenuwinfectie, een podiumoptredentje en zelfs al een relatie achter de rug heb gehad. Met een fijne jonge vrouw wiens moeder graag grapjes met me uithaalde, zoals een setje plastic mini-halters om ‘Willy’ (niet het kalfje) mee te trainen. Ik had hem graag alle dwaze en hilarische dingen verteld die ik gezien en meegemaakt heb sinds ik hier ben, hell, sinds ik het bedrijf verlaten heb waar ik onder hem heb gewerkt. Ik verwachtte hem eigenlijk altijd wel weer terug op mijn pad, ooit, ergens.

En nu gaat dat dus niet meer gebeuren. Ik ga met B. geen pint kunnen drinken en bijpraten. Over zijn dromen, over mijn dwaasheden.

Morgen is de crematie. En al de hele week ben ik tekstloos. De werkdagen sijpelen onwerkelijk voorbij, ik heb eigenlijk amper geregistreerd wat er voorgevallen is. Ik heb me redelijk afzijdig gehouden van het internet, van mail, van Twitter. Deed er even niet zo toe. En amper 24 uur voor de crematie begon vanochtend mijn hoofd te ratelen. Met herinneringen.

Zoals dat B. me nog ooit eens een stropdas cadeau deed. Want binnen het verder formele grotere bedrijf wij-ger-de ik, ongeacht welke hooggeplaatste functionaris tegenover me zat, een das te dragen. B. snapte dat denk ik ergens wel, zelf een nogal motornozem-verleden gehad hebbende. Maar als zodanig schonk hij me een das. Ik moést hem echt eens aandoen. Minimale conformatie, beter voor mijn carrière, heus, geloof hem nou. Ik lachte, appreciëerde het, maar weigerde uiteraard de das ooit te dragen. Hier, nu, in Gent, nog geen halve dag voor ik sterrevensvroeg op een treinstation ga staan te vernikkelen voor een ellenlange treinreis naar de crematie, schiet het door mijn hoofd dat het mooi zou zijn als ik die stropdas nu aan zou kunnen doen.

Maar uiteraard ligt het kreng in Tilburg. Twee individuele levens op twee locaties, er is werkelijk niets praktisch aan, mensen. Tegen beter weten in keek ik in mijn kast, en tot mijn verbazing trof ik daar ook nog een stropdas aan. Kon me niet voorstellen die gekocht te hebben, maar soit. wellicht heb ik die tijdens mijn verblijf in Gent eens gekregen. Aangezien ik altijd fel anti-stropdas ben geweest (en nog ben, maar don’t get me started on that, die vericoniseerde arabische snotlap die het is) uiteraard geen idee hoe te strikken. Plaatjes-instructies gezocht, te ingewikkeld, kreeg het niet nagevolgd, dus dan maar een filmpje als instructie. En voor een eerste zelfstandige poging ging het best goed, alleen had ik ‘m achterstevoren gestrikt.

En terwijl ik naar de binnenkant van de stropdas staarde, herinnerde ik me die van de moeder van mijn ex-vriendin gehad te hebben. Ik schoot in een rouwlachje en besloot toch maar geen das te dragen morgen.
En prompt rolde bovenstaande tekst uit mijn vingers.

B., het ga je goed. Fijn dat ik je heb gekend. Onvoorstelbaar spijtig dat je er niet meer bent. Maar ik hoop dat je hebt meegelachen.

Een kwartier lang vouwen

Ik nam een diepe slok van mijn halfliterblik bier en een trek van mijn sigaret terwijl onder scherp schijnend lantaarnlicht Bukowski me vertelde van een grote poëet die in een fles piste. Aan de overkant van de straat zag ik een man lopen. Ik maakte geen oogcontact, want het was een andere man. Je wist nooit.

Binnenin de wasserette klonk gepiep. De droger was klaar. Met een zucht gooide ik mijn sigaret op straat, liep naar binnen, parkeerde mijn blik bier op een wasautomaat en gooide mijn droge was op de vouwplank. Ondergoed, sokken, handdoeken, beddegoed. Het was weer zondag. Plots overviel de roep der natuur me en met al het bier dat ik deze zondag al gedronken had, was de roep luid en urgent. Mijn benen kruisen zou niet meer helpen, dus liet ik mijn boek, bier, en gedroogd wasgoed voor wat het was en spoedde me de donkere straat op. De nabijgelegen cafés zouden geen soelaas brengen aangezien de urgentie te groot was en in een natte broek had ik geen zin. Aan de overkant waar zojuist nog de man gelopen had, deed ik mijn behoefte achter een geparkeerde auto. Want ik ben opgevoed met de gedachte dat in je broek pissen toch wel vrij ernstig is, en dus koste wat kost voorkomen dient te worden.

Vanuit mijn ooghoek zag ik een wagen met strepen passeren van links naar rechts en ik dacht, fuck. Een snelle inspectie vanuit mijn net niet schaduwrijke plekje leerde me, jawel, dat was een politiewagen. Ik leegde mijn blaas terwijl ik ze rustig door zag rijden en dacht, als ze maar niet. Zo kalm en nonchalant mogelijk ritste ik weer dicht en liep terug de wasserette in. Nog voor ik mijn beddegoed kon vouwen zag ik koplampen buiten het raam stoppen en dacht, shit, zul je altijd zien, dit.

Twee agenten liepen de wassalon binnen. Duidelijke air van zie ons nu eens. Stopten bij mij, als enige klandizie in de verder verlaten wasserette. Kuchten. Ik draaide me om en staarde ze kalm aan.

“Zagen wij u niet zojuist aan de overkant van de straat ?” Retorische vragen zijn altijd aan mij verspild. Ondanks dat ik een uiterst herkenbaar hawaiian shirt droeg dat ze onmogelijk gemist konden hebben, wilden ze blijkbaar toch bevestiging. Ik antwoordde kalm dat ik mijn was aan het vouwen was en geen idee had waar ze het over hadden. “Maar meneer, we hebben u duidelijk aan de overkant van de straat uw behoefte zien doen.” Is dat zo, antwoordde ik ? Meteen besefte ik me dat de zware bierlucht van mijn zondagsbezigheden met dat antwoord ook hun kant op was gedreven.

“Heeft u soms gedronken, meneer ?” Ik antwoordde maar van ja, want daarover liegen was zinloos. Is het tegen de wet om een pintje te drinken bij de was, stelde ik de wedervraag. De agenten – een mooi Belgisch compromisgezelschap van één vrouw en één jonge kerel die duidelijk nog niet lang in zijn functie was – keken elkaar een kort moment onzeker aan, onvoorbereid op deze vraag. “Neen, maar in de straat urineren is een ernstig vergrijp in deze stad, bent u zich daarvan bewust ?” Ik antwoordde kalm dat ik me daarvan bewust was, en of ik deze vraag als een beschuldiging diende op te vatten.

De agenten poogden hun onzekerheid te verbergen en drongen aan: “Dat was u dan niet, aan de overkant van de straat zojuist, die daar stond te urineren ?” Ze wezen. Uit de schaduw van de auto trok mijn urine enkele dunne streepjes over het asfalt. Ik vroeg met de kalmte en laksheid van een netjes aangeschoten aspirant schrijver hoe zeker ze waren van hun zaak dat ik dat zogenaamd geweest zou zijn. Hun houding verslechterde, want het weerwoord, gecombineerd met mijn nederlands accent, hadden ze toch niet verwacht. Ze leren ze daar ook niets, op die politieschool he. Nog voor ik kon aandringen dat zonder concreet bewijs dat ik al dan niet aan de overkant geurineerd zou hebben, maakte de duidelijk ervarenere agente de zaak kort met een waarschuwing. Ik haalde mijn schouders op en herhaalde van niets te weten. In mijn hoofd waren al hele teksten paraat, tot en met informeren wat het Nederlands Consulaat zou vinden van het zonder bewijsmateriaal in beschuldiging stellen van hun burgers. Maar de agenten maakten zich haastig uit de voeten en kropen terug hun auto in. Ik besloot nog een sigaret en de rest van mijn bier te nuttigen.

Terwijl ik buiten stond zag ik de strepen van onder de auto al de helft van de straat bereikt hebben. Bukowski vertelde me nog even over de grote poëet die nu in een natte goot gevallen was, maar het interesseerde me niet zo. In de verte repeteerde een bandje. Enkel de drums klonken nog helder over de wind. De drums klonken onindrukwekkend. Een prachtige jonge vrouw met wild krullend ros haar liep de wasserette in met billen die door haar jeans heen schreeuwden.

Ik schoot mijn opgebrandde sigaret richting de natte strepen en een auto reed over beiden heen. Toen ging ik naar binnen en vouwde de rest van mijn was op. Ik was al een kwartier aan het vouwen, met al die nonsens die zich af had gespeeld. Ik verliet de wasserette en de twee schreeuwende billen en wandelde voort.

Een jongeman passeerde me aan de overkant van de straat zonder oogcontact te maken. Uit mijn ooghoek zag ik ‘m met een boog rond de pisvlek lopen en omkijken naar mij. Maar hij had geen oogcontact durven maken. Groot gelijk had hij. Ik was immers een andere man, je wist nooit.

Kalfje Willy.

“Mafkees”. Zo doet Peter “iedere mongool kan zien dat dat een grapje was” Breedveld mij dus vrolijk even af he. Nee, lekker dan, Peter. Ik dacht dat we maatjes waren, potdorie !

Maar goed, als men een mafkees wil, kan men een mafkees krijgen. Er is namelijk hier in België een lichte controverse in het nieuws de afgelopen week. En je kunt hele leuke dingen met zo’n Twitter account. Zoals je naam helemaal wijzigen en dan vervolgens ieder flauw grapje dat je maar kunt bedenken uitkramen. De dag vloog godzijdank vlugger voorbij. En aangezien de stemmen geteld worden en ik vermoed dat ik spoedig weer op de Twitters terug @RenevanDensen ga zijn, hier even een bloemlezing van… . Voor het nageslacht.









































Ed is koket

Ed Schilders. Hij staart je elke donderdag lekker stout aan vanaf zijn hoekje in de krant. Pagina 26. Het is altijd weer schrikken. Wat kijkt hij toch koket, die Ed. Het leek hem leuk iets geks te doen bij de fotograaf. Laten zien dat er met de Literatuur ook heus wel een gebbetje te maken valt. “Wellicht zou het leuk zijn voor de lezertjes van Uw courant wanneer ik ze een beetje ondeugend aankoekeloer ter illustratie van mijn pennenvrucht.”

En dus schoof die dekselse Ed zijn leesbril wat naar voren. Tot net boven de vleugeltjes van zijn mopsneusje. Ed trok er een olijke gezichtsuitdrukking bij. Een voorzichtig begin van een glimlach onder een paar gedurfd opgetrokken wenkbrauwen. Het fijn gekapte kapsel dat gastvrij uitwaaiert over het hoofd van de Beste Schrijver van Tilburg. De grijze lokken stellen zich open voor de mensen en zeggen: ‘Kom tot ons’. Koket tot in de puntjes.

Koket kijken. Als één van de weinige mannen op aarde verstaat Ed Schilders die kunst. Uitzonderlijk, maar ook een beetje eng. Die lichte zweem van parkeerplaatsseks bij Dongense rotondes, de hint van zelfstandige beroering in Mariakappelletjes. Het strelen van Peerke’s staf. Ik weet niet of we dat met z’n allen moeten willen, donderdagochtend in de krant.

Als ik een stof moet noemen, zeg ik: velours. Die foto voelt aan als velours. Paars velours. Als grote, zware, oude gordijnen van paars velours. Die wat nuffig ruiken. Een onbestemde geur. Niet heel schoon, een beetje oud, maar wel warm. Gezellig. En zacht. Kruiperig zacht.
Kijk! Ed heeft zich naakt in de oude, paarse velours gordijnen gerold. Gekke Ed.

De Beste Schrijver van Tilburg rolt over de vloer in zijn knusse paarse koker. Hij warmte zijn witte lichaam aan de zachte stof. Ed kirt. Zijn bril staat uitdagend op het puntje van zijn neusje. Het haar lonkt. Zijn wenkbrauwen vormen veelbetekenende bogen boven de sappige, smakkende lippen van Ed.

Ed is koket.

Newer posts »

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑