Hoewel hier en daar al een oorlog woedt, in Ghaza, in Moldavië om Oekraïne niet te noemen, leven wij in een lekker decadent vooroorlogs klimaat. Het geweld op straat neemt toe. Messen alom, een enkel pistool, veel brandbommen. Vooral veel drugs. Een tot op de tanden gewapende politie vist soms achter het net.

Gelukkig zijn er nog de vele verkeersongevallen, die een schijn van normaliteit vertonen. Hun aantal daalt weliswaar maar niet zienderogen.

Echter, een vlijtig treurbuisbaasje – proef het woord – dat op de valreep een uitzending wil schrappen, met de hete adem in zijn nek van een vetzak malcontent, dat is pas vooroorlogs. Een techreus die me verplicht eigenhandig propaganda te verwijderen ‘waar er voor de rest niets mee aan de hand is’, dat is geheel en al vooroorlogs.

Soms ben ik jaloers op al die mensen die ons de jongste tijd ontvallen zijn. Hebben die geluk.

Marc Tiefenthal
Marc Tiefenthal
In tijden van toenemende verdomming en groeiend nationalisme is het gepast, ha, erop te wijzen dat Marc Tiefenthal gemakkelijkheidshalve kan worden gecatalogeerd als Belgisch dichter, die zowel in het Nederlands als het Frans schrijft. In diezelfde context, stijgende verdomming en toenemend nationalisme, vraagt menigeen zich af waar de dichter verblijf houdt. Daar hij op twee plaatsen in de wereld verblijf houdt, dit is bilokaal woonachtig, heeft hij op het Groot Smoelenboek van de heer Sukkelberg, voor de lol Bobigny als woonplaats opgegeven. Kom hem daar maar niet bezoeken. Evenmin als in Menen, Ieper, Leuven, Bossière, Brussel, Antwerpen noch Temse, waar hij ooit gewoond heeft.