Ik die zo graag dood wilde
dwaalde verlekkerd tussen de graven
van hen die het al waren
vol afgunst las ik hun namen

Waar zij hun rust al hadden gevonden
doolde ik er rusteloos voort
ik bad er tot de dood
maar mijn smeekbeden werden niet verhoord

Dagelijks werd ik wakker
mijn droom verstoord
abrupt werd het enige wat ik lief had
in de kiem gesmoord

Als ik droomde
droomde ik over de dood
ik wist dan van niets
denken deed ik niet
geheel gewichtsloosheid
geen kop
geen romp
geen lijf geen leden
geen gevoel
maar bovenal

Geen verlangen
geen verlangen naar de dood

Kon ik maar mijn droom leven
wat was het leven dan mooi