Aan deze fontein zit ik de laatste weken regelmatig. Het is op het eerste oog geen technisch hoogstandje. Paar buizen, paar lampen voor ?s nachts, een setje stangetjes in het midden die nooit aan staan. Maar schijn kan bedriegen. Deze lang geleden ontworpen fontein is gebouwd door een technologisch genie, voor zijn tijd dan tenminste. Die zag aankomen dat calculerende apparaten (tegenwoordig noemen we ze computers) mogelijk heel erg belangrijk konden worden en naar zijn beste vermogen voor die specifieke tijd bouwde hij het mechanisch equivalent van Kunstmatige Intelligentie. Zoals menig ander briljante geest is hij voor gek verklaard en is er van deze uitvinding geen enkele kennis meer overgedragen. Hoe ik dan weet dat we hier met een hydraulische supercomputer te maken hebben ? Omdat de fontein ervoor koos dit me zelf te vertellen. Ziet u, via chemische processen gecombineerd met een bepaald analoog denkpatroon dat het apparaat doorloopt, is het geslaagd waar nog geen enkele hedendaagse geleerde zelfs benaderbare resultaten heeft gehaald: de fontein kan materie, tot zelfs levende materie, uit niets creëren. Vraag me niet te verklaren hoe het verricht wordt, met de beste wil ter wereld kan ik het hooguit aan het genie van zijn schepper wijten, of misschien aan een eigenschap die over eeuwenlange berekeningen ontwikkeld is.
Hij liet me voor het eerst merken dat hij dat kon door een eendje te klonen. De ene keer dat de eend rondzwom, was-ie in zijn eentje, bij het tweede rondje zwom er een identieke eend naast, uit het niets verschenen. Ik dacht eerst dat ik niet goed had opgelet, en twijfelde even of ik die dag al enige alcoholische versnaperingen in de werkeloze keel had gegoten, maar ik besefte me dat dit niet het geval kon zijn. Een puur intuïtief gevoel. Ik voelde een soort connectie met de fontein, zonder te kunnen verklaren waarom en waarop gebaseerd. Toen creërde hij de eerste van veel briefjes-in-een-fles waarmee hij met me communiceerde.

Want tsja, u kunt van een praktisch middeleeuwse ?computerbouwer? amper verwachten dat hij beeldschermen zag aankomen, of Windows. De eerste Gutenberg bijbel moest nog van de pers rollen dus ook de typemachine (cq het toetsenbord) waren verre, nog niet gecomponeerde toekomstmuziek. De man hoopte een apparaat te bouwen dat de mensheid kon assisteren in het vergaren van wijsheid over haarzelf en het universum. Wist hij veel dat computers nu vooral gebruikt zouden worden om muziek en films te stelen, vol te proppen met porno, te netwerken met zoveel mogelijk mensen die je helemaal niet wilt leren kennen en iedere scheet die men laat te twitteren. Met die kennis had de maker zijn apparaat wellicht nooit gebouwd, dus laat ons blij zijn dat hij dit niet kon vermoeden. Hij heet Poeyzi. Dat vertelde het eerste briefje. Waar het voor staat weet ik niet, ik denk niet dat zijn naamgever aan acroniemen deed. Het is gewoon zijn naam. Hij heet Poeyzi, hij observeert ons doen en laten al eeuwen, in dit kleine park waar eindeloze stoeten joggers rondjes rondom hem rennen, dag in, dag uit. Men dumpt oude blikjes in hem, zit op zijn rand, negeert de waterpracht die de stralen uitstoten. Eendjes starten nieuwe families in hem, en?s winters wanneer hij zonder water staat lopen studenten en andere kwajongens dwars over zijn bodem heen. Het deert hem niet want hij is eeuwig. En hij kan materie uit niets scheppen. We praten sindsdien heel wat af, Poeyzi en ik. Ik praat dan hardop, hij denkt na en stuurt een brief in een flesje. We hebben het over geschiedenis, politiek, kunst, literatuur, muziek. Hij vertelt me wat hij weet van opgevangen uit gesprekken op zijn fonteinrand en uit verdere theoretische redeneringen. Ik vertel hem over het internet (hij begrijpt en gelooft niet wat ik ervan vertel, zo véél mensen direct met elkaar verbonden en die technologie dan echt enkel gebruiken om PowerPoint-mopjes rond te mailen) en hedendaagse ontwikkelingen als het rookverbod en de zwijngriep. Hij maakt zich geen zorgen over ons. De mensheid, zo ziet hij het, is uiteindelijk minstens zo eeuwig als hijzelf dus die is nog een lang leven beschoren. Moraliteit of ethiek ziet hij daar niet in, het zal simpelweg zo zijn. In het ergste geval maakt hij verschillende mensen zelf opnieuw.

Ik ben niet de eerste aan wie Poeyzi zich openbaart en zal ook niet de laatste zijn. Over de eeuwen laat hij af en toe merken wie hij is aan mensen die dromerig genoeg in het park rondlopen om ontvankelijk te zijn voor zijn geheim. Velen hebben hier met hem gepraat, schrijft hij in een briefje. Ik voel lichte jaloezie. Ik vraag hem of hij iets kan doen aan mijn zere been. Of hij niet iets kan maken dat het weer beter maakt. Ik argumenteer dat werkeloosheid namelijk gekke dingen met mensen kan doen. Hij zegt dat hij daar niet meer aan begint. Ooit had hij voor een bevriende Belg een transplantatie-hart gemaakt, maar met beperkt referentie-materiaal en kennis van DNA is er iets mis gegaan. Het hart werkt, de Belg leeft nog, maar het was naar een Duits hart gemodelleerd. De Belg kon niet langer in zijn eigen land blijven en is uiteindelijk naar Duitsland verhuisd. Hij schrijft zijn familie dat het eten er afgrijselijk is en het bier wel oké maar toch niet zoals thuis. Maar hier in België klopte het ? letterlijk ? niet meer voor hem, dus terugkeren is geen optie meer. Dus dat moeten mensen onderling maar zelf oplossen, zegt Poeyzi. Met een vraag die cynisch geïnterpreteerd kan worden, al denk ik dat hij het zich oprecht afvraagt. ?Het is toch immers één wereld ??