KutBinnenlanders.nl

Tag: recensie (Page 1 of 3)

Arie-Wubbo, de ultieme roadmovie (op papier)

‘Proost! Ik kan je verzekeren dat het eind der vreemde mensen nog niet in zicht is. Maar laat ik eerst verder gaan.’ – Arie-Wubbo, hoofdstuk 19, pagina 209.

“Soms is er zo’n boek waar ineens alles aan klopt,” sprak presentator Frank van Pamelen boud in de microfoon bij de presentatie van Arie-Wubbo, de ultieme roadmovie (op papier). Dat stemt op z’n minst nieuwsgierig. Zeker wanneer het gepresenteerd wordt voor een vrij massale opkomst – honderdvijftig koppies, waaronder veel heuse aandeelhouders in het boek, in de zaal – en onder begeleiding van een (in rap tempo populair wordende) CD, een iPhone app, een T-shirt met QR code, een twitter-account, een blog, en ga maar door. Het achtergrondverhaal van het boek is minstens bijzonder te noemen: alles is doodleuk bij elkaar gecrowdsourced. Iedereen bóód eigenlijk maar aan om ‘dit’ te doen, en dat ‘dat’ erbij moest en dat deed ‘die’ dan weer enzovoorts. Dat alléén al maakt Arie-Wubbo een prestatie van jewelste. Want zó was het er dus, ineens, een boek met een onbescheiden oplage, en toeters en bellen eraan die menig landelijk-literaire hoogvlieger neongroen van jaloezie mogen maken.

Dus tja. Misschien het boekje maar eens openslaan en zien waar al die blinde gelovers achteraan lopen. Hoeveel klopt er nu wérkelijk aan Arie-Wubbo ?

Moeizaam karakter

Arie-Wubbo leren we meteen in het begin van dit boek kennen als een wat dwarse man van vermoedelijk quarter life crisis leeftijd (dat wordt nergens echt duidelijk), met een opzettelijk geschoren kop, een onbestemde knoop in zijn maag, en een ietwat empathieloos gevoel voor humor. Zo maakt hij hard-sardonische grapjes over de relatie van zijn zus, wiens lief hij veel te dicht op haar vindt zitten. Bij het oppassen op zijn neefjes maakt hij softijs met marijuana erin want dan blijven de kindjes lekker rustig. En feitelijk doet deze uitvinder van lepels waar geen saus aan blijft plakken al heel zijn leven klakkeloos waar hij lekker zelf zin in heeft zonder teveel meedogen naar de medemens. Zacht gezegd is Arie-Wubbo in het begin van het boek een weinig sympathiek karakter.

Dat verandert niet snel. Ondanks dat sympathie, en zelfs tikkeltjes meedogen voor mensen die dichterbij hem komen gaandeweg de kop opsteken, blijft Arie-Wubbo zelf toch een moeizaam karakter dat hooguit medeleven van de lezer oproept wegens zijn gulheid (of schijt aan geld), voortvarendheid en zijn volhardendheid naar zijn niet weinig egocentrische doel toe. Wat is zijn doel ? Een vrouw, waarvan hij enkel de tweelingzus heeft gezien, in Roemenië zien te vinden, die een leuk en lekker wijf moet zijn. Waarom zo moeilijk doen om een leuk en lekker wijf te vinden ? Omdat Arie-Wubbo van zijn psychologe heeft gehoord dat hij op zoek moet naar zijn eigen geluk, en alle vrouwen die hij gekend heeft, een rugzakje hebben.

Kluchtige road movie

Tot zover het echt vermoeiende element van het boek. Arie-Wubbo heeft namelijk, in zijn geringe likeability (wat nooit een vereiste is geweest voor een goed verhaal), meteen een absurd verhaal van jewelste aan zijn reet hangen, gelardeerd met vreemde locaties, absurde personages, al even absurde voertuigen en bij vlagen hilarische gebeurtenissen. Hij ruilt direct aan het begin van het verhaal zijn auto in voor wat geld en een Oekraïens 12-jarig meisje met één been, zijn huis voor een huifkar, later de huifkar weer voor een auto uit het jaar blok, enzovoorts. Hij passeert Oktoberfest in een lange scène die eindigt met spermavlekken op een poster van Nena. Hij ontmoet een grijs geworden liefdesengel, een verkoper van de illusie van een huisdier, een ranger en een rover die beiden in een berenklem zijn beland. Reizend over de halve wereld komt hij sowieso de meest onwaarschijnlijke medestadsbewoners tegen – zoals het hoort komt Arie-Wubbo uit Tilburg – terwijl Johnny Cash in zijn dromen advies geeft en de ene na de andere genreklassieke hit associatief in de tekst opduikt. Tenslotte volgt een spannende climax waarna alles uit de reis op z’n eigen plekje valt. Met recht mag dit een, zij het ietwat kluchtige, road movie genoemd worden.

Storende factoren

De mankementen die echt vaart uit de vertelling halen zijn op één hand te tellen, maar ze zijn wel storende factoren. Zo staat de tekst bol van de oudbollige dooddoeners. Enkelen daarvan worden in tekstueel speelse pogingen wat verbogen, maar meer dan een flauwe glimlach leveren die vaak niet op. Vooral geven de vele, gevoelsmatig zonder ironie geschreven oei‘s, jeetje’s en daar had Arie-Wubbo wel oren naar’s het gevoel een Wipneus en Pim boek te lezen. Wat het moeilijk maakt de wat psychologischere ondertonen van de vertelling serieus te nemen.
Tegelijkertijd wordt de tekst doorwoven door een wat platte psychologische analyse van het verhaal, en tussentijdse samenvattingen van wat tot dan toe gebeurd is. Dat stoort een beetje. Alsof de lezer een achterlijke randdebiel is die aan het handje door de vertelling gesleept moet worden. Uiteraard is dit element doelmatig, zoals je van ver ziet aankomen. Maar het zingt toch met enige regelmaat de tekst uit balans.

Rock ’n Roll

Ruim voor het einde van het boek schoot echter de befaamde typering van Lester Bangs over Rock ’n Roll door mijn kop. “(…) nothing could ever destroy it ever, and the reason for that is precisely that it is a joke, a mistake, foolishness. The first mistake of art is to assume that it’s serious.”

In dat opzicht is heel Arie-Wubbo pure Rock ’n Roll. Het is onverwoestbaar vanwege alle mensen die er keihard in geloven en die het de wereld in hebben geholpen, met alle dwarse toevoegingen erbij. Het is Rock ’n Roll omdat een onwaarschijnlijk karakter de hele wereld rondgeholpen wordt door nog veel onwaarschijnlijkere karakters. Het is Rock ’n Roll omdat één man dit volslagen dwaze verhaal bedacht en neergepend heeft, en er zichtbaar plezier in heeft gehad. Het is Rock ’n Roll omdat er gewoon ook een Rock ’n Roll soundtrack bij gemaakt is. En als je je dat bedenkt, en met die ontspannen attitude terugbladert, en het hele dwaze verhaal vanaf het begin lekker kritiekloos op je in laat werken, dán snap je wat Arie-Wubbo zelf ook gaandeweg begint te begrijpen: het ultieme maar effectieve road movie cliché, dat geluk zit in de reis, en wat je daar uiteindelijk van meeneemt. Wat hem, én het boek, uiteindelijk toch vrij sympathiek maakt.

Ik denk dat de auteur, Miel Blok, dat van die reis en wat je ervan meeneemt, zelf nu ook ontdekt, ironisch ná het schrijven van het verhaal. En in dat opzicht klopt wellicht inderdaad alles aan dit boek. Props. Ik buig diep voor het totaalplaatje. En proost !

Meer info: spoons-n-stuff.nl
Arie-Wubbo op facebook

Eenzame boeken (11)

Anno 2011 is het duidelijk. Loe de Jong is een akelige man die altijd in de schaduw blijft van zijn geniale, in Auschwitz gestorven tweelingbroer Sally. De Jongs ‘Koninkrijk’ – 29 dikke banden die niemand meer leest – is aanleiding voor de eendimensionale, onvruchtbare tegenstelling Goed-Fout, die in Nederland jarenlang het historisch debat over de Tweede Wereldoorlog beheerst. Als het einde van de reeks in zicht komt gaat De Jong de slotdelen eindeloos uitstrijken, om toch maar vooral zijn pensioen te kunnen halen als rijksambtenaar. Tussen neus en lippen door vernietigt hij de politieke carrière van Willem Aantjes, door te beweren dat de beoogde leider van het CDA bij de SS heeft gezeten. Onterecht, zo blijkt later. Onsympathieke man, en zijn roddelende echtgenote is geen haar beter. Brrrrr. Maar: er is meer.

Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, Dr. L. de Jong. Staatsdrukkerij en -uitgeverij, Den Haag, 1969-1991

Twee weken terug at ik met de schrijver A.H.J. Dautzenberg bij Faja Lobi op de Oude Markt. Het was het weer van alle mensen en we zaten op het terras, lekker onder de luifel. Toen we weer opstonden om te gaan wees ik A.H.J. Dautzenberg op de gedenksteen die daar nog altijd in de muur zit. A.H.J. Dautzenbergs volslagen onverschilligheid verbaasde mij. Deze plek was op 25 januari 1944 het toneel van één van de grootste wapenfeiten van het Nederlandse verzet. Loe de Jong wijdt er in deel 7 (tweede helft) maar liefst 9 bladzijden aan.

Continue reading

Eenzame boeken (10)

Eerder gepubliceerd op TilburgZ.nl

Het achttiende-eeuwse Frankrijk is groot. Daarom is er behoefte aan een fijnmazig spionagenetwerk. Eén van de kleurrijkste figuren daarin is de graaf van St.-Germain. Avonturier, uitvinder, diplomaat, wetenschapper, virtuoos violist én alchemist. In die laatste rol is hij – naar eigen zeggen – achter het geheim van de ‘transmutatie’ gekomen, de kunst om willekeurig metaal te veranderen in goud.
Maar het opmerkelijkst blijft zijn bewering dat hij 4000 jaar oud is. Hij zegt te hebben aangezeten bij het Laatste Avondmaal en ging mee op Kruistocht. Op 27 februari 1784 overlijdt St.-Germain aan de gevolgen van een longontsteking. Toch moet hij daarna nog met Napoleon naar Egypte zijn getrokken en in 1972 zelfs op de Franse tv zijn verschenen.

Comte de St. Germain- The secret of kings, Isabel Cooper-Oakley. Ars Regia, Milaan, 1912

Het eenvoudigst is de conclusie dat de graaf een fantast was, ook na lezing van deze rommelige biografie. Dat verklaart dan meteen waarom zo veel new age-schrijvers hem hebben opgepikt. Wikipedia meldt bijvoorbeeld: ‘Volgens de I AM-beweging, de Bridge to Freedom, de Summit Lighthouse en de Tempel van de Aanwezigheid heeft St.-Germain de volgende belichamingen gehad: Hogepriester op Atlantis; de profeet Samuel; Sint Jozef (echtgenoot van Maria en opvoeder van Jezus); Merlijn (tovenaar aan het hof van koning Arthur); Roger Bacon en Christoffel Columbus’. Dat lijkt allemaal een beetje te veel eer.

Continue reading

Eenzame boeken (9)

Eerder gepubliceerd op TilburgZ.nl

Paul Sann is een New Yorkse journalist met een interessante staat van dienst. Hij toerde met The Beatles en dronk thee met de lelijkste vrouw ter wereld, destijds Golda Meir. Hij schreef een boek met de aansprekende titel Kill The Dutchman! (over gangster ‘Dutch’ Schultz, die natuurlijk van Duits-Joodse afkomst was en totaal niks had met Nederland). Ook maakt Sann een heerlijk divergerend verslag van een tijd waarin de Verenigde Staten nog de trom slaat voor de rest van de wereld. De jaren ’20- een decennium dat bulkt van de bijnamen: the Jazz Age, the Era of Wonderful Nonsense, The Golden Age, the Get-Rich-Quick Era, the Dry Decade.

The Lawless Decade- A pictorial history of the twenties, Paul Sann. Fawcett Publications Inc., Greenwich (Conn.), 1971

In Amerika beginnen de jaren twintig al in februari 1919, op de dag van de Victory Parade. De Amerikaanse expeditietroepen zijn terug uit het niemandsland van de Eerste Wereldoorlog en paraderen over Fifth Avenue. Dat moet een geweldige happening zijn geweest, zoiets als Gert Brunink Nachtruiter juni 2011.

Continue reading

Zomergasten recensie: Guy Verhofstadt

Irene raasde over North Carolina en we hadden Guy Verhofstadt de hele avond op TV. Als kind werd zijn mond afgeplakt omdat hij teveel kletste, en je zag in de ogen van Jelle dat hij dat drastische middel maar al te graag zo nu en dan tot zijn beschikking had willen hebben. Eenmaal op gang, was Guy-spraakwaterval-Verhofstadt niet meer te stoppen.

Hij had een missie natuurlijk: Europa verkopen aan de Nederlandse kijker. De Nee bij het referendum zat hem nog hoog, hij moest en zou het geweldige van de nieuwe federale unie openbaren. Dus kregen wij ruim drie uur Europa talk. Wat eigenlijk wel meeviel, niet in de laatste plaatst dankzij zijn charmante voorkomen. Eigenlijk is hij afzichtelijk om te zien – met die Neus, met die jampottenglazen op die Neus, met die kleine oogjes achter die jampottenglazen – maar de aanbiddelijke konijnentandjes (“Ik wou geen beugel”) maken veel goed. En hij zuipt gewoon rode wijn: hij heft het glas en roept “Proost!”– tenminste geen asceet zoals zijn voorgangers, die wel een glaasje hadden kunnen gebruiken (in ieder geval some of them).

Van alle leuke dingen die op TV te zien zijn kiest hij als binnenkomer een ellenlange begrafenisstoet gevolgd door een scene waarin een hyperactieve Donald Sutherland een kitten vermorzelt met zijn blote voorhoofd. Het poesje moet het symbool zijn van de communisten, Donald voor de fascisten die, as we speak de kop opsteken in Europa (daarom dit filmpje). Donald zegt dan met gevoel voor drama: “The only thing to be feared is fear only”, al het onomstotelijke bewijs van het tegendeel bewijzend. Dat waarschuwen zou een rode draad in de uitzending worden. We kregen een preek van Mitterand voorgeschoteld, die het Europees Parlement aanmaant om elkaar te omarmen: “We hebben allemaal redenen om een ander land te haten […] . Laten we deze haat niet doorgeven, maar het vertrouwen in de verzoening”. Dat klinkt vooralsnog aannemelijk. Maar dan: “Mijn land is niet nationalistisch” – hij heeft duidelijk gevoel voor ironie. “Il faut vaincre ses préjugés”, en de klap op de vuurpijl: “Le nationalisme, c’est la guerre.” Guy pakt dat op: “Nationalisme is een uitvinding van ons Europeanen, uit de Napoleontijd”. Nou, dat lijkt me enigszins overdreven. Japan kon er destijds ook wat van, hoor, als ariërs uit het Oosten, en wat te zeggen over China, die zich duizenden jaren heer en meester waande in the other side of the earth. Niet voor niets schrijf je China met de karakters voor “rijk van het midden”. Land van het midden, jongens, het land waar alles om draait, het centrum des Welts. Maar goed, het is Europa talk tonight, dus vergeten we die vervelende verre landen wanneer het ons uitkomt. We halen ze straks wel bij als het nodig blijkt te zijn. Jelle, die zich kranig staande houdt in die verbale storm: “Is Europa niet medeverantwoordelijk voor de opkomst van het populisme?” Pats.

Uit beide speeches, die van Mitterand en die van Guy, maken we op dat nationalisme een heet hangijzer is geworden, het mag niet meer in Europa. Nationalisme is TABOE in Europa. Terwijl, als je de grondwet die we destijds voorgeschoteld kregen goed leest, je niet anders kan concluderen dat Europa als één supernationalistisch orgaan is bedoeld: geen strijd TUSSEN DE STATEN onderling, maar wel een keiharde muur eromheen. Als de kiezers destijds dit hadden begrepen, dan hadden ze zich waarschijnlijk twee keer achter de oren gekrabd voor ze de grondwet wegstemde. Grondwet die, vermomd als het verdrag van Lissabon, later toch door onze neus is geboord, zonder vlag en zonder het muziekje van Beethoven om de Nederlanders te behagen, leren we vanavond van Guy. WAT EEN CONCESSIE. We zijn diep dankbaar.

Kortom, dat gelul over nationalisme is pure retoriek. Het is net als de definities van altruïsme vs egoïsme. Als je doorgraaft is de grootste altruïst toch egoïstisch, omdat hij of zij altijd een bepaalde groep voor zal trekken. Het zit hem in de grootte van die groep. Is die gereduceerd tot één persoontje – hemzelf – dan is die een mega-egoïst. Is de groep gelijk aan de aardbol, dan hebben we te maken met een altruïst, zonder meer. Tot er hele lieve buitenaardse wezentjes te voorschijn komen die één bij één gemarteld en afgemaakt worden in naam van diezelfde wereld waar we toebehoren. Ja, wat ben je dan? Hoog tijd trouwens, voor een vijandige aanval from outer space. Niets beter dan dat om de klokken gelijk te zetten op onze verscheurde aardbol waar de zo gewenste broederliefde te lang op zich laat wachten. Dan weten we niet hoe snel we het wereldnationalisme hoog in het vaandel houden. Helaas, moeten we het nu doen met “enkele grote imperia (China, de VS etc…). Kleine natiestaten kunnen niets meer.” Waarbij ik elke keer “nazistaten” begreep. Ik heb sowieso altijd grote moeite de Belgen (en de Drentenaren, de Brabanders, de Veluwenaren) te volgen dus het kan heel goed zijn dat geen enkele van de quotes die ik opgeschreven klopt. Misschien zijn ze stuk voor stuk ontsproten aan mijn overactieve fantasie. U zijt gewaarschuwd.

Nog een fragment: Een marktkoopman uit Tunesië die zichzelf in brand stak omdat hij niet meer tegen de treiterijen van de corrupte ambtenaren kon, waaraan hij bakshish weigerde te betalen. Op zijn kist lag de vlag van Tunesië. “Niet de vlag van de Islam” (wat dat ook moge zijn), lichtte Guy toe. Wat het bewijs is dat de islamofascisten geenszins instigators van de Arabische lente zijn, dat de angst van Europa hiervoor ongegrond is . En ik al die tijd denken dat de Europeanen bang waren dat de Islamisten zouden profiteren van het machtsvacuüm dat steevast zal ontstaan. Ik ben volkomen gerustgesteld. Jelle: “U heeft Khadaffi ontmoet. Hoe voelde het om de hand te schudden van iemand van wie u wist dat hij een moordenaar was?” Een vraag die ik graag aan Uri Rosenthal zou willen stellen, nu blijkt dat hij blijmoedig zaken gaat doen met onze eigen “molenaar” Desi Bouterse (“Bouterse molenaar” schreeuwden zijn tegenstanders, omdat het woord moordenaar taboe was. Of was dat iemand anders? Dat kan heel goed. Overactieve fantasie weet u wel…)

Hij probeert het nog even: “In Amsterdam zijn er 187 nationaliteiten” Waarop Guy een boek uit zijn binnenzak haalt en begint een beschrijving voor te lezen – wat hij verdomd blijkt te kunnen – van een plaats in pakweg Bulgarije die ooit een ware paradijselijke smeltkroes bleek te zijn geweest. Guy: “We moeten af van de idee van Europa als een verzameling van nationalistische eilandjes, anders zullen we een DEMOCRATISCH DEFICIT voelen.” Wat dat was, een democratisch deficit, is vast en zeker aan de orde geweest, maar ik kon dat in de 3 uur durende staccato woordenstroom niet ontwarren.

Jelle: “U loopt zo ver voor de troepen uit dat de mensen u niet meer zien.” (ondertiteling: “U praat te snel, u bent niet meer te volgen”). Hij kwam met iets leuks: de mythe van Europa, het meisje waar Zeus verliefd op was en voor wie hij zich (tijdelijk) in een stier veranderde. Jelle vroeg hoe het nou ook weer afliep met Europa. Guy wist het niet. Ik dacht subiet: slecht. In mijn geheugen was zij zelf in een koe veranderd en aan de hemel vastgeklonken. In werkelijkheid werd haar schoondochter op haar beurt verliefd op een stier (een echte), en zo werd Europa mooi oma van een afzichtelijk en bloederig monster, de Minotaurus. Laten we bidden dat dit geen voorteken is.

We kregen de massaslachting in Rwanda voor de kiezen, in de elegante vorm van een gestileerd stukje uit de film Hotel Rwanda – zoals Guy terecht opmerkte was de werkelijkheid duizenden malen erger. In Rwanda werden mensen geslacht op zulke gruwelijke wijze. Guy heeft het over bendes die een eerste keer langskwamen om de hand van elke dorpeling af te hakken, de volgende dag het been. Ik las destijds over zwangeren van wie de buik opengesneden werd en de vrucht door midden gekliefd, van moeders die hun baby in kokende olie moesten gooien. In het fragment zien we het Afrikaanse pendant van Srebrenica: een horde Tutsi’s komt aanlopen aan de arm van Belgische christenen, journalisten e.a., maar worden geweigerd uit de bus die de buitenlanders moet evacueren. De Tutsi’s, waaronder vele kinderen, worden door de eigenaar, een gematigde Hutu, naar Hotel Rwanda geleid met de woorden: “Go to the hotel, we will take care of you. Don’t be afraid.” Hier gaat een akelig belletje rinkelen, niet waar. De VN heeft de blauwe helmen terug geroepen uit het gebied, in plaats van het onderdrukte volk aldaar te beschermen. De Fransen deden er een schepje bovenop: ze hielpen zelfs de Hutu’s onder het mom van francofilie. Guy is daar bitter over. “De Europeanen met onze grote woorden over democratie en vrijheid… Als puntje bij paaltje komt bij de grote drama’s van de 20ste eeuw deden we helemaal niets: de Cambodjaanse genocide, de Shoah…” (Hij stopt net voor hij de Armeense genocide noemt, gelukkig, want dat is taboe in Europa, vanwege de gevoeligheid bij de Turken). Hij heeft zijn excuses voor Rwanda aangeboden, wat volgens hem wel degelijk heeft geholpen voor de verwerking van het drama. Voor Srebrenica heeft Nederland zich nooit verontschuldigd, valt Jelle hem bij.

De bankcrisis werd erbij gehaald: we kregen een spoedcursus macro-economie. De huidige malaise begon in IJsland. Dat land had de grote fout gemaakt om drie banken te privatiseren. Die banken hebben zich vervolgens volgevreten op allerlei mogelijke manieren, ze leenden bijvoorbeeld 10 keer het BBP van IJsland, onder het goedkeurend oog van vadertje staat, die de bankieren uit eten nam om ermee te pronken, blij dat ze het zo goed deden. Dat gebrek aan controle is de basis van de crisis, zo leerden wij. Er vlogen neologismen als “het ponzischema”, “Basel I”, “Basel II” en “Basel III” voorbij, en we kregen er zelfs een heuse tip bij: “Een gedifferentieerde portefeuille van aandelen, obligaties en spaargelden is de basis van een gezond pensioenregeling”, legt Guy uit, de enige liberale politicus zonder beleggingspakket (Hij voelt zich “onrustig”bij aandelen). Voor het oplossen van alle mogelijke Europese problemen heeft Guy een panacee paraat: De Europese obligatiemarkt. Als die zou komen, dan zouden alles sores als sneeuw voor de zon smelten. Want, zo legt hij vurig uit: “Hoe groter de obligatiemarkt, hoe liquider, en hoe lager de rente.” Hij wil naast de monetaire unie ook een echte financiële en fiscale unie creëren. Iets wat ik in mijn onnozelheid dacht al lang te hebben, maar dit ter zijde. Die obligatiemarkt zou ons evenwel verlossen van alle mogelijke kwaadaardigheid of zelfs nonchalance van de lidstaten: bij elke misstap zouden ze uit die Europese obligatiemarkt geknikkerd worden. “Dat zou een echte sanctie zijn”. Waaruit ik lees dat we die nu niet hebben. Een geruststellende gedachte.

Tussen al die ecopolitieke misère kregen we de verplichte leuke stukjes. Wat ik het vetste vond was die man die een ongeluk had gehad waardoor hij het met één arm moest doen. Hij had een trucje bedacht om zijn gazon door te blijven maaien – het ei van Columbus als u het mij vraagt – een paal in het midden van het veld met een lang touw aan de grasmaaier vast, die dan vervolgens rondjes gaat lopen draaien. Steeds kleinere rondjes, tot hij bij de paal komt. Dit had niets maar dan niets met Europa te maken, maar met de moeder van Guy, al kan dat ook heel goed een verzinsel zijn van me, vrees ik achteraf. Dan The making of een kunstwerk van An Weiwei: een vloer, niet van pindakaas maar van miljoenen kleien zonnebloempitten. “Dat is de kern van de mens: wie we ook zijn, wat we ook doen bepaalt de wereld. ELK VAN ONS IS ZO’N PITJE.” licht Guy met een filosofisch gevoel voor drama toe. Dan nog iets over een abstract kunstenaar (je kan bij zomergasten echt niet aankomen met iets figuratiefs), en iets muzikaals: Orfeo van Monteverdi “Opera uit het begin, in zijn pure vorm, omdat een avond als deze in pure schoonheid moet eindigen.” De zangers: “Orfeo et Euridice, de een gebeten door een slang, de ander geveld door rouw.” De avond is begonnen met een begrafenis en eindigt met de dood van twee geliefden. Jelle deed er een reclameboodschap of his own erachter aan en keek tenslotte met een triomfantelijke blik de camera in: hij had het Zomergastenseizoen glorieus doorstaan.

Mij mag u op taart trakteren – ik heb hard gewerkt. Liefst een Puits D’Amour van Pâtisserie Stoher uit de Rue Montorgueil in Parijs, te bestellen via Vrouwke van Stavast. Alvast bedankt.

Eenzame boeken (8)

Eerder gepubliceerd op TilburgZ.nl

Tien jaar geleden las ik de memoires van Michael Baumann. Baumann (bijnaam ‘Bommi’) was de explosievenexpert van de ‘Beweging van de Tweede Juni’, een concurrent van de Rote Armee Fraktion. Het boekje had een charmant gestencild uiterlijk en in krakkemikkig typoscript las je dingen als: ‘Ik ben alvast begonnen de ruit in mijn celdeur los te vijlen, maar merk dat dat weinig zin heeft omdat de cipiers de hele dag de deur open laten’. Wat Bommi niet vermeldt is dat zijn bijnaam niks met het fabriceren van bommen te maken heeft. Hij is afgeleid van zijn favoriete drankje, Bommi mit Pflaume. Een pruimenjenever. 

Wie alles anfing, Bommi Baumann. Trikont Verlag, München, 1975


Continue reading

Zomergasten recensie: Erik van Lieshout

Gisteren in Zomergasten, “één van de meeste succesvolle Nederlandse kunstenaars op dit moment”: Erik van Lieshout. Het zal aan mij liggen, maar ik had nooit van de beste man gehoord. Terwijl hij nota bene van mijn generatie blijkt te zijn, stelde ik verbaasd vast na enig speurtocht: al die tijd dacht ik met een vroeg dertigjarige te maken te hebben. In eerste instantie meende ik een Fries accent te horen. Het bleek Brabants te zijn. Ook had ik hem me voorgesteld als een lange sterke man, breed gebouwd: zolang hij zat leek dat zo. Pas toen hij opstond om een 10m lange tekening uit te rollen zag ik dat hij een kop kleiner was dan Jelle.

Jelle was in vorm – hij had zich duidelijk verheugd op het gebeuren. “En je had niet bepaalde opiaten genomen?” wierp hij al bij aanvang van de uitzending, wanneer Erik vertelde een spooky night at the museum te hebben beleefd. Het beloofde wat.

De hele tijd moest ik aan Kippfest denken. Niet dat hij fysiek op hem leek, of dat zij dezelfde accent hadden, maar zijn manier van antwoorden – hij zei net geen Huhuhu’s – zijn onverbetelijke mimiek (Kippfestiaans, no doubt about it), zijn ogen die telkens priemen als speertjes. Hij stuitert. Het ziet er onnozel en maf uit, een opgewonden jochie, los en blij – tot hij ons een krijttekening voor 30 000 euro wil verkopen – hij is dus geenszins op zijn achterhoofd gevallen. Hij geeft geen antwoord, alsof hij nergens over nadenkt, maar zegt een miljoen keer “ja, ja, ja, ja”, slikt driekwart van zijn woorden in en heeft in die drie uur twee zinnen afgemaakt. 

-Waarom kopen mensen spullen?

-Ja ja ja ja…

-Je had een winkel. Wat was de bedoeling van die winkel?

-ja ja ja ja

Het deed me verlangen naar ondertiteling die zijn zinnen voor ons zou completeren, zodat we beter zijn train of thoughts konden volgen. Daar moet Zomergasten mijns inziens absoluut aan werken. Het was geen doen voor arme Jelle om dat zelf te gaan doen.

We werden ondergedompeld in kunstsoep van de coolste plank (John Bock, Jan Dibbets, Bas Jan Ader, Jeremy Deller, Christoph Schlingensief, Gerrit van Bakel, Joseph Beuys, Jörg Immendorf) waar je een sterke maag voor moest hebben, dat wel. Vooral van het eerste fragment hou ik een onpasselijk gevoel – wat vast de bedoeling van de kunstenaar is geweest, “Gij zult choqueren” niet waar, doch het is niet het soort dingen waar ik vrijwillig naar toe ga in mijn vrije tijd. Nergens gejammer over vermaledijde bezuinigingen, maar een aanstekelijke enthousiasme over Kunst: zo moet het zijn, zo werkt het. Er wordt wel een paar keer gezamenlijk gezucht dat we hier te lande geen Schlingensief hebben, althans, Jelle zuchtte en Erik ging er braaf in mee. Maar we hebben hier in friggin‘ Amsterdam een tastbaar alternatief, onder de vorm van mijn bloedeigen zwager Roé Çerpac, die zonder project afgestudeerd is aan het Rietveld – een gerenommeerde filosoof moest er aan te pas komen om de docenten aldaar tot het besef te laten komen dat ook, dat VOORAL, dát Kunst was. Roé is 24/7 bezig met Kunst waar hij een onnavolgbare definitie van geeft. Die u hem persoonlijk kunt gaan vragen want hij houdt elke dag kantoor op het terras van de Hema in de Kalvertoren (ook dat is Kunst), zoals Jelle wel weet, want hij heeft hem daar bezocht.

Telkens in de uitzending draait Erik de rollen om: dan is Jelle de Zomergast, die de vragen toegeworpen krijgt die hij zojuist zelf heeft geformuleerd. Jelle gaf daaraan blijmoedig gehoor. Hij mocht die gast graag, dat kon je zien. Hij had niets liever dan na afloop nog een afzakkertje met hem gaan drinken ergens (ach nee, dat kan helemaal niet, want Erik van Lieshout drinkt niet).

Een keer betrapte ik Erik op het verkopen van bullshit. Nadat we kunstgrootheid Jörg Immendorff zagen bewierookt worden door bondskanselier Schröder en personne, verzuchtte onze beste kunstenaar het gebrek aan zulke acties van de kant van het Nederlandse establishment. Nee de leiders des lands kwamen nooit en nimmer kijken, ze hadden geen interesse, daarom. Misschien had hij in zijn geheugen verder moeten zoeken dan presidentje Rutte, want onze Koningin, die heeft dat wel degelijk gedaan, kunstenaars bezoeken, ze had zelfs ooit een Huis-ten-Bosch vol leden van de intelligentsia (wat gefilmd is, zagen we dat niet bij een eerdere Zomergast?), en daar zaten absoluut kunstenaars bij – uit mijn blote hoofd Wim T. Schippers, in ieder geval. Hare majesteit kennende doet ze dat nog steeds, wellicht niet bij Erik, maar tja, misschien is ze niet van de walgelijke kunst. Nobody’s perfect.

Er werd natuurlijk over Kunst geluld (ik heb wat quotes opgeschreven, beschikbaar op aanvraag, voor de geïnteresseerden). Wat ik jullie niet wil onthouden is het onvergetelijke beeld van Erik van Lieshout die, vermomd in een bacterie, het ziekenhuis bezoekt. “Kunst is een bacterie” stelt hij dan. “Een virus. Een vies, besmettelijk ding.” Kunst is sowieso een entiteit op zich, in de wereld van Erik van Lieshout, een personage haast. Hij is overenthousiast. “Vind jij het ook leuk?” vraagt hij aan Jelle.

Bijna aan het einde van de uitzending blijkt waarom Erik zo stuiterde: hij moest plassen. Wat hij dan ook gewoon doet: hij verlaat zijn stoel en rent naar de WC’s, en hij zegt dat ook: “Ik moet naar de WC”. Ik weet niet jullie, maar ik heb nog niemand dat zien doen bij Zomergasten.

Van elk fragment werd verteld dat de kunstenaar in kwestie anderhalve week later dood ging. Ik vraag me dan af: waren we gisteravond getuigen van de zwanenzang van Erik van Lieshout? Gaat hij ook spoedig dood? Ik hoop het niet: het is zo’n innemende jongen. Dat hij zulke lelijke dingen maakt vergeven we hem dan ook collectief. 

Eenzame boeken (7)

Eerder gepubliceerd op TilburgZ.nl

‘Het huishouden van Jaap Bron is, menselijkerwijs gesproken, alleen geschikt om misdadigers in groot te brengen. Het is er een Augiasstal, de oude is een dronkaard en een echte deugniet. Als er met succes gegapt is worden meteen grote braspartijen aangericht. Een pronte vrouw die leiding kan geven ontbreekt. De moeder wordt reeds sinds 1925 in een gesloten krankzinnigengesticht verpleegd. Dochter Francisca loopt met allerlei mannen. Zij is nooit gehuwd en moeder van zes kinderen.’ Een ongehuwde moeder met zes kinderen, dat stelt in 1934 nog echt iets voor.

De criminaliteit van Oss, Dr. W.H. Nagel. Daamen’s Uitgeversmaatschappij NV, Den Haag, 1949


Continue reading

Zomergasten recensie: Lilian Gonçalves-Ho Kang You

[Waarschuwing vooraf: dit artikel bevat gruwelijke beschrijvingen]

Het is een dun koordje waar je op balanceert als presentator van een kwaliteitsprogramma als Zomergasten: aan de ene kant wil je de kijker iets te bieden hebben. Je verkoopt hem geen knollen voor citroenen. Het moet body hebben, intellectuele uitdaging oproepen, de hersencellen laten kraken. Tegelijkertijd moet je hem wel weten te boeien; in 3 uur tijd zullen er plenty gelegenheden zijn waar de zapzin zijn kop op zal steken. Je zult dus moeten entertainen. Hoe moeilijk viel dit ten dele aan Jelle Brandt Corstius gisteravond, met de immer op haar woorden lettende Lilian Gonçalves-Ho Kang You.

Het leek wel wetenschap. Je vermoedt dat je er iets van zult opsteken, dus blijf je kijken en gebeurt dat ook, maar je boeien doet het maar niet. En maar niet en maar niet. Er zijn thrillerachtige fragmenten waar je u tegen zegt, onwelgevallige stukken over Suriname die destijds achterover zijn gedrukt of op “enigerlei wijze” verdwenen, angstwekkende beelden van Afghaanse kleuters die een steniging naspelen, Liberiaanse vrouwen die een nep-vredesoverleg omturnen in een echte, weduwen die de beul van hun man vergeven nadat hij hen in geuren en kleuren heeft verteld hoe zij hun man reep na reep hebben gevild, en toch is het niet gelukt. Geen puntje-van-je-stoel-moment, geen ik-hou-mijn-adem-in, enkel een monotone uiteenzetting van gruwelijkheden die je haast onberoerd aanschouwt, en waarvan je na afloop opgelucht bent dat het achter de rug is.

Het bot waar Jelle zijn tanden op stuk heeft gebeten heet de advocatuur. Mevrouw Gonçalves was advocaat. Advocaten zijn gepokt en gemazzeld in hun woorden op een goudschaaltje leggen: het is hun beroep, je zult ze nooit betrappen op het formuleren van iets onzinnigs. Hoe nodig dat blijkt te zijn, even iets geks uitflappen gedurende een gehele avond tv kijken, bleek gisteren. Het gaat niet aan constant op je woorden letten, alle details zorgvuldig wegen voor je ze aan het hongerige volk voert. Het hoeft niet op de millimeter te kloppen, sterker nog: het MOET niet. Het is een doodzonde. Jelle heeft het wel geprobeerd, haar los te weken, maar het mislukte jammerlijk. Hij sprak iets over haar flirterige houding, dat ze waarschijnlijk van de tropen had – “flirten als sport”? Waar? Wanneer? Zij was zo stijf als een hark. Hij probeerde coûte que coûte ontspannen te blijven, en ik vond hem manmoedig hierin, maar iets van haar rigiditeit sloeg op hem over.

De fragmenten hebben de avond gered. Wie zal in staat zijn om dat Afghaanse meisje uit zijn geheugen te wissen, dat gevangen werd in het gruwelijke spel van een horde macho’s in de dop, klaar om haar te stenigen omdat ze naar school wilde gaan? Het fragment werd door mevrouw Gonçalves ingeluid met dat we zouden zien wat de oorlog doet met een kind – Guantanamo Bay werd er zelfs bijgehaald. Met de beste wil van de wereld kon ik geen van beide erin ontwarren. Het enige wat ik zag was het product van een strenge patriarchale cultuur en het nadoen van hun vaders, ooms en grote broers, die immers niet terugdeinzen om een meisje van 10 uit te huwelijken aan een despoot die haar neus en haar oren afhaakt als ze probeert te vluchten. Lilian koppelde dit aan de mondiale feminisering van de armoede, waarop Jelle, helaas, niet inging.

Het fragment over de Zuid-Afrikaanse Waarheidscommissie (vanavond om 21 uur te zien op Hollanddoc) waar Mamasela, leider van een bloeddorstige eenheid, de weduwen en zus van drie afgeslachte mannen in geuren en kleuren vertelt hoe zij hen reep na reep hebben gevild en geëlektrocuteerd was hemeltergend. De vrouwen liepen naar het overleg toe met uitspraken als: “They didn’t look sorry, it was as if they killed a dog.” De beul ontving ze. Er heerste kalmte en waardigheid, wat contrasteerde met de inhoud van zijn verhaal. Hij had spijt. De vrouwen voelden dat. Samen gingen zij naar de plek des onheils. De vrouwen wilden graag een grafsteen, een herdenking. Het belang dat zij daaraan hechten trof mij. Zij vergaven de dader, alle vier. De zus ging zelfs zo ver dat ze wierp: “I forgive and forget.” Haar moeder tegensputterde: “No, no, we can’t forget.” “Oh yes” zei ze dan, en ze maakte een wijd en krachtig wegwerpgebaar “I forget, I forget.” Nogmaals was ik getroffen door de vergevingsgezindheid van de Afrikanen. Eerder had ik dat in een documentaire over de Hutu’s en de Tutsi’s gezien: die nadat de strijdbijl begraven was ceremonieën hielden ter uitdrijving van de demonen (of waren dat tribunals?) waarna alles weer normaal leek te zijn: daders van onmetelijke gruweldaden bleven leven te midden van dorpsgenoten van wie ze de familieleden hadden afgeslacht. Toen net als gisteravond, besefte ik hoe weldadig dit is: zand erover en we starten op nieuw. Natuurlijk moet je bij vergeven, zoals Lilian juist opmerkte, in de gaten houden wat er met je vergeving verder gebeurt: wordt er geen misbruik van gemaakt om weer de fout in te gaan, de nagedachtenis eerbiedigt, worden de nabestaanden correct behandeld? Het laatste wat je wilt is op naïeve wijze je vertrouwen schenken aan iemand die dat niet verdient, die tot walgelijkheden in staat is, zoals de gewezen dictator van Liberia, Charles Taylor, die de verkiezingen won met de slogan: “He killed my pa, he killed my ma, but I will vote for him.” Maar toch is de Afrikaanse carpe diem-mentaliteit bewonderendswaardig: je weet immers niet van tevoren waar de wind vandaan zal waaien. De vriend van vandaag kan heel goed de vijand van morgen zijn.

We hebben vooral geleerd over Suriname. De decembermoorden in de nacht van 7 op 8 december 1982, toen de coupplegers onder leiding van Desi Bouterse 15 opponenten ombrachten kregen een gezicht: de man en de broer van Lilian behoorden tot de slachtoffers. We zagen hoe de huidige, op democratische wijze gekozen, president van het land de moord op een gevangene goedpraatte “I have a revolution to lead” of iets in die strekking, maar dan in het Sranantongo. Ja, ooit was er bezieling om het land weer op te bouwen, er waren plannen, er was geld, maar die plannen mislukten jammerlijk. Het waarom werd zorgvuldig uit de uitzending gehouden – is de waarheid te pijnlijk? Aan het einde vroeg Jelle: “Zou je terug willen keren naar Suriname” waarop zij loog: “Dat hangt van de omstandigheden af.”

Suriname is een land waar zij nimmer zal terug keren. Zij is nu een dame uit de betere kringen, naast de voorzitterschap van Amnesty International zetelt ze in de Raad van State, zowat het meeste potente orgaan des lands, de club die op onherroepelijke wijze over ieders lot beschikt, en die op de koop toe een adviserende functie bij de Senaat heeft. Wat zou zij in hemelsnaam in Suriname moeten, hoe lief of aangenaam dat land ook wordt?

Hij sloot af met: “Ik wil je bedanken voor de weloverwogen woorden”, wat een bezoeking was. Gelukkig werden we alvast warm gemaakt voor de aflevering van volgende week, waar een knotsgekke kunstenaar ten tonele zal verschijnen. We houden je eraan, Jelle. Laat het vonken!

Eenzame boeken (6)

Eerder gepubliceerd op TilburgZ.nl

Ik lees graag de verhalen van Guy de Maupassant. Dat komt vooral door de TROS. Die zond in de jaren ’70 ‘Uit het leven van Guy de Maupassant’ uit. Soms was daarin een vrouwenborst helemaal te zien. Ik snapte de verwikkelingen vaak niet maar begreep wél dat er ondeugende dingen gebeurden. Misschien zat ik toen al in de vijfde klas bij meneer Jacques. Bij elk proefwerk dat hij gaf was de laatste vraag: ‘Wie is David Bowie?’ Het waren dan ook de jaren van Low en Heroes. Pure magie. Niet veel later verdween de magie al. Ik raakte de borsten aan van Jolanda van den ??? en meneer Jacques trouwde met een taaie, lange vrouw.

Hij en Zij, Guy de Maupassant. H. Meulenhoff, Amsterdam, geen jaartal

Continue reading

« Older posts

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑