Vrouwen. Ze komen weinig aan bod in korte stukjes, ook al dragen ze soms korte stukjes, zoals rokken of sokken. Ze vergaderen haast nooit en hangen niet aan de toog. Toch moesten ze er van komen.

Twee maar J, o jeetjes, en een S. De twee jeetjes kwamen met elkaar. Eerst in elkaars vaarwater, later in aanvaring. Waar bemoeit ze zich mee, was de hamvraag. Er bleek niets te bestaan waar de eerste J zich niet mee bemoeide. Zo iemand heet al vlug een bemoeial. Vaak kwam S dan sussen, de gemoederen bedaren. Nu eens voor, dan weer tegen J.

En zie nu, de tweede J wou van die bemoeienissen niet weten. In een fatale bui, met natte haren van de regen en de geur van dennennaalden in haar haar gaf S de bemoeial gelijk en wou ze de tweede J de laan uitsturen. Die was echter al weg, uit eigen beweging.

 

(Vooraleer dit stukje als vrouwondvriendelijk weg te zetten: lees het een tweede keer, ook tussen de regels)