Een zeepmerk; een scheermes; een kwast.

‘Wie jaag ik vandaag op de kast? Mijn handen jeuken.’

Netjes geschoren, zo, even onder de douche, half droog in mijn badjas, snel ontbijten. Lekkere koffie.

Ik kleed me aan, tot strak in het pak, kus mijn vrouw, stap naar buiten; daar wacht mijn chauffeur in de auto.

Ik zou niemand op de kast jagen. We vlogen gewoon uit de bocht recht tegen een tractor.