KutBinnenlanders.nl

Tag: Ko te Let (Page 2 of 2)

Schaatsen (4)


De grote schrijver Ko te Let stond beteuterd voor de deur van Greutzenbad. Hij had de kunstrijschaatsen bij hun veters vast. De schaatsen waren een beetje vies wit. Er zaten krassen op het leer. Ko was helemaal niet blij met zijn geleende schaatsen. ‘Kop op jong, wie weet wat deze dag gaat brengen’, sprak hij tegen deur.

Hij liep de flat uit, op weg naar de stadsvijver. Ko voelde zijn rechtervoet wegslippen. De stoep was spekglad. ‘Wat is dit hier,’ riep hij uit. Hij keek verwijtend naar de tegels onder zijn voeten. Er was helemaal niet gepekeld! Ko was woedend. Het labbekakkerige pekelgedrag van de buurtbewoners irriteerde hem. Zoveel oude mensen en werklozen en niemand die er aan denkt afdoende te pekelen. En hardwerkende buurtbewoners als de grote schrijver Ko te Let maar onderuit gaan. Ko besloot er werk van te maken. Met de schaatsen schuifelde hij richting het stadskantoor. Hij ging zijn beklag doen. ‘De ambtenaren van stadskantoor 3 zullen dit varkentje wel even wassen’, lispelde hij verbeten.
Aan de gifgroene balie van stadskantoor 3 stond een vrouw. Ze droeg een bril met een dik roodmontuur. Ze loenste. ‘Kan ik u helpen, meneer?’ Ko zei dat hij melding wilde maken van ontverantwoord pekelgedrag. De vrouw keek hem nadenkend aan en schreef daarna wat op een papiertje. ‘Onverantwoord pekelgedrag. Nou we zullen ernaar kijken hoor, meneer Te Let.’ ‘Kunt u wel zorg dragen dat mijn klacht anoniem blijft?’ Ko was ontdaan dat er geen bedankje vanaf kon. Met een warm gevoel van burgerzin, stapte Ko naar buiten. Alweer een goede daad verricht. Als bekende stadsbewoner diende hij het goede voorbeeld te geven. Misstanden moest hij aan de kaak stellen. Als hij het niet deed, wie wel? Hij stond op een podium. Hij kreeg de medaille van goede burgerzin uit handen van een glunderende burgemeester met rode konen. ‘Voor de heer Te Let. De grote schrijver die al jaren het goede voorbeeld geeft van hoe het hoort in onze stad. Graag de handen op elkaar voor de heer de Let. De grote schrijver!’ (Wordt vervolgd, want een lage drukgebied met sneeuwmomenten nadert onze stad.)

Schaatsen (3)


De grote schrijver Ko te Let sloop de trap af. Het was gehorig in het trapportaal, maar van hém zouden ze geen last hebben. Ko was altijd muisstil. Want hij had veel burgerzin. De andere bewoners van zijn flat hadden aan hem een fijne buur. Er kon altijd een groet vanaf. En soms een praatje. Mooi vond de grote schrijver dat, converseren met de mensen in zijn flat. Hij schoot ze dan aan bij de brievenbussen en vertelde hoe het met hem ging. Wat hij aan het schrijven was en op welke literaire avonden hij acte de présence had gegeven.

Hij wist niet of ze allemaal begrepen wat hij zei, want het waren natuurlijk geen grote schrijvers. Of lezers. Terwijl hij toch buitengewoon toegankelijk proza maakte! Hij wond zich er over op toen hij bij Greutzenbad voor de deur stond. Nu even rustig, fluisterde hij tegen de deur. De grote schrijver Ko te Let stelde zich op voor de deur van Greutzenbad. Hij keek door het spionnetje. Was daar wel iemand thuis? Het had weinig zin aan te bellen bij Greutzenbad als die niet thuis was. Voor zover hij het zag, kon hij het inderdaad beter laten. Greutzenbad leek er niet te zijn. De gang was leeg. Er zat niemand in de stoel. Wel stond de toiletdeur op een kier. Misschien toch een kans dat Greutzenbad thuis is, deduceerde Ko.

Klongelongtongtong. Het was een aanstellerig deurbeldeuntje vond de grote schrijver. Dan zijn eigen deurbel. Een beschaafd, ingetogen maar toch duidelijk fwwwwrrriiit. Maar dat geluid van Greutzenbad, dat kon niet. En dat voor een intellectueel. Greudtzenbad las alle grote schrijvers. De grote schrijver Ko te Let vond Greutzenbad ‘interessant en Vergaay-achtig.’ Ko kende Vergaay niet, maar had Vergaay wel hoog zitten. ‘Ja, Greutzenbad wist immers van de hoed en de rand in schrijversland.’

De deur ging open. Greutzenbad wreef met zijn linkerhand door zijn intellectuelenbaard. ‘Meneer Te Let, wat verschaft mij de eer.’ Ko legde uit dat zijn schaatsen zoek waren. Dat de noren waarschijnlijk onder vijftien moltondekens in zijn inbouwkast lagen, vertelde hij er niet bij. Greutzenbad zou wel denken. ‘Natuurlijk kunt u mijn schaatsen lenen! Ik pak ze even!’

Ko kreeg witte kunstrijschaatsen in zijn handen geduwd. Maat 42. De grote schrijver had op een paar stoere noren gerekend. Of anders ijshockeyschaatsen. Hield Greutzenbad hem hier voor het lapje? ‘Veel plezier!’. Greutzenbad gooide de deur dicht. Daar stond Ko mooi mee te kijken.

(Wordt vervolgd zolang de vorst nog aan de grond zit.)

Schaatsen (2)

De grote schrijver Ko te Let wachtte niet op antwoord. Hij vermande zich en vatte de koe bij horens. Hier moest het vet ergens staan, peinsde hij. Tussen de molton dekens. Waarom was hij in het bezit van vijftien molton dekens? Was hij vergeten hoezeer die zijn huid irriteerden? De grote schrijver wachtte niet op een antwoord. Het vet moest gevonden worden. Waar was de cementkuip met het vet en de schaatsen? Tussen de moltondekens, zoveel was zeker. Schaatsen in het vet bij de moltondekens, hij herinnerde het zich nog van de verhuizing.

Zo. Genoegd gelanterfant. Met één kordate armbeweging pakte hij een rood witte moltondeken tussen rechterduim en wijsvinger. Hij tilde de stof op. Ah jakkie molton. Die vieze stof. Ko gruwde van molton en zijn dekens. Hij had vroeger een molton rompertje gehad en dat was hem niet goed bevallen. En toch was hij in het bezig van vijftien exemplaren van het prikkende textiel. Het was een raadsel dat zich niet liet oplossen in een namiddag. Dat moest wachten. ‘Ik parkeer dit raadsel even.’ Hij tilde met een pijnlijk gezicht een andere deken op. Het viel hem zwaar. Het molton was stoffig en leek dwars door zijn huid te prikken. Hij liet de deken los en zuchtte. Zuchtte nog eens en draaide zich om. Hij liep naar het raam. De grote schrijver duwde de gordijnen opzij en keek naar buiten. Hij tuurde naar de glimmende straat onder hem. Het leek nog altijd niet te dooien. ‘Vadertje dooi geeft mooi niet thuis’, mompelde hij. Het lag dus in de lijn der verwachtingen dat het ijs op de stadsvijver er nog lag. Erger nog: dat mensen er nog op konden schaatsen. Zonder er doorheen te zakken. Zo volledig moest hij wel zijn, vond de grote schrijver. Hij had helemaal geen zin om te schaatsen. Dat gekras op het ijs. Hij kotste ervan. Het idee alleen al om met die ijzers in het ijs te gaan lopen steken, benauwde hem. De grote schrijver moest even gaan zitten. Een paniekaanval. Ook dat nog. Ko voelde met zijn rechterhand aan zijn voorhoofd en stond op. Voor de badkamerspiegel zag hij de rode vlekken op zijn langwerpige schrijvershoofd. Hij had zich teveel ingespannen. Ook dat nog. Zo is het geen doen, stelde hij vast. Hij wachtte tot zijn hoge hoofd weer zijn normale schrijverskleur had en schoot zijn jas aan. (Wordt vervolgd. Helaas geen illustraties van de erven Linda deze week. Die zijn met zwangerschapsverlof.)

Schaatsen (1)

De grote schrijver Ko te Let besloot zijn schaatsen uit het vet te halen. Hij zuchtte, deed de gordijnen weer toe en liep naar de inbouwkast. Hij opende de deuren en zuchtte opnieuw. Doelloos bleef hij voor de opening staan. Hij betastte zijn linker schrijversoorlel. Die was pluizig zeg. Het verbaasde de grote schrijver Ko te Let  dat zijn linker schrijversoorlel zo zacht was. Als een bolletje katoen. Hij liep naar de badkamer en keek in de spiegel. Zijn linkeroorlel was dik bedekt  met transparante vlashaartjes.

Nu rechts. De grote schrijver keek met toegeknepen ogen over zijn brillenglazen heen. Hij kreunde kort maar hoorbaar. Ja, ook al. De rechteroorlel droeg ook al een tooi fijn haar. Maar het was minder uitbundig dan links. Was dat omdat zijn moeder hem met een twijg sloeg wanneer hij rechts schreef? Omdat hij anders nooit een grote schrijver kon worden. Alle grote schrijvers zijn immers links. Nu pakte hij de rechteroorlel tussen zijn rechterduim en wijsvinger. Een logische combinatie. Hij was geen motorisch wonder, maar zover was zijn 45-jarige lichaam inmiddels wel. Die fout zou niet meer gemaakt worden. Zij was ook al zacht. Of was het toch een hij? Gedachteloos keek Ko naar zijn hoofd. Correctie. Het was een langgerekte kop. Zoveel was duidelijk. Met een dunne mond er op en kleine ogen er in. Ook dat nam hij ter kennisgeving aan. Hij wreef, expres met de rechterhand, over zijn hoofd. Een kaal hoofd. Hij moest het erkennen. Het hoofd van de grote schrijver droeg allang geen tooi van zwarte haren meer. Een halve, gekantelde cirkel om zijn oren. Een halve Saturnus ring van zwart piekhaar. Ko draaide zich om en liep de natte ruimte uit. De natte ruimte, hoe verzon hij het toch? De literaire energie spoot in zijn hoofd in het rond. Zoals de fonteintjes op het plein.  Had hij zich gedoucht? Hij kon het zich niet meer herinneren. Misschien slechts een kattenwasje. Hoe dan ook, de grote schrijver liep terug naar de openstaande inbouwkast. Allemaal moltondekens lagen er in de kast. Slordig opgevouwen, maar hij gaf er geen zier om. ‘Voor kuisen maken we wel weer een andere keer tijd’, fluisterde hij tegen de dekens…


(Wordt uiteraard vervolgd, want Koning Winter is nog wel even in het land.)

BAH BAH BAH


De grote schrijver Ko te Let liep naar de begraafplaats. Dat vond hij fijn, de begraafplaats bezoeken. Een plek die de echte groter schrijver regelmatig dient te frequenteren, zo vond hij. Eventjes weer doordrongen worden van het onvermijdelijke heengaan van de mens.

Hij liep langs de grafstenen. Langs de baby’s, textielbaronnen, keuterboeren, de nonnetjes en de scooterpubers. De knuffelberen lagen er verlept bij, vond Ko. Daar zat een gedicht in. Knuffelberen met algenhaar. Dat beviel hem wel. Beer, keer, meer, teer. Of een verhaal over een dood meisje. Dat kon ook. Geschept door dronken Pool met een lui oog. Waarom niet? Dit overdenkende zag Ko twee bekenden. Ze stonden bij de gehandicapten. Het waren de dichter K. en de dichter J. Nou, ‘dichters’. Zover zou Ko niet willen gaan. Dat deed hij dan ook niet. Hobbyisten. Zover nog wel. Nog zonder een greintje talent ook. Ko te Let was een veel betere dichter en schrijver. En publicist. Presenteren kon hij ook beter. Nee, die twee konden hem niets bijbrengen in het métier.

Maar wat deden K en J daar? K. ritste zijn gulp snel dicht. J. keek betrapt. Ze hadden Ko al gezien. ‘Heren’, zei Ko. ‘Ko’, zei J. Er viel een stilte. Nu iets vragen. ‘Nog aan het schrijven?’ vroeg Ko. ‘Ja ja volop. Inspiratie te over.’ Ko zag de donkere vlek in het kruis van K. Die zat er net nog niet. J tuurde indringend op de grafsteen. ‘Familie?’ ‘Nee, nee. Gewoon inspiratie opdoen.’ K. spuugde een beetje. Hij had waterige oogjes, vond Ko. ‘En nog lekker geneukt, stelletje homo’s? Lekker inwendig bij elkaar inspiratie aanboren, hè. Lekker bij elkaar een piemel in het poepgat stoppen en dan lekker die drollen aanstampen. Lekker oef en ah zeggen in de bosjes. Oe oe oe ja. Lekker aan elkaars pik lebberen? De darmen doorspuiten en dan je manke rijmpjes schrijven bij moeder vrouw. Godverdomme. Godverdegodverdomme! En dan morgen lekker weer elkaars zaad over de wangetjes smeren. Gadverdegadvergadverdamme!’ Ko heeft nogal een aversie tegen homoseksuelen. ‘BAH BAH BAH BAH BAH BAH BAH BAH BAH BAH BAH BAH BAH BAH BAH!’. Er kwam een begrafenisstoet aan. ‘Nou, prettige dag dan maar weer hè?’, zei Ko. Hij draaide zich om en was niet erg tevreden met zichzelf.

Stapel pallets

De grote schrijver Ko te Let was op weg naar de poëzieschuur. Hij had zich gesneden bij het scheren en had een pleister op zijn linkerwang. Hij droeg een rode ribbroek, een beige kaftan en oude gaatjesschoenen. Op zijn hoofd had hij een alpino pet. Ja, dit was zijn schrijverskloffie voor literaire avonden. ‘De maan glinsterschittert in de spiegelstenen van de stad’, overpeinsde hij onder het lopen. ‘Dat talent, het is een straf. Die ingevingen komen maar. Nooit kan ik ze stoppen. Altijd maar die fantastische vondsten. Ik wil ook wel eens een avondje gedachteloos naar de tv staren. Maar ze blijven maar opborrelen.’ Nee, de grote schrijver juichte zijn talent niet toe.

Hij klopte op de deur van de poëzieschuur, een betonnen kubus in een achterafstraatje. En nog eens. Twee ritmische kloppen nu. De rode deur ging open. Een kleine man met een grijze baard stond in de kier. ‘Ja, kan ik u helpen?’ vroeg de man.  ‘Te Let. Ko te Let. Ik ben hier voor de literaire avond.’ ‘Ik ben één van de genodigden’, zij hij er iets harder achteraan. De man bekeek hem kort. ‘Ja ja ja. Kom d’r in. Ze zijn nog aan het opbouwen.’ Ko te Let was er niet zeker van. ‘U kent me toch wel?’ De man keek opzij. ‘Ja ja, u bent toch die schrijver hè?’ ‘En dichter’, antwoordde Ko. ‘Ja ja ja’, zei de man met een gekke krul om zijn bovenlip.

De ruimte was leeg, afgezien van drie mensen die bij een katheder stonden. Langs de zijkanten stonden een kapotte fiets, een houten tafel en lagen een stapel pallets. Er zaten gaten en scheuren in het gips van de wanden. De drie mensen lachten heel hard. Ko liep naar ze toe. ‘Hallo’, zei Ko. ‘Hallo’, zeiden de twee mannen kort na elkaar. De vrouw zei niets. ‘Ik ben Ko te Let. De schrijver, dichter en publicist.’ ‘Ah ja,’ zei de ene man. ‘Ik heb weleens iets van u gelezen. Iets met sneeuw.’ Ko wilde een waardeoordeel horen, maar vroeg er niet naar.

Er kwamen nog drie mensen. Twee vrouwen en één man. Eén man liep naar de katheder. Hij heette iedereen van harte welkom. ‘Bij de snackbar vier deuren verder kunt u blikjes bier halen’, zei de man. Hij had een bril op met een dik rood montuur. Er waren nu twaalf mensen in de zaal. Ko had geen hoge pet op van de voordragende dichter. Een jongen met vieze lange haren. ‘Kankerlijer’, dacht Ko. De jongen deed iets met klanken. Ko kon er weinig mee. Na afloop stond hij in een hoek van de ruimte. Te peinzen of hij nog wat standuppoetry te berde zou brengen. Nee, hij wilde niet wéér alle aandacht opeisen. ‘Ik moet me beheersen’, mompelde hij.

Concipiëren

De grote schrijver Ko te Let zat achter zijn groteschrijversbureau. Hij zuchtte en stak de brand in zijn pijp. Waarmee zou hij het Nederlandse taalgebied nu weer eens gaan verrijken? Hij stond op, trok aan zijn pijp en keek uit het raam. De buurman schoor de heg. Wel de heg scheren, maar de huur van deze maand betalen ho maar. Ko wikte en woog.  Een chanson? Een mooi stukje standuppoetry  of een rake observatie? Een luisterrijk gedicht?’ Met een gouden pennetje is het moeilijk kiezen. Hij smeerde een boterham.  En nog één. Lekker, pindakaas. Dat had hij graag. Hij zette water op. In zijn leesfauteuil wachtte hij tot hij het fluiten hoorde. De literator dronk de thee. Met zijn tong peurde hij de laatste stukjes uit zijn kies.  Hij stond op en liep naar de Ficus.  Nog nat genoeg. Toch maar wat erbij. Ko druppelde water in de pot. De Ficus kon er weer even tegen. Hij wreef de bladeren op met de punt van zijn mouw.  Niet te hard. Die mouwen moeten niet vies worden. Hij moest vanavond nog acte de présence geven op een literaire manifestatie. Ja, hij deed het liever niet, verschijnen op een literair samenzijn in de Poëzieschuur. Liever concipieerde hij de hele dag literatuur. Maar ja, ze vroegen hem. Altijd.  En dan moet hij komen.

Als groot schrijver heeft hij geen keus. Vindt Ko. Als hij niet komt, kunnen ze de deuren van de poëzieschuur wel sluiten. Dan komt niemand meer. Nee, voor de literatuur moest hij erbij zijn. Dan maakte hij zich er niet met een Jantje van Leiden vanaf. Zeker niet. Ko maakte er wat van. Hij zette zijn beste beentje voor. Liet zich alle versnaperingen en lofuitingen smaken. Ja, Men is gecharmeerd van zijn taalvernuft en lommerrijke stijl. Maar liever was hij er niet. Echt niet.  Alléén voor de literatuur! Dat u dat weet. Het liefst schrijft Ko heel de dag. Zoals vandaag. Ko liep naar zijn schrijversruimte. Wacht. Nog even een kopje thee. Want dadelijk zit hij midden in het creatieve proces.  Dan schiet eten en drinken erbij in. Uitdroging is niet ondenkbaar. Poeh, als hij eenmaal op stoom is… Hij zette water op en ging in zijn leesfauteuil zitten. Hij wachtte tot hij het fluiten hoorde. Hij herschikte zijn bril. HiHHHMet de thee liep hij naar zijn kantoor. Hij plaatste het kopje op een stapel papieren. Ze kwamen hem niet bekend voor.  Had hij die nu niet op een belangrijke document gezet?  Toch maar eens zien wat voor papieren het hier betreft. Straks blijkt een waardevol rechtsdocument bezoedeld door een theevlek. Dan heb je het gedonder in de glazen. Een huurder die zijn recht komt halen. Dat kan niet. Vel  voor vel bekeek hij de papieren. Hij stak de brand in zijn pijp. Hij legde de stapel terug en zette er zijn kopje op. Gelukkig, niets aan het handje. Hij trok tevreden aan zijn pijp. Nu kon hij zich weer volledig storten op het schrijftraject. Achter zijn groteschrijversbureau.

Newer posts »

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑