Je hoort het vaak zeggen of schrijven: het echte werk. Staat daar dan tegenover het valse werk, het onechte werk, het oneigenlijke werk?

Wanneer is er sprake van werk? Vrienden zoals K.C. noemen hun werk nepjob, kutjob ook, om den brode en verder niets. Zij werken dan ook zo zacht mogelijk. Ze doen niet het echte, harde werk.

Wie dan wel?

Buschauffeurs bijvoorbeeld. Of treinbegeleiders. Brandweermannen. Enz. Die worden dan ook vaak lastig gevallen, zelfs aangevallen. Zij werken hard. Zij worden hardhandig behandeld.

In België moeten treinbegeleiders bovendien niet alleen vervoerbewijzen of bewijzen van openbare vervoering controleren, ze moeten bij het omroepen op elk woord letten, op elke taal.

 

De hamvraag echter luidt: zijn politici harde werkers? Onder de politici zijn er inderdaad harde werkers, ze worden dossiervreters genoemd. Ze vormen een minderheid. De meeste besteden het harde werk uit aan ondergeschikten en steken van deze laatste de pluimen in eigen reet. Vandaar hun kreet: eigen reet eerst. Men noemt hen parasieten. Bij het pronken met andermans veren hoort men ze vaak verklaren: weer hard gewerkt.

Marc Tiefenthal
Marc Tiefenthal
In tijden van toenemende verdomming en groeiend nationalisme is het gepast, ha, erop te wijzen dat Marc Tiefenthal gemakkelijkheidshalve kan worden gecatalogeerd als Belgisch dichter, die zowel in het Nederlands als het Frans schrijft. In diezelfde context, stijgende verdomming en toenemend nationalisme, vraagt menigeen zich af waar de dichter verblijf houdt. Daar hij op twee plaatsen in de wereld verblijf houdt, dit is bilokaal woonachtig, heeft hij op het Groot Smoelenboek van de heer Sukkelberg, voor de lol Bobigny als woonplaats opgegeven. Kom hem daar maar niet bezoeken. Evenmin als in Menen, Ieper, Leuven, Bossière, Brussel, Antwerpen noch Temse, waar hij ooit gewoond heeft.