Het liederlijke landschap ligt halverwege de weg terug. Ergens daarin was de kruik nog niet gebarsten en lag ze gelaten op het water te dobberen. Dit alles zag de visser terwijl hij tegelijk zijn dobber in de gaten hield. De brochure van het centrum voor landschapsbehoud had gewag gemaakt van allerlei vissoorten, ook roofvissen. Hij had het echter gemunt op vegetarische vissen.
Doorgaans wist hij altijd hoe lang hij daar zat. Hij zat daar overigens alleen. Meestal ging hij vissen in gezelschap. Nu niet. Verderop, aan de overkant, zaten twee figuren te vissen. Ze spraken geen woord.
Het eerste halfuur hadden zijn gedachten gezworven, van het ene naar het andere, met als rode draad: ‘Moeder, waarom wij? Daarna bleef zijn hoofd leeg. Hij had een praatje kunnen maken maar er was niemand.
Toen had hij beet. Drie kwartier later had hij een kanjer op het droge gehaald.


Reactietjes