Het heeft niet veel weg van winterweer, o jee, weer zo’n sprankelende zin, zo’n dun laagje sneeuw, dat nauwelijks twaalf uur blijft liggen.

Het brengt ons heel even in stemming.

Het bezorgt de vogels een rotstemming. Ze vinden nauwelijks nog voedsel. Hun drinken bevriest.

Het heeft dus weinig goeds om het lijf. We gaan ook niet echt rillen. Noch worden we humeurig. We kijken onze buren met een glimlach aan. Ze zullen het later bezuren. Nu doen ze nog zoet.

Bij de bandenwinkels slinkt de voorraad winterbanden. Het vogelvet hangt weer volop in de bomen.

Hier zou ik moeten stoppen. Maar de radio speelt gepaste, licht romantische muziek, doorspekt met klokjesgeluid dat helder weerklinkt, weet je wel. Of weet je veel.