Laat ons gaan, mijn vriend, mijn held, mijn broeder! Wij zullen verse broden stelen op de markten, en vluchten door de warme stegen vol mensengedruis. Laat ons gaan, en vanaf de stoffige trappen van kathedralen de stadsmeisjes nakijken. De nacht ten dans vragen, en op de muziek uit open lichtvensters weggevoerd worden, naar de velden, naar nieuwe dagen, naar tempels in orgelspelende wouden. We moeten reizen. Waar is het grote vuur? Waar ligt de rechtvaardiging voor ons solipsisme? Wij zullen rennen, mijn kameraad, mijn koning! Kinderen zijn wij nog, met onze broze eierschaalschedels, en ons vlees dat te zacht is voor vreemde klimaten. Wij moeten leren om held te zijn, dwaas te zijn, in leven te zijn! Natuurlijk zal onze tabak naar thuis smaken. Natuurlijk zullen wij van de heimwee eens huilen, in stationsgalerijen onder de blauwe schemering. In onze vieze kleren, in onze bezeten dagdromen. Maar er zullen treinen komen, er zal liefde zijn, en leven! Steden zullen branden aan de horizon! Wij zullen soldaten worden, in duizenden wereldoorlogen! Wij tegen de wereld! De wereld, mijn zoon, wil ons bloed. Laten wij het haar geven!
Solipsisme
Escapade
Met een jongedame ging ik wandelen in de heuvelen. Het was nog vroeg, maar de boerderijen waren al onnozel van hitte. De zandwegen krompen ineen onder het gonzende gelach van het jaargetij. Het land was verminkt door mislukte oogsten. Tussen de wiegende paardebloemen lag een haas te ontbinden. In zijn ogen woonden bromvliegen met turkooizen ruggen. Verderop plukten wij de veldbramen uit het dauw. Zij droeg haar lange witzilveren rivieren los. We zoenden in een afgelegen wijngaard, en kleedden ons uit. Haar heilige borsten lagen in mijn klauwen, die zwart waren van het steengruis en het zweet. Spreeuwen leerden vliegen. De zon was een vulkaan. Toen het halfdonker kwam keken wij naar de sterren. Wij slurpten het licht uit de hemel. Melkwegen vloeiden in onze strotten. Plotseling klonk er gehuil in de lage bergen. Wolven jakkerden hijgend door de zomernacht, onze geursporen nasnuffelend in wilde honger. Wij vluchtten een meer in. Ons naroepend verdwenen de wolven terug het woud in. Toen zocht de maan ons, als een bange moeder in de wind. Ze verliet haar azuren paleis, maar wij waren al verdwenen, met blote voeten op het duister, over de heuvels waar niemand was. Bij het krieken van de morgen nam een oude boer ons mee terug naar de dorpen. Vanaf de ratelende kar zagen wij vuurrode paarden door de hemelgewelven rennen.
Uit: Brieven aan mijn idolen, door Nathan van der Garde
Geachte Karst, ik ben Nathan van der Garde, maar dat zal niet lang meer duren. Een dezer dagen ga ik mijzelf van kant maken. Het spijt mij dat ik u hiermee lastigval, maar anders weet niemand van mijn zelfmoord, en dan is die al net zo nutteloos als mijn leven. Toen ik op de televisie zag wat je gedaan had, moest ik huilen. Niet omdat ik het erg vond, maar omdat ik het had willen doen. Heus, ik ben geen haatdragend persoon, maar op een groep mensen inrijden met een Suzuki Swift lijkt me geweldig. Mijn vrouw is weg. Sinds een half jaar. Met ene Antonio, een kerel uit Spanje. Volgens mij zijn ze naar Bolivia gegaan, of iets anders in die richting. In ieder geval zit ik alleen thuis, en speel ik heel de dag met mijn roede. Normaal deed zij dat, maar ze is weg. Nu doet ik het zelf. Het leven is zo bekeken eigenlijk heel simpel. Hoe ik wil sterven weet ik nog niet. Laatst ging ik naar de bioscoop, maar van de film weet ik niets meer. Ik heb alleen maar popcorn zitten eten, en manieren zitten bedenken om dood te gaan. Wat dacht u ervan als ik explodeerde? Niet in een bus, zoals al die Arabieren doen, want dat is achterbaks. Nee, ik bedoel gewoon ergens waar niemand het ziet. Midden op het IJsselmeer bijvoorbeeld, of in een pashokje bij de Hema. Er is keuze genoeg, zo blijkt alweer. Ik haat keuzes maken. Daarom houd ik mijzelf ook maar voor dat mijn zelfmoord geen keuze zal zijn. Het is noodzaak. Mijn baas bij de AKO, een Antilliaan die Quincy heette, zei altijd dat we moesten ?doorstromen?. Daarmee bedoelde hij harder werken. Ik haatte dat woord van hem, maar nu wil ikzelf maar al te graag doorstromen. Naar de volgende wereld, en die daarna, en die daarna, totdat ik niet meer verder kan. Ik dacht vroeger altijd dat suïcidaal zijn erg was. Maar het is hetzelfde als nodig moeten poepen. Je moet het gewoon doen, want dat lucht op. Als ik heel eerlijk ben weet ik niet eens echt echt echt zeker of ik wel dood wil. Omdat ik niet weet wat dood zijn is. Ik heb wel veel platgereden kikkers op fietspaden gezien. Daar werd ik niet blij van, dus misschien is de dood wel treurig. Kun je mij terugschrijven en er iets over vertellen? Bij voorbaad dank, met vriendelijk groet, Nathan ]]>
Uit: Brieven aan Jasmijn, van Polo de Bakker
Asbak
Met het topje van de bepleisterde wijsvinger van zijn rechterhand drukte Edwald krachtig tegen de borstkas van Ezechiël. Hij had aan zijn Storm-collectie gezeten, en dat maakte Edwald woedend. Niemand mocht weten dat hij Storms verzamelde. De wereld heeft al genoeg mensen die zich blootgeven terwijl niemand daar behoefte aan heeft, zo vond hij.
-‘Als jij nog ze nog een keer aanraakt, zet ik je eruit, godverdomme!’ schreeuwde hij recht in het gezicht van zijn door ernstige depressies geteisterde neef. ‘Sorry,’ zei Ezechiël op nederige toon, ‘maar als het internet weer eens niet werkt, moet ik mij wel afrukken op Roodhaar’s tieten. Kom op, jij snapt dat beter dan wie dan ook. Jij kent mij, Edwald, of je het nu leuk vind of niet.’ Er weerklonk iets van wanhoop in zijn stem. -‘Jij ? kent – mij.’ zei hij nog eens, en om zijn woorden nu wat meer kracht bij te zetten, sloeg hij met de asbak op de tafel. Die asbak hadden zij gratis bij de videotheek op de Thorbeckelaan gekregen. Ze kwamen daar al vijf jaar elke week op woensdag. Ezechiël stond dan vaak verveeld uit het raam te kijken, en stelde voor om weer een film te huren. Edwald zei nooit meer wat hij echt dacht, namelijk dat hij een teringhekel had aan films. Toen hij dat een keer zei, begon Ezechiël te schreeuwen en te tieren. Hij heeft toen Van Oorschot doodgegooid tegen de muur. Van Oorschot was de hamster van Edwald. Ezechiël woonde nu alweer drie jaar bij zijn achterneef. Aanvankelijk zou hij weer verhuizen zodra hij een woning voor zichzelf gevonden had, maar door zijn depressies kwam er niks van. Er kwam eigenlijk niks van heel Ezechiëls leven. Hij zat al drie jaar op de bank en keek huurfilms. Telkens weer zijn drie favorieten. Blues Brothers, Dirty Dancing en Nosferatu.
Elke avond zat hij, lelijk als een debiel paard, te bulderen van het lachen voor de televisie. Dan weer om James Belusci, dan weer om Patrick Swayze, maar nog het meest en het hardst om die vampier. Buiten liep het volk zingend en scanderend in de straten. Iedereen protesteerde tegen de Derde Wereldoorlog. Waar deze was wist niemand, maar het stond nu al 3 maanden elke ochtend in de krant, en men was het spuugzat. De twee neven maakte het allemaal niets uit. Vandaag was voor hen een speciale dag. Drie jaren vol opgekropte ergernis kwamen tot een climax, en nog geen Vierde of zelfs maar Vijfde Wereldoorlog kon dat verhinderen. Het was nu of nooit. Met een diepe zucht frommelde Edwald gefrustreerd aan zijn overhemd. ‘Niet te geloven, jongen, niet te geloven.’ prevelde hij, en stak met bibberende handen een sigaret aan.
Ezechiël bleef angstvallig stil, met de asbak nog steeds in zijn hand. Woorden kun je kracht bijzetten door op de tafel te hengsten met een asbak, maar bij stilte kan dat niet.
Europa
Europa, oude meester! U maakt mij niets wijs. Ik heb uw morgenhemelen van opaal gezien in de spiegels van wagens vol rook en muziek. Ik heb van uw stormen geproefd door open raampjes, wetend dat u mij lokte. Dwaas oud continent! In al uw steden waar de zon ondergaat schuilt U. Men zou u moeten behandelen als een schiereiland van Azië. Als een bejaarde man die op zijn eigen benen kotst. Uw theaters zijn overgenomen door de spinnen. Europa, een kaars bent u, die doven moet om het duister te verslaan. De barbaren van uw bossen, de culturen die uit uw zeeën opstonden, de volkeren van uw ijs; allen zijn Amerikaan geworden. U bent de oude, de stervende, de halfdode. Uw grond is sterk, maar de mensen zullen verwaaien. En mocht u het willen weten: Nietzsche was de laatste die nog om u gaf.
© 2026 KutBinnenlanders.nl
Theme by Anders Noren — Up ↑


Reactietjes