KutBinnenlanders.nl

Categorie: Soul Food (Page 2 of 3)

In the early seventies, mister Soul Food (born ‘Seelefutter’, Frankfurt am Main, May 5 th 1955) maintained an intense friendship with Long Island-raised, American popmusician Lou Reed.
As a kind of a tribute to his German-born apprentice, the NYC-man Reed dedicated one line of his famous song Walk on the Wild Side to mister Seelefutter, which means ‘Soul Food’ in English:
‘Looking for Soul Food and a place to eat’. (second line of the forth stanza.)
Since that time, Seelefutter strolls through life as his alter ego ‘Soul Food’. Under this name, the bloke produced some of the most enticing blogposts ever composed, which can all be found on our website.
In recent years, Soul Food received several extremely prominent, international blogawards.
For example: The 2007-edition of the ‘Blog your ass off-award’, probably the most notable honour a blogging creature on the surface of the world can possibly gain.
© Soul Food, all rights reserved

De nieuwe twintig

Volgens de damesmagazines die de jongste jaren in zulk groten getale de vaderlandse kiosken opsmukken, schijnt ‘veertig de nieuwe twintig’ te zijn. Voor vrouwen geldt dat wellicht. Dames van middelbare leeftijd die, geïnspireerd door de televisieseries van over de oceaan, gehuld in een spannende outfit met tijgerprint, op hakken van twintig centimeter, in het weekend samen met hun vriendinnen de stad in gaan, teneinde jonge, soms nog betrekkelijk groene knapen van een jaar of achttien, negentien op te duikelen.

Voor mannen doet dit credo geen opgeld. Kan ik u uit betrouwbare bron verzekeren. De jongste zaterdagavond van mijn leven, afgelopen zaterdagavond dus, trok ik mijn stoute cowboylaarzen aan, teneinde mij tussen het jonge grut van het uitgaansgewoel te gaan mengen. Let’s mingle, dacht ik blijmoedig. Haartjes gekamd, halve pot gel omgekeerd, laarzen en tanden gepoetst, kraag omhoog en blazer los: ik was er klaar voor.

Zelden een grotere deceptie meegemaakt in mijn leven. Wanneer je als oudere jongere, en zo zou ik mezelf toch wel willen duiden, een behoorlijk lange tijd niet bent uitgeweest, kan het zomaar zijn dat je de voeling met de jongere generaties een ietwat bent kwijtgeraakt. Te beginnen met de taal, waarvan de jongerenvariant een abracadabra is, waar voor een ouwe lul zoals ondergetekende geen touw aan vast te knopen is: een lauwvetcooldopechille turbotaalvariant…

Enfin, een lang verhaal kort, ik heb het wel degelijk geprobeerd, die avond, om een paar jonge meiden op mijn versierkunsten te vergasten. Het haalde niet veel uit. Alles wat ik zei, in mijn archaïsche, Dickensiaanse taal – de dames in kwestie zullen vast en zeker nooit van deze Engelsman gehoord hebben – , verdampte à la minute, alsof de woorden nooit gesproken waren. De meiden, zonder uitzondering appetijtelijke freules in rokjes zo kort als waren het uit de kluiten gewassen ceinturen, keken me aan alsof ze water zagen branden.

Gedesillusioneerd, met een erectie die alras in grootte afnam, verliet ik de danskroegen en disco’s van de stad. In een shoarmazaak iets buiten het centrum likte ik mijn wonden en verorberde een pizza capriciosa, vergezeld van een cola light.

Vanaf heden zal ik nog slechts horecagelegenheden frequenteren, waar uitgebluste vijftigplussers hun olifantenstijldanspasjes ten beste geven.

Ach wat, misschien zit er wel een vitale oma tussen die nog genoeg energie heeft voor het een, en ook het ander.

 

Pak de agenda maar: 26-10

Er is weer eens iets te doen!

Wat: Presentatie van ons VIJFDE boekje!

Wanneer: 26 Oktober aanstaande, ’s avonds (tijdstip volgt nog)

Wie: Iedereen met interesse want het wordt weer een leuk programma

Waar: Galerie Kokon, Stationstraat 38/40

Waarom: KutBinnenlanders.nl vijf jaar, vijfde boek, 14 auteurs, dus feestje!

Is de rug van het boekje niet fout: Ja, we kunnen niet Photoshoppen.

 

Mijn achterneef Evrard

Mijn achterneef Evrard is niet helemaal goed bij zijn hoofd. Tenminste, zo noemen ze dat dan. Ik denk stiekem weleens dat hij simpelweg helemaal geen zin heeft om aan deze krankzinnige, hectische, digitale tijd mee te doen, dat hij zich daarom onnozel houdt, terwijl er in dat grote, logge hoofd van ‘m allerlei diepzinnige, wijsgerige thema’s om voorrang vechten. Misschien heb ik het mis, maar ik zal u een voorbeeld geven, wellicht ziet u dan wat ik bedoel.

Laatst had ik wat vrinden en familie over de vloer, ik vierde een promotie. Mijn vrouw Elsbeth en ik hadden ons best gedaan om de lekkerste drank, de meest exclusieve kazen in huis te halen, om mijn professioneel opstapje ook in culinair opzicht de nodige luister bij te zetten. Ook mijn lievelingsachterneef en zijn ouders had ik uitgenodigd. Hij zat zich in een hoekje van de achterkamer wat te vervelen, pulkte in zijn neus en schoof wat lego-figuurtjes van mijn zoontje Thim op en neer, in de buurt van een brandweerkazerne en een politiebureau.

Op een gegeven moment kwam het kringgesprek in de voorkamer op het thema Midden-Oosten, en meer specifiek het eindeloos voortdurende Israëlisch-Palestijnse conflict. Wij, de, hoofdzakelijk, heren – een enkele dame – , lieten onze hersenen kraken op deze loodzware, gecompliceerde materie. Nadat we een minuut of twintig hadden gebabbeld over dit haast onoplosbaar geschil, verzuchtte ik luid, als een soort van resumé en tegelijk slot van onze gezamenlijke politieke hersengymnastiek:

‘Dit dossier is zó ingewikkeld, daar zal geen Amerikaanse president in duizend jaar toenadering en bestendige vrede kunnen brengen’. Stilte. Een zwijgend instemmen.

Plotseling kwam Evrard op zijn geruite pantoffels aangesjokt, een lego-poppetje (een brandweermannetje) in zijn hand, en zei, totaal out of the blue:

‘Is toch niet zo moeilijk: als allebei de kanten vanaf morgen niet meer gaan vechten, is het morgen vrede.’

Deze keukenmeidenwijsheid explodeerde als een grote, witte ballon boven de hoofden van het verzameld groepje intellectuelen, dat zich juist het hoofd had gebogen over wellicht het meest complexe politieke probleem van de laatste halve eeuw. Verbazing over zoveel filosofische eenvoud en daadkracht ging er door mijn hoofd, en ik ben ervan overtuigd niet alleen door het mijne.

Oom Balts stond op, sloeg zijn dikke worsthanden op elkaar en sprak op luide toon:

‘Hoera! Een applaus voor de Nobelprijswinnaar voor de vrede: Evrard Tuinier!’

We stonden allen op, in een mengeling van ironie en oprechte bewondering voor de jonge wijsgeer, en trakteerden hem op een daverend applaus. Mijn lief Elsbeth zette deze lofbetuiging extra kracht bij door een enorme punt bosbessenvlaai – met een al even reusachtige toef slagroom – voor Evrards neus te zetten. Zijn ogen begonnen te schitteren, de jongen is een echte zoetekauw. Wat voorovergebogen, verlegen gemaakt door de plotselinge aandacht, schrokte hij zijn punt ijlings naar binnen, waarna mijn vrouw een nieuwe punt, deze leek nog groter, voor de neus van de nieuwbakken Nobelprijswinnaar plantte. Ook deze lekkernij was een uiterst kort leven beschoren.

Het gesprek in de voorkamer werd hervat, dit keer was het onderwerp: vliegbelastingen.

De boog kan niet altijd gespannen zijn.

 

Wil tot ontplooiing

Ik had het ’n beetje gehad met het daten van Hollandse dames, ik zocht een vluchtroute. Een stok tussen de wielen van mijn maandelijkse date-routine. Duitsland zou het worden: verandering van spijs doet verorberen. Ik besloot me aan te melden bij de grootste gratis datingsite van onze oosterburen, onder de naam ‘Hans Theodoor’, mijn doopnamen.

Uit financieel en praktisch oogpunt besloot ik als woonplaats ‘Mönchengladbach’ op te geven. Mocht het tot een lijfelijke ontmoeting komen, dan zou ik daar kunnen afspreken, wat aangaande het vervoer minder ribben uit mijn lijf zou kosten dan rendez-vous in pakweg Frankfurt an der Oder, Stralsund of Görlitz. Een tochtje vanuit mijn woonplaats – de ‘metropool’ Weert – richting Mönchengladbach, was uitstekend te doen.

Reeds na drie dagen meldde zich een serieuze kandidate in mijn inbox. Het bleek ene Claudia uit Wickrath, een gehucht onder de rook van de Duitse stad waar ik zogenaamd domicilie hield. Ze bleek drie jaar ouder dan ik (achtendertig om vijfendertig jaar), wat op zich geen probleem was voor mij, jonge meiden van een jaar of twintig zijn wellicht makkelijker te krijgen, maar ook moeilijker te houden. Ik vond het best, haar relatief rijpe leeftijd.

Het Hauptbahnhof van Mönchengladbach gaf een aardige aanblik in het zachte voorjaarslicht. De zon kleurde mijn gemoed en gaf het bosje bloemen dat ik uit Holland had meegenomen, een nóg fraaiere glans. Om klokslag 13.00 uur ontwaarde ik haar in de krioelende menigte. Ze herkende mij direct. Een nog wat onwennige kusprocedure volgde, waarbij ik haar mijn boeketje overhandigde en zij een (gemeende of gemaakte) glimlach op haar gezicht toverde.

Ze zag er alleraardigst uit. Een strakke, zwarte maillot toonde twee gespierde damesbenen. Daarboven een blauwe spijkerrok en een dun, beige truitje. Haar voeten zag ik niet, die waren gestoken in bruine, suède laarzen tot net onder de knie. Al bij al een tamelijk vlot voorkomen.

We besloten een romantische wandeling te gaan maken in haar woonoord Wickrath. Dat wil zeggen, we besloten een wandeling te gaan maken, of hij romantisch zou zijn, dat moest nog blijken natuurlijk. Ze had enkele dagen voorafgaand aan onze afspraak, aan mij voorgesteld het park van het plaatselijke slot te bezoeken, blijkbaar de trots en glorie van ’t petieterige plaatsje. Ik vond het best. Hoewel ik bij kastelen dikwijls zoiets heb van: heb je er één gezien, heb je ze gelijk allemaal aanschouwd.

Dat bleek reuze mee te vallen. Het barokke gebouwencomplex, uitgevoerd in een warme zalmtint, lag er schilderachtig bij tussen het ontluikende voorjaarslommer. Zoiets had ik nog niet eerder mogen aanschouwen, een chateau, uitgevoerd in zalm. Snel nam ik wat foto’s met mijn uit Holland meegesjouwde spiegelreflexcamera. Mocht mijn date op niets uitlopen, dan had ik in ieder geval een fraaie serie prenten om later te bewerken. U moet weten, ik ben een succesvol hobbyfotograaf, mijn opnamen stonden reeds in verscheidene magazines.

Claudia stak een sigaret op. Dat was nieuw voor mij, het feit dat ze rookte, op de website had ze duidelijk aangegeven een ‘Nichtraucher’ te zijn. Het is een niet onbelangrijke kwestie voor mij, aangezien ik sinds jaar en dag geplaagd word door een behoorlijk hardnekkige vorm van astma, geen kattepis, kan ik u verzekeren. Derhalve vroeg ik haar (op een uiterst beschaafde manier, met een volledig neutrale intonatie) waarom ze mij verzwegen had dat ze rookte. De felheid van haar respons verbaasde mij. Ze reageerde als door een wesp gestoken. Ik kreeg een uitgebreid betoog voor mijn kiezen. Dat het mijn zaak niet was of ze rookte of niet. Wat het mij kon schelen dat ze haar longen zo zwart als teer pafte. Dat ik me beter met mijn eigen gewoontes kon bezighouden, en dat het volgens haar uiterst ongepast was op date numero uno, over een futiliteit als het roken van een onschuldig sigaretje te beginnen.

Een kort moment was ik met stomheid geslagen. Ik bespeurde echter veel verdriet achter haar boosheid, zodat ik mijn aanvankelijke gepikeerdheid, nobel aan de kant schoof. Ik stelde haar de vraag of ze weleens geprobeerd had te stoppen met roken, en hoe haar dat was afgegaan. Toen kwam de aap uit de mouw. Een opmerkelijke junglebewoner: ze vertelde me dat ze ruim twee jaar nicotinevrij was geweest, totdat ze één dag voor ons afspraakje er weer drie had opgestoken, vanwege de spanning om onze ontmoeting. Ze vreesde dat het hek nu van de dam was. Een terechte angst, wist ik als ex-alcoholverslaafde.

Ik sloeg een arm om haar heen. Wellicht net iets teveel affectie voor de gelegenheid, immers, ik was de oorzaak van het feit dat ze weer haar vermaledijde ‘softdrugs’ tot zich had genomen. ‘Liebling, ich bin da für dich.’ Reeds terwijl ik ze sprak, walgde ik van mijn eigen hypocriete woorden, die slechts één ding tot doel hadden: haar die nacht in bed krijgen. Van een serieuze relatie, wist ik toen reeds, zou nooit ofte nimmer sprake kunnen zijn.

Een donker wolkenveld van melancholie trok over mijn zielsconstructie, pardoes verworden tot een uiterst labiel bouwwerk, niet de stevige vesting waarvoor ik haar hield. Ik voelde een depressie, waartegen ik nochtans medicijnen slikte, opkomen. Daar had ik niet op gerekend, deze op het oog onschuldige voorjaarsdag. Intuïtief nam ik mijn camera ter hand en besloot het schoeisel van Claudia te fotograferen. Haar verfijnde, suède laarsjes met de kittige bontkraagjes. Leuke stillevens om later, tijdens het nabewerken, artistieke kunstwerkjes van te maken. Ze vroeg mij met een doorbrekende lach op haar gezicht, waarom ik zo stupide was uitgerekend haar laarzen op de gevoelige plaat te zetten. In plaats van haar te antwoorden, zoemde ik in op haar groene irissen, die mij dromerig onzeker aanstaarden. Plots voelde ik de onweerstaanbare drang, mijn camera neer te leggen en haar te kussen. Dit deed ik, ongeacht de gevolgen. Die waren draaglijk: ik versmolt met haar. De nicotinelucht die uit haar mond kwam probeerde ik te negeren, iets wat mij wonderwel lukte. Haar tong bezat kwaliteiten die de negatieve aspecten naar de achtergrond wisten te verdrijven. Toch slonk mijn penis in mijn broek. Ik zat middenin een persoonlijke crisis, zoveel was mij duidelijk…

Wat sta ik hier te tongen, in een vreemde stad in het buitenland, met een vrouw die ik nauwelijks ken en waarvan ik nooit houden zal, schoot er door me heen. Verwerd ik plots tot een kleinburgerlijk moraalmannetje? Nee, dat was het niet. Au fond had ik niets tegen de routine van mijn losse sekscontacten, die met lelijke hanenpoten in mijn agenda stonden genoteerd. Het was niet het morele aspect dat mij dwars zat. Het ging om het mistroostige karakter van mijn seksondernemingen: ik liet ergens in een vreemd huis in een vreemde stad, een kwakje achter bij een vrouw die beter verdiende. Namelijk een vent die wezenlijk om haar gaf. Die haar oprecht liefhad om haar plus- én minpunten: om haar sores, haar verdriet, haar schijnbaar onbetekenende, maar dierbaar gekoesterde, kleine gelukzaligheidjes… haar make-up-loze zondagochtendgezicht. Niet een zakkenwasser zoals ik, die slechts zijn balzak achterna loopt, ten bate van zijn spermaproductie.

Wat voelde ik mij plots een schlemiel. De depressie die zich eerder reeds had aangekondigd, was nu totaal. Ik excuseerde mij bij mijn afspraakje, haar achterlatend in totale verbouwereerdheid, en sprintte linea recta naar het stationnetje van Wickrath, om mij van daaruit naar het tien kilometer noordelijker gelegen CS van Mönchengladbach te laten vervoeren. Ik had geluk met de aansluiting, de trein naar Venlo liet niet lang op zich wachten. Als ik mazzel had was ik voor etenstijd thuis. Ik had nog wat rode kool in de diepvries zitten; lekker, met appeltjes en hachee.

De opluchting had zich van mij meester gemaakt, dat ik op z’n minst in mijn hoofd de beslissing had genomen, een streep te zetten onder een levenspatroon dat een kerel wiens leeftijd langzaam maar gestaag richting de veertig jaar kruipt, niet meer past. Een existentie vol ‘geluksbelevingen van enkele seconden’. Nu moest de inhoud van mijn broek nog gaan uitvoeren wat mijn hersenen zich hadden voorgenomen: geen eenvoudige klus.

In de trein nam ik plaats tegenover een dame die ik schatte, ergens diep in de tachtig. Ze las een boek van een Duitse auteur van wie de naam geen belletje bij mij deed rinkelen: Wolfram Gutenstein, Wille zur Entfaltung. De wil tot ontplooiing: wat een geniale titel! En een op een van toepassing op mijn leven. Dat boek moest ik hebben, koste wat kost! Het zou weleens het geheim, de sleutel, tot het leiden van een harmonieuzer bestaan kunnen bevatten.

‘Ein gutes Buch?’ De vrouw liet haar leesvoer enkele centimeters zakken, nam mij vanachter een strenge leesbril geringschattend op, en antwoordde: ‘Sehr. Übrigens, Sie stören mich’, waarna ze stoïcijns verder las alsof ik niet bestond.

Misschien was dat wel zo. Mogelijkerwijs bestond ik niet, moest mijn leven als een futiliteit beschouwd worden; als een ‘rakelings scheren langs een afgrond’, zonder uitgesproken doel of plan.

Aan mij de taak mijn bestaan substantie te gaan geven, in de toekomst.

 

Overleven

Ook ik besef, achteraf, dat het dom was om te proberen met een paar kilo heroïne, de stadstaat Singapore binnen te komen.

Natuurlijk, ik wist van het fascistische beleid van het betreffende land, met betrekking tot opgepakte drugsdealers. Geen genade: een ‘legale staatsdood’ is de standaard repercussie. Geen appetijtelijk vooruitzicht. Aan de andere kant, had de Singaporese douane mij niet gepakt, ik zou nu als god op Hawaï leven, voor de rest van mijn leven financieel onafhankelijk.

De werkelijkheid was harder en gruwelijker. Toen ik vier maanden geleden op de luchthaven in mijn kraag werd gevat, wist ik meteen hoe laat het was: een uur ’s middags en het uur U. Het einde van mijn bestaan op aarde had ik zelf ingeluid, met mijn onbezonnen daad van jeugdige overmoed. Een schending van de meest basale rechten van de mens, men behoort een persoon niet de wereld uit te helpen, enkel omdat hij wat poeder vervoert. Desalniettemin had ik me neer te leggen bij het krankzinnige regime van de Aziatische dwergstaat. Een gezag dat zo blind is voor de tijdsgeest, dat ze niet eens de tegenwoordigheid van geest bezit, het onschuldige herenblaadje Playboy te gedogen.

Ondertussen zit ik in de puree. De Nederlandse ambassade heeft uiteindelijk niets voor mij kunnen betekenen. De Singaporese machthebbers waren onvermurwbaar. Over een week vindt mijn executie plaats. Ik ben er rustig onder. Mijn pleegvader – mijn biologische ouders zijn niet meer in leven – spreek ik de ochtend van mijn einde voor de laatste keer; via de telefoon. Hij kan het niet opbrengen naar Azië te vliegen, zijn kwetsbare hart zou overlopen met emoties. Begrijpelijk.

Sinds twee maanden schrijf ik via Amnesty International met een Duitse vrouw, Monika uit Heilbronn. Zij verloor ooit, alweer jaren geleden, haar eigen zoon vanwege een soortgelijk drugsvergrijp. Het lucht op met haar te corresponderen. Het geeft de laatste weken van mijn leven een bepaalde verlichting, misschien zelfs zingeving. Hoewel je je kunt afvragen wat voor zin het heeft om een tweeëntwintigjarige jongeman van het leven te beroven, in plaats van hem laten we zeggen zeven jaar in de cel te gooien, waardoor hij nog de mogelijkheid heeft zijn leven te beteren.

Gister had ik mijn beste vriend aan de telefoon. Hij zwoor dat hij nooit in zijn leven één voet zou zetten op het grondgebied van een land, waar ze de doodstraf hanteren voor het bezit van of de handel in drugs. Deze gelofte sterkte mij. Het was een emotioneel gesprek. Tranen vloeiden. Aan beide kanten.

Over zeven dagen ben ik historie. Ik probeer de dagen en de nachten – ellenlange geduldexercities – door te komen, met het denken aan wijlen mijn ouders, mijn pleegvader, mijn beste vrienden, Monika. Ik zal overleven. Misschien niet in dit leven, maar mijn free spirit zal overleven.

Ik moet denken aan de woorden van de Amerikaanse acteur Steve McQueen, in de slotscène van het meesterwerk Papillon:

Hey you bastards, I’m still here!

 

Velden noch wegen

Hij staat buiten. Na zeven jaar onterechte gevangenschap; aanhoort het heldere gefluit der vogels. Als verwelkomden zij hem persoonlijk. Een merkwaardig gevoel, te kunnen gaan en staan naar believen.

In zijn knapzak niet veel. Een handvol muntgeld. Enkele brieven van een oude vriend. Een halsketting met herinneringen. En een schone lei.

Hij kijkt om zich heen. Het groene, door regenwater gezuiverde struikgewas. Een strakblauwe hemel. De weg richting station.

Zijn vrouw is te bekennen. In velden noch wegen.

 

Vluchtroute

Het is oorlog. Oorlog in huize ondergetekende. Oorzaak: de afstandsbediening, een apparaat dat wellicht beter niet uitgevonden had kunnen worden, door de natuurkundige slimmerik die haar in de jaren vijftig van de vorige eeuw aan zijn brein liet ontspruiten. Dat zou heel wat echtelijke ruzies hebben gescheeld.

Het is woensdagavond. Ik wil voetbal zien. Voetbal: oh nobele, poëtische sport, fysieke kunst tot in de hoogste graad!

Zij wil een film zien. Zo’n op ware gebeurtenissen gebaseerd, Amerikaans drama. Tranentrekker eerste klas. Kitsch. Vrouwenvoer. En nu is het dus oorlog, aangezien de tv op de slaapkamer stuk is, een vluchtroute voor deze of gene, is afgesneden. Kop of munt. Kop. Ik trek aan het kortste eind. Dan maar op café. Een goede reden om me te gaan bezatten.

Waarom heeft De Heer mij niet opgezadeld met een eega, gezegend met een behoorlijk ontwikkeld sportgen?

Men heeft het in het leven niet voor het uitzoeken, mijmer ik in mezelf, terwijl ik een inventieve carambole over drie banden besluit met een flinke hap in de schuimkraag van mijn koele pilsje. De club staat 0-3 achter.

 

Buggy

Het kerstdiner van twee jaar terug was een groot succes. Tot op een bepaalde hoogte. Met het etentje an sich was niet veel mis. Echter, een diner is méér dan slechts voedsel tot je nemen.

Wij, mijn lief en ik, hadden een klein restaurantje geboekt dat bekend stond om zijn uitstekende kwaliteit voedsel, voor betrekkelijk redelijke prijzen.

Inderdaad, de drie gangen die wij tijdens de late zitting tot ons namen, waren niet te versmaden.

Gerookte zalm op een aardappelpannenkoek met limoencrème en bieslook, hertenbiefstuk met kastanjechampignons en gebakken schorseneren, geserveerd met peper-cognac-saus, chocoladefondant met een sorbet van bloedsinaasappel. Drie gangen om je vingers bij af te likken, wat wij dan ook deden, tijdens het nagerecht.

Na afloop koffie, vergezeld van een allerminst bescheiden bonbonselectie, en onze avond kon niet meer stuk. Bleek perfect. Was een droomavond. Een die mij nog decennia lang heugen zou, zo schatte ik in.

Toen pakte ze mijn hand vast en vertelde me dat ze een kind van me wilde.

Ik weet niet hoelang exact ik buiten westen ben geweest, misschien vijf minuten, mogelijk een half uur. Toen ik weer bijkwam keek ik in het geschrokken gezicht van de meelevende gerant, die ongetwijfeld dacht dat er iets met het eten mis was geweest. Hij bood ons een dinerbon aan, iets wat hij ons, zo verzekerde hij mij, op z’n minst verschuldigd was. Ik vond het best, ik wist dat mijn wegvallen een andere oorzaak had gehad.

Twee weken terug zag ik haar weer. Een jonge knul, haar nieuwe minnaar, aan haar zijde, niet overmatig knap maar ook niet echt lelijk, ergens tussenin. Ze duwde een buggy voort. Dat had mijn koter kunnen zijn, dacht ik vol melancholie en zelfbeklag.

Toch was ik op een bepaalde manier opgelucht.

 

Mijn kotmadam

Ik heb ’n tijdje in het Belgische Leuven gestudeerd. Anderhalf jaar, zo lang duurde die blue monday. ’n Alleraardigste tijd, de inheemse bieren zijn er voortreffelijk, de mosselen met frieten buitengewoon, de Vlaamse gasten sympathiek en de deernen bovenmenselijk knap.

Ik herinner me slechts één bescheiden smetje op het verder onberispelijke blazoen, van mijn Leuvense studententijd: mijn kotmadam Blanka. Wat ’n bitch! Onuitstaanbaar, vrijgezel serpent met een tong, bij voortduring gedrenkt in azijn en het gevoel voor humor en zelfrelativering, van een verroeste strijkbout uit de DDR-tijd. Daadwerkelijk had ze wel iets weg van een Stasi-medewerkster: damesbezoek op mijn slaapkamer was streng verboden, de stringente manier waarop mijn huisbazin mij controleerde, ging bijna tot in het absurde. Bij het minste geringste gestommel in de hal, koekeloerde ze met haar pezige gezicht door de deuropening, om te kijken of er onraad (lees: meisjesbezoek) te bespeuren viel.

De poets die ik haar op een dag samen met een Vlaamse studiegenoot bakte, was onbetaalbaar: Stan die in een oubollig bloemetjesjurkje het huis kwam binnengeslopen, betrapt werd door mijn kotmadam, zich vervolgens omdraaide en keihard ‘boeh!’ riep, tot het geschrokken vrouwmens. Wij kwamen niet meer bij van het lachen, en van mijn huisopzichtster mocht ik ‘n paar dagen lang niets vernemen. Nederig verschanste ze zich achter haar televisieapparaat, kijkend naar haar favoriete Vlaamse soapopera, over het wel en wee van de bewoners van een of andere Belgische boerengemeenschap, zoals ze waarschijnlijk nauwelijks nog bestaan; met een hoop relationeel geneuzel, niet eens eendimensionaal te noemen, maar ‘half-dimensionaal’. Ze besefte verdomde te goed dat ik haar een beslissende slag had toegebracht, al was de complete oorlog nog niet door mij gewonnen. Niettemin, de dagen volgend op die pots heb ik in mijn kleine studentenstulpje ongestoord neukend mijn gang kunnen gaan, samen met mijn klasgenootje Godelieve, mijn teerbeminde in die tijd. Ijzeren Blanka hield zich voor even gedeisd.

Al snel, echter, pakte ze de draad weer op van haar schrikbewind, en op een kwade avond, toen ik Godelieve na afloop van een bioscoopbezoekje in het gangpad naast het huis op een snelle beurt trakteerde, werden we op heterdaad betrapt. Terwijl ik mijn geslacht terug in mijn broek friemelde – wat niet meeviel, aangezien hij behoorlijk in grootte was toegenomen, door de enerverende activiteit van even tevoren – , stapte mijn meiske op haar rijwiel en probeerde te vluchten. Iets wat werd bemoeilijkt door het feit dat ze van alle kanten werd belaagd door de vinnige mattenklopper-uithalen van mijn keetmeesteres.

Dat deed voor mij de deur dicht: ik was er klaar mee. Ik besloot zo snel mogelijk op zoek te gaan naar een nieuw kot, om het resterende deel van mijn Belgische studententijd in uit te zingen. Deze vrieskist van een vrouw wenste ik in mijn leven nimmer meer onder ogen te komen.

Het lot was mij gunstig gezind. Reeds twee weken na het onaangename tapijtklopper-incident, wist ik via een studiegenootje nieuwe huisvesting te regelen: in de Minderbroedersstraat, ideaal gelegen op slechts een steenworp afstand van de Grote en de Oude Markt. Ik nam er mijn intrek en meed daarna het stadsdeel van mijn eerste zes maanden in ’t Leuvense: het oostelijke Kessel-Lo, thuisbasis van de ‘Zwarte Heks’, zoals ik mijn voormalige huisbazin in gedachten betitelde, daarmee doelend op haar weduwestatus en haar, staat u mij een understatement toe, ‘minder aangename karakterologische eigenschappen’.

Gezien heb ik haar sindsdien nooit meer; althans, niet van aangezicht tot aangezicht. Gehoord wel. Dit klinkt raar, dat besef ik, ik zal u een en ander expliceren. Ruim een maand nadat ik was ingetrokken in mijn nieuwe, centraal gelegen onderkomen, liep mijn relatie met Godelieve op de klippen. Zij verweet mij – koelbloedige Hollander – dat ik continu het relationele heft in handen wilde hebben, dat ik nooit eens bereid was de teugels te laten vieren, haar de beslissingen te laten nemen. Triviale besluiten over kleine pietluttigheden, waar een liaison eigenlijk niet onder zou mogen lijden. Die van ons deed dat desalniettemin. Met als gevolg dat Lieve haar koffers pakte, een afscheidszoen op mijn voorhoofd drukte en tabee zei.

De tijd was aangebroken, voorvoelde ik, om eens diep in mezelf te kijken, na te vorsen of het echt zo was dat ik voortdurend het heft in handen wilde hebben: was het zo moeilijk voor mij om de controle over te geven aan een ander? Het was duidelijk dat er iets moest gebeuren in mijn leven…

Toen ik aanbelde bij SM-studio ‘Domina Matrixxx’, enkele kilometers ten zuiden van het centrum van de mooie Belgische studentenstad, deed een in latex geklede vrouw open. Ik ging naar binnen en informeerde naar de prijzen. Voor tweehonderd euro kon ik een sessie van een uur krijgen, inclusief een flink pak voor m’n broek. Ik ging akkoord en werd naar een keldergewelf geleid. Daar nam ik plaats op een koude brits. Ik zat daar gedurende een minuut of vijf toen een andere dame – ik had begrepen dat de eerste vrouw verantwoordelijk was voor het hardere werk, beginnelingen zoals ik schoof zij af naar haar collega – binnentrad. Ze nam meteen de touwtjes in handen:

Ze snauwde mij toe dat ik mijn kleren uit moest trekken, in foetushouding tussen haar laarzen moest gaan liggen. Ik herkende direct de stem van Blanka. Een siddering schoot door mijn lichaam. Mijn gewezen hospita – de ultieme kenau – stond mij hier af te blaffen, was klaarblijkelijk in haar ‘geheime uurtjes’ werkzaam in een etablissement als dit!

Ik was te beduusd om goed tot me door te laten dringen wat er gaande was. Bedeesd trok ik mijn broek en blouse uit, en uiteindelijk ook mijn slip. Naakt, met een penis zo groot als de pink van een Lilliputter, vlijde ik mij neder op de vochtige, betonnen vloer, onder het oppermachtige kruis van mijn meesteres, die mij – een hoopje menselijke ellende, hulpeloos gevangen tussen haar gespreide benen – vol minachting observeerde. Ze moet mij herkend hebben, dat kan niet anders, ondanks de bijna volledige duisternis in het vertrek, slechts verlicht door één enkele vuistdikke, bruingele kaars. Ze liet niets blijken; ze speelde met me. Een staalborstel schuurde over mijn ranke rug, met als gevolg een haast ondraaglijke pijn, die mijn gestel bijkans castreerde. Toch onderging ik. De hele sessie, een uur lang. Het laaghartige spel van kleineren: de porren in mijn zij, urine op mijn hoofd, zweepslagen over mijn hele lichaam. En uiteindelijk, vlak voordat het uur was afgelopen, mijn klaarkomen. Ze dwong mij, mezelf te bevredigen; daarbij werd ik, op mijn knieën gezeten, geacht letterlijk en figuurlijk op te kijken naar haar gemaskerde gezicht. Ik kwam klaar, al behelsde het resultaat van mijn masturbatie niet veel meer dan een half vingerhoedje. Ik was allang blij dat ik het überhaupt voor elkaar had gekregen, liefdesvocht te verschieten. Wie weet wat me anders boven het hoofd had gehangen: een middeleeuws zwaard? de guillotine?

Nadat exact zestig minuten verstreken waren – mijn meesteres was stipt en ‘gunde’ mij geen minuut extra speeltijd – , verdween ze zoals ze was gekomen. Geruisloos: een zwijgen uit staal en beton. Ik kleedde me aan, waarna even later de andere dame weer ten tonele verscheen.

‘Was‘t plezant?’, sprak ze cynisch, met een donker, Vlaams rokersaccent. Met een hoofdknik beaamde ik. De vrouw lachte – ze las de leugen moeiteloos van mijn gezicht – , schoof de grote, metalen deur open en bevrijdde mij. Ik had het gevoel me in een volstrekt nieuwe wereld te bevinden; de schelle buitenlucht had iets bevreemdends.

Ik had me laten ‘naaien’ door mijn voormalige hospita en besefte dat ik voor ’n ongelooflijke oetlul kon doorgaan. In een vreemdsoortige staat van verwarring nam ik mijn mobiel en drukte het nummer van Godelieve. Iets in mij vertelde me dat het nu zaak was snel te handelen, voor je het wist was ze er vandoor met een of andere zonderlinge aardappelboer uit het Kempense Wijnegem. Er waren in die tijd honderden kerels die aasden op mijn knappe ex.

‘Schat, ik kom bij je terug. Ik ben bereid om wat water bij de wijn te doen. Wat zeg ik? Ik ben bereid om onze liefdeskruik zonodig vollédig te vullen met H2O! Wat is daarop uw antwoord…?’

Aan de andere kant van de lijn hoorde ik dat een bescheiden paardengehinnik ontglipte aan de zoete lippen van mijn voormalige geliefde, een geluid dat mij zo lief was geworden, de eerste maanden van mijn leven in Vlaamse contreien. Ik besefte dat ik de juiste code had ingegeven.

 
« Older posts Newer posts »

© 2021 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑