KutBinnenlanders.nl

Categorie: Oud Zeikwijf (Page 2 of 8)

Deze prachtvrouwe van Franse oorsprong stalkt KutBinnenlanders.nl sinds het BlogBal (waar zij de führer was en is) in 2010. Smeken, roepen, dode vogeltjes door onze brievenbus gooien, alles heeft ze al gedaan om maar per se ook hier te kunnen publiceren. De redactie riposteerde nog “Maar jij bent Amsterdamse nu, dat kan écht niet hoor.” Maar ze bleef volhouden. Het kwam al zo ver dat ze bij een van onze redactievergaderingen aanschoof en ons allemaal dronken voerde. Zelfs de Opperpater, en dat is geen sinecure. En nu zitten we ermee. Maar ze is dus wel keistoer. Dus dan is het oké.

AT5
Nurks Magazine
Het BlogBal
OudZeikWijf.com
Twitter

De Post

Van alle gevallen van roekeloze privatisering van nutsbedrijven is die van de post het meest schrijnend.

.

Tot een jaar of 15 geleden was de post een secure moloch, met knusse filiaaltjes in elke woonwijk. Waar je ook woonde, je kon er naar toe wandelen. Je kon er je pakketten naar toe brengen, je postzegels kopen, je verzekeringen afsluiten, je visakte ophalen, Franse Francs of Duitse Marken inwisselen voor guldens, en een berg 5-centjes voor biljetten, een ticket voor Lowlands of Pinkpop kopen, je bankzaken regelen, en zelfs cash geld opsturen naar een sujet zonder bankrekening. Die had je toen nog, want het mocht. Je kon toen nog ongezien leven. Je kon je toen nog onttrekken aan Big Brother. Ja, dat kon. Maar terug naar de post. Dat cashgeld dat je bracht, werd dan stante pede opgehaald door een koerier met een fietshelm en een fluoriserend jasje. Hij rukte het geld uit je hand, stopte het in zijn binnenzak en rende ermee naar Kuala Lumpur of Terneuzen. Daar bracht hij het naar, jawel, de post, alwaar de gelukkige ontvanger annex Big Brother-ontloper de biljetten en munten (die bestonden toen nog), contant in handen kreeg.

Kom daar nu maar eens om.

Het begon met het splitsen van de Post in een bezorgingsdienst en een bank, die we niet meer lekker de Giro mochten noemen maar de Postbank. Dat veroorzaakte weinig opvallende schade dus wenden wij daar aan. Toen begon de Post om het jaar van naam te veranderen. Dat was al minder. Niemand kon zich die flitsende nieuwe namen eigen maken dus bleef iedereen hardnekkig de Post zeggen. Vervolgens braken ze het monopolie van de post. De Post kreeg concurrenten. Wie daarvoor verantwoordelijk was onder de Regenten weet ik niet meer maar ergens doet Neelie Kroes, toen nog Smit-Kroes een belletje rinkelen. Een belletje dat ik ogenblikkelijk het zwijgen toebreng, want hoe zou dat kunnen? Neelie Kroes? Onze Europese hoedster tegen malafide multinationals? Die Microsoft een poepie liet ruiken? Een poepie van bijna een miljard euro’s? Tja, zo begon in feite haar kruistocht tegen monopolies. Misschien handelt ze niet zo zeer uit liefde voor het volk en wantrouwen tegen trusts, dan wel uit afkeer tegen staatsinmenging (we laten Microsoft er voor het gemak even buiten, anders klopt het niet meer). Je weet het immers maar nooit met VVD’ers. Die zitten vaak dik onder de poen van de lobbyisten uit het bedrijfsleven. Ik zeg niet dat ZIJ onder de poen van de lobbyisten van het bedrijfsleven zit. Ik kijk wel uit.

Die concurrenten van de Post. LOL. De Deutsche Post laat containers vol brieven in Amsterdam-West wekenlang open en bloot, UPS en GLS weigeren in postbussen te bezorgen, want niet door henzelf beheerd, en doen je jouw pakketten bij hun afhaalloket ophalen, ergens op Industrieterrein 30278 B. En allemaal, allemaal, huren zij goedkope flexkrachten uit Donker Rusland in, die, immer straalbezopen, hele partijen bezorging in het eerste huis (de mijne) van de straat dumpen. Waardoor je een postbus van PostNL neemt, waar de concurrenten niet bezorgen. De cirkel is rond. In deze tijden van booming online business kun je geen pakket fatsoenlijk naar je eigen adres laten bezorgen. Ik zeg bijna: hier klopt iets niet. Maar de heren economen zeggen van wel, dus wie ben ik.

Ondertussen werd de Postbank de ING, die duidelijk niets meer met de post te maken had, noch met het knusse overmaken van geld op een buurtpostkantoortje. U zegt postkantoor? Wat een mal ouderwets woord! Dat bestaat al lang niet meer. Opeens besloot de Post alle postkantoren te sluiten. We mochten niet ongerust worden want de postzaken werden vakkundig overgenomen door tabaksboeren. De kostbare schat die je naar je lievelingsnichtje opstuurde werd door de tabaksboerin op de hoop achter haar toonbank gegooid. Waar ze hem niet meer kon vinden. Klagen kon echter niet meer, althans niet in de zin dat je een antwoord kreeg, want er werkte geen levend mens meer op het hoofdkantoor. Overal alleen nog maar computers en tabaksboeren. Het begon op sappelen te lijken.

De volgende fase in deze saga van de Posterijen is dat de tabaksboeren vanaf 1 oktober geen geldelijke transacties meer mogen verrichten. In heel Amsterdam Centrum-Oost, bijvoorbeeld, ben je aangewezen op één plek, Eerste van Swindenstraat. Een lounge geval, design en dus leeg, met veel pluche en weinig animo, waar ze, uit alle gesloten filialen die 020 rijk was, niets beters dan eerder beschreven pad geschikt hebben gevonden om de slachtoffers te woord te staan. Wat zij, onverbiddelijk, doet. O ja, ik vergeet het bijna, de postbussen worden aanstonds opgedoekt. Daar wou toch niemand meer bezorgen.

De Post. Die naam kun je nu ook beter echt afschaffen. Noem het maar “de Niets”. Het is tenslotte waar ze naar toe werken.

Bril

Buitenshuis plas ik het liefst op de mannen-WC’s. U vindt het gek? Hebt u weleens de vrouwen-WC’s gezien? Die zitten onder de pies.

Dat komt omdat vrouwen het vertikken om op de bril te zitten. Die vinden ze vies. Terwijl die eigenlijk gewoon schoon is, laten we wel wezen. Het is geen Afrika of India. Onze toiletten zijn keurig. Althans, als je daar niet op gaat staan. Want dat doen ze. Die troela’s. Ze gaan op de bril staan en plassen zo uit de hoogte. Vrouwen hebben honderd jaar geklaagd dat mannen de bril niet voor hen omlaag deden, maar zelf weigeren ze de bril OMHOOG te doen als ze op de pot klimmen. Waardoor de bril onder de spetters komt te liggen, waardoor de volgende het echt niet in haar hoofd haalt om erop te zitten, waardoor de vrouwen-WC’s mijns inziens onbruikbaar worden, waardoor ik op de mannen-WC’s plas.

Er is trouwens ook altijd papier op de mannen-WC’s.

En ze zijn altijd leeg. Terwijl er voor de vrouwenafdeling steevast een rij van hier tot gunder staat. Van twee redenen één: of men bouwt te veel mannen-WC’s of men bouwt te weinig vrouwen-WC’s. Want logistiek gezien klopt dat niet, dat ziet een kind. Je zou verwachten dat, in deze tijd van overvloed aan onzinnige HBO- en MBO-studies, er wel eentje ‘Berekening van de capaciteit van de vrouwen- en mannen-WC’s bij evenementen’ bij zou kunnen. Maar nee. Overbodig gevonden wellicht. Ondertussen staan al die vrouwen elke keer een halfuur te lijden in die eindeloze rijen. Ze staan er immers niet voor niets, ze hebben hoge nood. Anders wacht je wel tot je thuis bent. Dat ze daar een halfuur staan komt weliswaar doordat vrouwen er een handje van hebben om hun tijd op het toilet te nemen, ook al creperen er voor hun deur twintig seksegenoten van de pijn. Daar is ook iets mis, ik geef het toe. Maar hoe dat opgelost dient te worden leren we binnenkort toch bij de studie ‘Optimalisering van het toiletbezoek van vrouwen in openbare gelegenheden’.

Urine is overigens een van de schoonste vloeistoffen zomaar in de natuur voorradig. Verse urine kun je gewoon drinken. Denk daar maar aan als je ooit in de woestijn ronddwaalt! Oude urine zal ik niet aanbevelen, weet ik uit een ervaring die ik u niet zal onthouden: toen mijnheer Oud Zeikwijf en ik maar net begonnen te daten en ik eens was blijven slapen, had ik ’s nachts dorst. Ik pakte een fles appelsap die naast het bed stond en klokte een paar flinke scheuten achterover. Opeens drong de smaak door: het was dagen oude pies. Zelden zoiets goors ingenomen in mijn hele leven. Zelfs levertraan is daarbij vergeleken een delicatesse.

Desalniettemin bevat ons vloeibare excrement ook leuke ingrediënten zoals ammonia, fosfor en stikstof waarmee je allerlei nuttigs kan maken. De WC-bril, voor zoverre dagelijks gereinigd en er geen poep aan kleeft, is dus eigenlijk best schoon. Wat je niet kan zeggen van de kraan van de wasbak of de klink van de deur, die je allebei na toiletbezoek wel zonder schroom met je schoongewassen handjes aanraakt. Handen waarmee je ietsjes later in je neus peutert, of je baby een aai geeft, je puber een boterham of mij een hand. Om te zwijgen over geld, dat door miljoenen handen gaat. Handen, dat zijn de vieste delen van het lichaam. Die wemelen van de bacteriën.

Dus, vrouwen, voortaan zítten we gewoon op de plee, ook in café’s. En als we toch op de pot willen hurken, dan doen we eerst de bril omhoog. En daarna omlaag. Anders blijven de kerels daarin onze meerderen. Wat we daar zelf ook van mogen denken.

Kamelenteen

Ik wil het hebben over kamelentenen. Of liever gezegd: over de uit de VS overgewaaide afkeer daarvan. Voor degenen die het niet weten: de kamelenteen is de vorm van het vrouwelijke geslachtsdeel, onder bepaalde strakke broeken zichtbaar. Strakke broeken die de boel omhoog trekken zal ik maar zeggen. Die in de gleuf binnen dringen. You get the picture.

Liever nog dan het hebben over, breek ik een lans voor de kamelenteen. Want, zeg nou zelf, waarom zou je dit bijzonder stukje uitzicht veroordelen laat staan verbieden (want dat is wat die trutten daar doen, in de VS, door het te veroordelen verbieden het). Het is toch best sexy? Ikzelf vind het eigenlijk mooi. Een mooie vrouw met een mooie kamelenteen, daar is toch niets op tegen? De Amerikanen, die vermaledijde puriteinen, hebben ons dit stukje schaamte weten op te dringen. Ze grossieren er tenslotte in.

Met hun naaktfobie à la Zuckerberg. Of met hun afkeer voor tepels. Ja! Tepels mogen niet in Amerika, in ieder geval niet onder een t-shirt. Toen ik in de twintig was had je die volop, kamelentenen én tepels. Geen haan die daar naar kraaide, want niemand wist dat het not done was. Tegenwoordig zijn de kamelenteen en de tepels verscholen achter een dikke laag stof. Bij het kopen van een broek zal een vrouw niet meer vragen: ‘Krijg ik hier een mooie pan van?’, maar: ‘Heb ik geen kamelenteen?’ Bij het kopen van beha’s is het heel makkelijk: BH’s zijn heden ten dage ware pantsers, uit ondoordringbare petrochemische stoffen vervaardigde joekels van bustiers geworden, waar enkel tepels van een centimeter of drie doorheen zouden kunnen prikken. Je zweet je daarin een ongeluk, maar een kniesoor die daarop let. Want, dames en heren, de bustier van de jaren tien werkt cupmaat vergrotend. En niet zo’n beetje ook. Je zou wel gek zijn om déér tegen te zijn niet waar? Maar ondertussen is de tepel verdwenen. Het kind en het badwater.

De kniesoor ben ik, trouwens, bij dezen.

Het Meer

Heb ik al gezegd dat ik van het IJsselmeer hou?

 Een paar jaar geleden zag ik bij de lijstenmaker een klein schilderij hangen, van drie platbodems op een stukje open water. ‘Het IJsselmeer,’ zei ik. ‘Dat is beslist het IJsselmeer.’ De ambachtsman was daar niet van onder de indruk, het kon wel duizenden plassen zijn, je zag immers geen kustlijn die een aanwijzing kon geven. Maar ik was zeker van mijn zaak en kocht het vergezicht. Eenmaal thuis zocht ik de schilder op. Hij bleek een Edammer te zijn. Ik had het op de kilometer na geraden, zuiver afgaande op de kleur en het patroon van het water.

Soms, heel soms, kun je in de stad het IJsselmeer ruiken. Na een dag zwoegen zit je op je balkonnetje te chillen en opeens komt het je neusgaten in: de geur van Het Meer. Modderig, fris, ruig en lekker. Het kribbelt aan je ziel; eventjes voel je je vrij, ver van de stadsneurose.

Vandaag heb ik afscheid genomen van Het Meer. Morgen vertrekken wij. Ik moest nog even in mijn eentje de dijk op, turen naar de einder. Tegen zessen, dat is het beste. Als ik vaar ben ik meestal de enige allochtone, in een verder 100% Nederlands-Nederlandse vaarnatie. Ik weet dus dat er elke dag stipt om zes uur massaal gegeten wordt. Het IJsselmeer ligt er dan verlaten bij.

 Ik tuur. Een prachtige aak (lange platbodem, 2 masten, bovenhelft wit geverfd, onderkant monumentengroen) vaart rustig  in de verte voorbij, haar twee masten onbetuigd. Op de motor dus, terwijl ze wind mee hebben. Zouden er gaten in de bemanning zijn gevallen?

Verderop naar rechts, op een uitstulping van de dijk, een plukje schapen, als een pukkel op een heksenneus. Ik blèr naar ze toe – ze kennen me immers, als ik bij het ochtendgloren de dijk opkom word ik steevast door elk van hen begroet. Nu zijn ze te ver, ze horen me niet.

 Het meer golft flink onder de noordenwind. Ze heeft stroken van verschillende kleuren: petrolblauw op moddergroen. Op de rug van elke golf strooit de zon met duizenden stukjes spiegels, die puntig in mijn ogen schijnen.

Heb ik gezegd dat ik van het IJsselmeer hou? Vandaag leek mijn liefde zo groot, dat Het Meer van mij werd.

De Ooi

De schapen op de dijk zijn van Cor, want die pacht de dijk. 

Ze waren eerst een kruising van twee soorten. Dit jaar is er een Zwarte Tesselaar als ram bijgehaald. De jonkies hebben opeens zwarte koppen.

Waarom doen ze dat?’ vraag ik de boer.
‘Het is goed voor het onen.’
Het onen, dat is het kalven van ooien.

Eén ooi blèrt onophoudelijk. Twee schapen wachten op haar een paar meters verderop. Zij heeft haar hoofd afgewend van deze groep en blèrt. Opeens komen er drie jonkies aansnellen, ze klimmen de dijk op en voegen zich naar het groepje. Je ziet dat het jonkies zijn aan hun zwarte koppen en aan de grootte van de uiers. Bij de oude generatie bungelen die vol van melk. De ooi blijft de andere kant op blèren, waar heel in de verte nog een plukje schapen grazen. Dan draait ze naar de wachtenden toe en zegt: ‘Ze komen niet, verdomme. Ik ga ze even halen.’ En vertrekt. Haar achterpoten steken als de magere beentjes van een dame op leeftijd uit een vieze bontjas.

De rest wacht en kijkt haar na. Op een gegeven moment beginnen ze weer te grazen, maar blijven wel op dezelfde plek, die ze immers heeft aangewezen. Zij loopt wat sneller dan normaal naar de andere kant van de dijk toe. Ergens op driekwart blijft ze steken. Ze roept iets wat wij, noch haar volgelingen, kunnen verstaan. Iets later zien we haar grazen. Haar groepje wacht nog steeds, bij elkaar. Ze durven nog niet weg te lopen, maar gaan dat straks zeker doen. Zij is ze volkomen vergeten. Dat vinden zij helemaal niet erg.

Hoe heerlijk is het bestaan van het schaap.

Zomergasten recensie: Henny Vrienten

Zomergasten 22 juli 2012

Henny Vrienten zanger en bassist van o.a. Doe Maar, geïnterviewd door een Vlaamse presentator: Jan Leyers.

‘Zomergazzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzz’ zei een vriend en gelijk had hij. Het was een slaapverwekkende uitzending. Op alle fronten (in de uitzending zelf maar ook op de site van de VPRO) wordt reclame gemaakt voor het Tweede Scherm, dat mij moet voorzien van aanvullende info. Net als vorig jaar ben ik van de nut ervan niet overtuigd. Alles wat ik verder wilde opzoeken heb ik uiteindelijk op eigen kracht moeten doen, gewoon via good old Google.

En zelfs dat hielp niet altijd. Zoals over de mededeling dat Doe Maar een beroep deed op inzendingen voor lyrics. Henny Vrienten kondigde aan dat iedereen een vervolg op de regel: ‘Op een dag komt de dag dat’ kon opsturen via facebook, twitter en website. Noem me een kluns, ik heb het nergens kunnen vinden. Blijkbaar ben ik de enige in heel Nederland, want volgens Henny worden er 1500 regels per dag opgestuurd, waartussen zeker bijzondere inzendingen. Zo vond hij er eentje zo geweldig dat hij dacht: “die moet erin”. Die bleek van Jan Rot te zijn. Vindt hij leuk.

Henny heeft een ipad maar hij twittert er niet mee. Ipads zijn blijkbaar heel handig voor muzikanten: je kan er je instrument mee stemmen, uiteenlopende muziekstukken afspelen en zelfs opzoeken: ‘Echt een uitvinding’.

Dan komt het eerste fragment: ‘La guerre du feu’, een film van Jean-Jacques Annaud. De presentator haalt Neanderthalers en Cro-magnons door elkaar. Henny corrigeert hem. Hij zegt dat de film Canadees is, wat mij verbaast want ik heb altijd gedacht dat die Frans was. Dat komt zeker doordat de regisseur een Fransman is. Maar inderdaad, de film is Canadees geproduceerd. Kijk, zo leer je ook wat, bij Zomergasten.

Zo leren wij (wij de niet fans, want de fans weten dat allemaal al lang) ook dat Henny Vrienten een Brabander is, die in Hilvarenbeek de eerste jaren van zijn leven heeft gesleten. Daarna naar Tilburg tot 34ste gewoond, en in 1984 naar Amsterdam verhuisd.

HV: ‘Voor de liefde’

JL: ‘Wilde de liefde niet naar Brabant? Toch gek dat Henny Vrienten waar ieder meisje voor naar Hawaï wil gaan naar Amsterdam moet verhuizen omdat zij niet naar Brabant wilt.’

HV: ‘Zo heb ik het nooit bekeken.’

Op de vraag ‘Hoe was het als Brabander in Amsterdam?’ wordt verder niet ingegaan. Wel over zijn beroep: ‘Ik vind het een redelijk abstract beroep “popster”. Je kunt er geen logische redenatie voor verzinnen. Ik vind het ridicuul ook. Het is niets. Leuk muziek maken met elkaar, platen maken, daar is niets leukers.’ Als kind wou hij missionaris worden. Hij ging er zelfs voor naar het seminarie, wat in het katholieke zuiden geen wereldschokkende stap was. Maar het geloof kwam maar niet: ‘Ik ben niet gelovig. Ik geloof niet in het hiernamaals maar in het hiervoormaals’. De priester wilde hem een banjo aansmeren. Henny hield voet bij stuk: banjo heeft geen sex appeal. Wist ie, als kind al. ‘Gitaar is djannnnnnggg en banjo is plonk.’ Hij kreeg een gitaar van zijn ma en ging op les bij ‘een boer in een rijtjeshuis’ waar hij ‘veel van geleerd heeft’. Hij vertikte het om liedjes na te spelen, ging steeds zoeken naar andere klanken. ‘Ik was toen al aan het componeren, maar dat wist ik niet.’

In de 80-jaren riep hij: ‘Mick Jagger is een geflipte ballerina’ en heeft dat geweten.

Zover gekomen weet je: Jan Leyers is oersaai. Alle mogelijk boeiende hints ploffen neer als zandzakken, en worden terstond begraven. Of misschien is het een omgekeerde chemie: dat het gewoon niet vonkt tussen die twee.

Het volgende fragment is de allereerste film die Henny in Hilvarenbeek op zijn zesde zag:

‘Feuerwerk/ oh mein papa’, een stukje van de koortsige droom van een meisje (een poepiejonge Romy Schneider) in een circus. Maar wat een eerste film om ooit te hebben gezien! Wat miet dat een indruk hebben gemaakt op die zesjarige ziel… Kijk, daarover had Leyers kunnen doorvragen áls hij die avond niet zoveel had gegeten.

Een cowboy jodelt bij het kampvuur en vervolgens zien we in Hey Hey Rock N Roll

de voorbereiding van een tribute voor Chuck Berry, een repetitie met Keith Richard. HV zegt van tevoren dat je niet zo met muzikanten om moet gaan. We zijn inderdaad getuige van een fikse ruzie tussen twee mega-ego’s. Aan het einde begrijp ik dat Henny het gedrag van Chuck afkeurde, die een notoire ruziemaker bleek te zijn geweest. Ik irriteerde me juist aan de neerbuigende toon van Keith Richards.

JL: ‘Hoe ben jij als je ruzie maakt?’

HV (voorspelbaar): ‘Ik maak geen ruzie. Ik zeg: “laten we daar later over hebben..” en dan hoop ik dat het later over is.[…] Een klein conflictje kan ik wel aan hoor Jan.’ Maar een klein conflictje ter plaatse uit zijn mouw schudden omwille van het kijkersgenot is Jan te ver gevraagd. Zandzak. Grond. Begraven.

Dan Atlantis, documentaire over Chet Baker “the great white hope of jazz”. Heel kort. Het tweede scherm geeft geen sjoegge. Gelukkig twittert Erik Lieshout, de maker van de documentaire, de link naar de hele film: http://www.outcastpictures.nl/nederlands/film11.html

JL: Chet Baker die uit zijn hotelkamer op de Prins Hendrikkande sprong. Maar nu ben ik zelf tweede scherm aan het spelen.’ Ennnn stop. Maar kom nou op met die smeuïge info!

Chet Baker: ‘Amsterdam is a city as if there is a party going on all year 24 hours a day‘. Nu gaat het gesprek over drugs. Of de Doe Maarders gebruikten. Ja dus,maar wordt niet gezegd wat. Twee vrienden van zijn Tilburgse jeugd zijn gestorven onder invloed omdat ze gekke shit uithaalden en een derde ging in een leeuwenkooi staan. Klinkt als LSD to me. HV rookte aanvankelijk wiet maar stopte ermee toen hij voor anderen ging componeren omdat hij ‘het er niet bij kon hebben’. ‘Je wordt er niet interessanter van.’

Henny ontpopt zich als een verwoede poëzielezer. Heeft ie geleerd op het seminarie. Schreef ook een gedichtenbundel: Zwaan Kleef Aan.

HV: ‘de sensatie van het uitgestelde begrip…’

JL: ‘dat klinkt als een coïtus interrumptus.’

HV: ‘je voelt in je tenen dat het prachtig is maar je weet niet waarom. Je leest het nog een keer en nog een keer en steeds kom je dichter bij de kern. Dat is een van de redenen waarom ik van poëzie houd. […] Poezielezen is een talent, vind ik. Er zijn meer dichters dan poëzielezers.’ Hij schotelt ons drie gedichten voor:

T.S. Elliots ‘Little Gidding’, een gezongen versie van ‘De mus’ van Jan Hanlo (’tjielp tjielp tjielp tjielp…’) en ‘Tyger’ van mysticus, poeet, tekenaar en rare man William Blake (1757-1827)

TYGER

‘Tyger! Tyger! burning bright
In the forests of the night, 
What immortal hand or eye 
Could frame thy fearful symmetry? 

In what distant deeps or skies 
Burnt the fire of thine eyes? 
On what wings dare he aspire? 
What the hand dare sieze the fire? 

And what shoulder, & what art. 
Could twist the sinews of thy heart? 
And when thy heart began to beat, 
What dread hand? & what dread feet? 

What the hammer? what the chain? 
In what furnace was thy brain? 
What the anvil? what dread grasp 
Dare its deadly terrors clasp? 

When the stars threw down their spears, 
And watered heaven with their tears, 
Did he smile his work to see? 
Did he who made the Lamb make thee? 

Tyger! Tyger! burning bright 
In the forests of the night, 
What immortal hand or eye 
Dare frame thy fearful symmetry? ‘

Geluiden zijn, het spreekt voor zich, belangrijk voor de muzikant. Bij de openingsscene van ‘Once upon a time in the West’, de spaghetti western van Sergio Leone op muziek van Ennio Moriccone, vraagt hij ons te letten op alle geluiden. ‘De geluiden zijn erg goed gedaan.’Had ik eerder wel opgemerkt, maar nu krijgen ze door die waarschuwing toch een extra dimensie, die geluiden.

Zingende Inuits, zingende pygmeeën…

HV: ‘Ik woon aan een grachtje, boten, vooral in de zomer, of huisvrouwen die denken je blij te maken met de zoveelste versie van [naam van een lied dat ik niet ken, oz] Ik hoor zoveel dat ik niet wil horen. Er is nu een naam voor… Zwerflawaai.’

Na het stukje uit ‘Coco and Igor’ dat de passionele verhouding tussen Igor strawinsky en Coco Chanel illustreert, een affaire die volgens HV enkel gebaseerd is op een gerucht, leren wij dat HV een fan is van Strawinsky. Met name zijn orchestratie luistert hij ‘met tintelende oren’.

HV: ‘In die film uit Strawinsky zijn emotie op de piano en zat zijn vrouw de partituur op te schrijven. Hij maakte zijn muziek met zijn handen, met zijn emoties. Ineens begreep ik het: ja, natuurlijk, zo maakte die man muziek, fysiek.’ Dat is koren op de molen van de ambachtsman die hij meent te zijn. (NB: HV componeert ook voor het kopersensemble van het concertgebouworkest “de beste muzikanten van de wereld”)

JL: ‘je zegt conflictvermijdend te zijn, maar kun je last hebben van een jaloerse bui?’

HV: ‘ik zou het wel voelen maar niet zo uiten. Ik ben niet een jaloers iemand. Ik ben pragmatisch. Als je vrouw het met iemand anders doet, dan houdt ze niet meer van je, simpel. Ik geloof niet dat ik een jaloers iemand ben, maar ik heb ook geen reden om het te zijn.’

De keuzefilm is de eerder genoemde meesterlijke ‘La guerre du feu’. De legendarische zoektocht van een stel homo erecti, met een verbluffende hoofdrol van Ron Perlman, die en passant leert een vrouw plezier te geven bij het neuken. Die sla ik over, want al drie keer gezien. Ik ben benieuwd wat de volgende aflevering van Zomergasten ons brengt. Ik heb deze uitgezeten omdat ik dat voor dit stukkie wel moest. Voor de volgende keer wil ik Jan Leyers adviseren om wat coke of speed te gebruiken. Of misschien voldoet een Red Bull. Als het maar iets oppeppends is. Ik hou Zomergasten anders het hele seizoen niet vol.

Schaap

– MÍÍÍÍ MÍÍÍ
– Meu
– MÍÍÍÍ MÍÍÍ
– Meu
– MÍÍÍÍ MÍÍÍ
– Meu
– MÍÍÍÍ MÍÍÍ
– Meu

Een schaap blèrt op de dijk. Honderd meter naar links klinkt het antwoord. Ze lopen naar elkaar toe. De roepende is ietsjes kleiner zie ik nu. De andere heeft er weer net zo één aan haar zij. Dat is de moeder, begrijp ik eindelijk. D’r jong is al grazend te ver op de dijk gelopen, en is haar kwijtgeraakt. Als het lam de ooi ziet, zet hij het op een rennen. Zijn zusje ziet dat en duikt onder de tiet. Lam komt aangesneld, werpt zich onder de buik van mammie en begint gulzig te drinken. Ze zijn allebei veels te groot voor zuigelingen. De moeder ziet dat ook wel. Ze laat ze eventjes hun gang gaan om weer haar grazen te hervatten. De jonkies volgen haar voorbeeld.

Ik staar naar de schapen. Naar de strak blauwe lucht op de groene dijk, als twee verfvlakken op het schilderij van een kleuter. Ik hoor de slag van de golven achter de dijk, zacht behang van mooi simpel geluid. Hier en daar een zwaluw, en af en toe een insect. De adrenaline zakt, vrede komt in mijn hart en ziel.

Schapen leven in hun eeuwige tijd. Er komt maar geen haast in hun antieke ritme. Terwijl onze tijd steeds sneller is gaan draaien, gaan ze nog steeds hun schaapse gang: grazen, liggen, poepen, grazen, liggen, poepen. Gisteren, vandaag en morgen. Net als hun moeder en betovergrootmoeder.

Schapen: hét middel tegen stress.

Een zomerdag op het Nederlandse platteland

Vakantie op het Nederlandse platteland, zonovergoten, heerlijk.

 Ik lig in het kort gemaaid gras, turend naar de obsceen blauwe lucht. Allerlei vogels krijsen hysterisch in allerlei bomen, vliegen zoemen, een hommel zuigt aan een bloem, langdurig, onvermoeibaar. Of is het steeds een andere? Een vogeltje hopt driftig naar een voor hem belangrijke plek. Hij maakt enorme en snelle sprongen. Het ruikt naar lang vervlogen tijden van hooi en hout.

Het sneeuwt vederlichte pluisjes. Zij drijven zachtjes op de groene achtergrond van de boomgaard, witte toverwezens die je, als je er even naar kijkt, in hun tijdloze universum zuigen. Een pluisje zweeft niet met de rest mee. Gevangen door een onzichtbare spinnedraad, ze wappert als een gelegenheidsvlag in elk zuchtje wind.

Om de tien minuten raast een auto – of een grote trekker, die dingen bereiken tegenwoordig ook zielstergende snelheden – voorbij op het langsliggende weggetje. Het voertuig trekt het filmdoek even met zich mee. Maar prompt rekt het terug in zijn oorspronkelijke positie van bomen, weiland en pluisjes.

En schapen. Ik kijk naar de schapen en zij kijken naar mij. Een ooi met haar volgroeide jong. Twee dikwollige bolletjes vlees, onbeweeglijk herkauwend, op hun dunne pootjes. De potsierlijkheid van het leven als zichzelf in stand houdend systeem vliegt mij naar de keel.

Maar de pluisjes. De pluisjes roepen mij, hypnotiserende feeën, en ik zak weer terug in beaat genieten.

De Boer

Het is een dag van grote hitte geweest (30 graden). Na het avondeten liep de boer in zijn blauwe overall het land op, ver op dat strookje. Met zijn lange magere benen klom hij over een hek alsof hij nog een jonkie was.

 Hij pakte een lange stok die tegen het hek leunde: een stok met een emmer eraan, om water uit de sloot te scheppen, voor de schapen. Een emmer van 10 liter. Hij ging vijf keer heen en weer tussen de sloot en de rode bak. Toen hij klaar was lag er 50 liter slootvocht klaar voor de volgende dag. Daar moesten 80 schapen het mee doen. Schapen drinken namelijk niet zo veel. En ze drinken slootwater dus. Had ik toch niet verwacht. Want slootwater is toch niet iets wat je je als drinkbaar voorstelt, al zijn het ‘maar’ schapen. Sloten hebben een dikke deken kroos, waar lucht noch licht doordringt. Het dekt een soort soep af, een bruinig iets dat vreselijk stinkt. Of stinkt het alleen als je roert? Dat moest ik toch een keer gaan verifiëren.

De boer had zojuist een controleur van het ministerie van landbouw over de vloer gehad. Die wou weten of hij een huurcontract op schrift had met de buurman verderop op wiens land zijn schapen af en toe graasden. ‘Waarom moet u dat weten?’ zei de boer terecht. ‘Als u dat niet heeft, dan dient u bij elke overplaatsing van uw dieren — elke keer dat u de schapen naar het weiland van de buurman brengt — een week van tevoren een vergunning aanvragen.’ De boer zijn mond was ervan open gezakt. Terwijl hij wel wat gewend was, wat onnodige regeltjes betreft. De week ervoor was er al zo’n ambtenaar, met een meetapparaatje in de hand, die kruipend in de wei het gras was komen meten. ‘Voor de ganzensubsidie,’ had hij er nog bij gezegd. De boer zou geld krijgen voor elke millimeter gras die de wilde ganzen van zijn akkers hadden gesnoept.

Daar moest hij het tegenwoordig van hebben: milieusubsidies. Want van het boeren kwam je met fatsoen niet meer rond. Het leek wel een complot van hogerhand. Alles wat hij boerde werd streng aangepakt en zwaar belast, maar als hij de natuur een handje hielp dan kreeg hij daar wat voor. Ook niet veel, maar toch. Het zette hem aan het denken. Zijn koeienstapel had hij jaren geleden al verkocht, vanwege het mestquotum dat niet meer op te hoesten was. Nu had hij maar wat schapen, die hij aan de straatstenen niet kwijt raakte: wol kwam uit Australië en schapenmelk bliefden Nederlanders niet. Alleen aan het vlees kon hij nog een stuiver verdienen. Meer een tijdrovende hobby dan een volwaardige baan, zou je kunnen zeggen.

Op de weg terug sprong hij even over de sloot naar de reep weiland ernaast, die aan een andere boer toebehoorde. Bij de terugsprong zag je dat hij een kievietsnest onder zijn arm klemhield, als een kostbare schat die zeker niet in het water mocht vallen. Hij plaatste het nest op zijn land, tussen het gras. ‘Zo,’ dacht hij tevree, ‘weer 150 euri binnen.’ De ouders zouden de eieren wel weer vinden, dacht hij. Hij had het al zo vaak gedaan.

Fluitend koerste hij met rasse stappen naar zijn stulpje. Tijd voor een bakkie en een tukkie, zo in zijn luie stoel. Gelukkig was het onenseizoen voorbij. Dan was hij de hele nacht in de weer met het verlossen van de lammetjes. Nu moest hij alleen nog maar straks de late avondronde doen.

« Older posts Newer posts »

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑