Ik heb een bang kind in mij
bang te kwetsen, geheel de uwe
Ik ben een sterk kind in mij
die daar mij probeert omver te duwen
Trekkend naar de andere kant
die ook eigen winden tracht te luwen
Kloppend op mijn hart en ziel, want
mijn woordenschat soms van het ruwe.

En ik probeer hem op te groeien
Ik probeer hem te beschermen
in zijn pracht te laten bloeien
met allebeide onze gave
Te troosten, op te voeden, schaven
Tegelijk me niet ermee bemoeien
Het kind in mij, zo kwetsbaar
samen de woelige baren roeiend.

Een moedig kind tegen het kind in hem
en die ook weer naar binnen
Een kakafonie naast eigen stem
in onafgewerkte zinnen
In paniek op zoek naar eigen staart
om te vangen en te eten
als bijgeloof omdat niets anders baat
en de onrust zich niet laat vergeten.

(refr.)

Ik zal hem tot mijn dood beschermen
door hem binnenin te laten
grauwend, huilend, kermend
en soms een beetje hatend
Mijn broer, mijn kind, mijn maatje
de honing in de raten
En we gaan weer tot het gaatje
elkaar houdend in de gaten.

(refr.)