Goed uitgeregend, zonder paraplu, met een hoed op en een warme winterjas aan, stoot hij tegen de deur van de wachtzaal. Het uur is spits, de zaal vol. Geen plaats om te zitten.

Daar komt dra de trein eraan, de zaal loopt leeg, hij kan gaan zitten.

Uit zijn binnenzak diept hij een boekje op, begint te lezen. Een uur later, zijn hoed en jas zijn droog, staat hij op en stapt naar buiten. Het regent nog maar minder hard.

Ik had de hele tijd onder het dak van de fietsenstalling gestaan om de deur van de wachtzaal in de gaten te houden. Ik volg hem meteen. We lopen naar de marktplaats van het stadje. Hij zoekt geen café. Hij stopt voor een vastgoedmakelaarskantoor, kijkt op zijn polshorloge, duwt de deur van het kantoor open, gaat binnen.

Ik weet genoeg.