Het kon kort nacht worden. We konden vervolgens gieren van het lachen en toch nog even hard gierend kort door de bocht gaan. Het plezier was geheel het onze.

We waren dit zo gewoon en droegen dan ook van die dure gesofistikeerde sportschoenen, er is zelfs een term voor bedacht, maar die doet er niet toe. We droegen die ook als we te gast waren in sjieke salons.

Later zou iemand, het nieuwe joch op straat, daar binnen stappen op die manier en roepen: ‘Hoi, mattekes, hoi toi en goede morgen, verder’. Hij werd ooit bij de koning ontvangen en droeg die zelfde kledij. Ja, tegenwoordig noemen ze dat fit en onvoordelig. Het is echter en blijft kledij. Zonder wordt het immers naaktloperij.

Niemand had echter ooit durven verwachten dat het joch een oude krokodil uit de gracht zou halen en op iedereen zou loslaten met de woorden: ‘Hoi, bende feeksen, kijk eens wie hier aan boord komt’. Het ongeloof was groot, het gemompel niet uit de lucht.

Het virus had inmiddels kort nacht gemaakt voor zowat iedereen. Bochten namen we met veel omzichtigheid. De oude krokodil ging het virus te lijf. Met succes.

 
Marc Tiefenthal
Marc Tiefenthal
In tijden van toenemende verdomming en groeiend nationalisme is het gepast, ha, erop te wijzen dat Marc Tiefenthal gemakkelijkheidshalve kan worden gecatalogeerd als Belgisch dichter, die zowel in het Nederlands als het Frans schrijft. In diezelfde context, stijgende verdomming en toenemend nationalisme, vraagt menigeen zich af waar de dichter verblijf houdt. Daar hij op twee plaatsen in de wereld verblijf houdt, dit is bilokaal woonachtig, heeft hij op het Groot Smoelenboek van de heer Sukkelberg, voor de lol Bobigny als woonplaats opgegeven. Kom hem daar maar niet bezoeken. Evenmin als in Menen, Ieper, Leuven, Bossière, Brussel, Antwerpen noch Temse, waar hij ooit gewoond heeft.