Tafelen verbrijzelen, gezegdes bespottelijk maken, hoop de bodem inslaan

(Martin Walser over Friedrich Nietzsche)

Hij keert in zichzelf terug, uitgestrekt op een strandstoel aan de rand van het zwembad. Naast hem ligt verbrijzeld een tafel. Hierop valt niets te schrijven, tenzij op zijn buik.

Hij staat dan maar op, springt in het water en in zichzelf nog dieper, trekt baantjes.

Het mag gezegd worden hij ziet er onbeduimeld uit, zo helemaal zonder zwembroek, baantjes trekkend. Hoop op bevrijding uit zichzelf draagt hij niet mee. Die ligt aan stukken op de bodem van het zwembad. Hoe meer hij zwemt, hoe dichter hij zichzelf nadert en tegelijk uitput.

Een uur later laat hij zich neer op de strandstoel, laat hij zich de zon welgevallen, laat hij zich drogen.

Zo komt hij boven, komt hij zichzelf te boven. Pas dan bestelt hij een koel, zwaar bier, dat hij mondjesmaat en naakt opdrinkt.