KutBinnenlanders.nl

Dag: 29 juni 2012

Het Offer

Uit: Een broekzak vol rijst, ongewone verhalen uit Indonesië
Auteur: Theo Wilton van Reede

Dit boek is vanaf heden te bestellen via onze webshop.

Bijna twee maanden was hij nu op Java, de oude, magere Hollan­der. Zijn gelaat was al ingevallen, hetgeen zijn spitse neus nog sterker deed doen uitkomen. Zijn weinige, zilveren haren waren kort gehouden en lagen dicht tegen zijn hoofd­huid. Hij maakte een verzorgde indruk; zijn pantalon altijd in de vouw, zijn shirt gestreken, zijn schoenen gepoetst. Zijn lichaam was nog even vitaal als zijn geest.

Hij was op Java geboren in de tijd dat het nog Hollands gebied was. Op de theeplantage van zijn vader had hij een onbezorgde jeugd doorgebracht. Met de natuur had hij altijd een specia­le band gehad. Met de desajon­gens, zijn vriendjes uit het dorp, was hij op pad geweest, had met hen in de kali gevist en gezwommen, donkere bospaden beklommen, hoog tegen de bergen op, en hij had van de perku­tut’s meer genoten wanneer zij vrij koerden dan wanneer ze in een kooitje zaten. Hij kende de planten en hun functies en had ’s nachts ogen gehad als van een uil gehad en radar als van een vleer­muis.

Hij was in de stad naar school gegaan, waarbij het leren hem makkelijk afging. Omdat hij op het gymnasium, zo tussen al die witte klasgenootjes, zijn speelkameraadjes uit de desa miste, was hij rechten gaan studeren: inlands recht. Zo hield hij de band vast met de echte Indonesiërs, meende hij. Niet dat hij zichzelf veel anders zag. Voor hem was hij iemand van het land. Slechts zijn huidskleur verschilde van die van de meerderheid.

Terwijl hij zich voorbereidde op zijn afstuderen, waren de Japanners binnengevallen. Dat die Japanners hem niet zagen als iemand van het land maar als een overheerser, was een immense schok voor hem geweest. De jaren die volgden, in een concentra­tiekamp, hadden hem steeds meer van zijn stuk gebracht. Dat kwam niet doordat hij als dwangarbeider dagen­lang in de felle zon zwaar werk verrichtte of leed aan ziekten en honger. Nee, het kwam meer door de avondlijke gesprekken met zijn lotgeno­ten.

Steeds duidelijker was het hem geworden dat hij erg van hen verschilde.

Zij dachten heel anders over de Indonesiërs; keken er op neer.

Langzamerhand was hij erachter gekomen dat hij veel minder van het land was dan hij had gedacht. Dat hij bevoorrecht was geweest. Alleen al zijn studie …., wie had er ooit gehoord van een desajongen op een gymnasium?

Hij was zich gaan realiseren dat hij eigenlijk maar heel weinig wist van de Javaanse cultuur. Wat wist hij van de gamelan die ’s avonds laat in de verte weerklinkt met zijn gongs en xylo­foons die weer­kaatsen tegen de bergen? Wat wist hij van het schimmenspel dat wordt uitgevoerd op hoogtij­da­gen, de gebeden en selamatans, de motie­ven op de sarongs van vorsten en de sate­verkoper wanneer die op vrijdag naar de moskee gaat? Of van de intieme riten die voorafgaan aan een Javaans huwelijk?

Terwijl de meesten van zijn lotgenoten op al die dingen neerkeken ook al wisten ze er niets vanaf, was hij zich schuldig gaan voelen dat hij zich er zo weinig in had ver­diept. Van inlands recht wist hij veel, evenals van de kwaliteit van het bier en de jenever in de studentensocië­teit, maar van al dat andere, zo in overdaad aanwezig, wist hij tragisch weinig.

En terwijl de grootste frustratie van zijn lotgenoten het verlies van hun machtspositie leek te zijn, begon hij meer en meer te begrijpen dat er in zijn leven, als iemand van het land, iets fundamenteel fout had gezeten.

Waar zijn lotgenoten ’s avonds achter de kampomheining van bamboe en ge­vlochten riet luidruchtig bazige plannen maakten voor Java, luisterde hij, samen met een enkele vriend, naar de geluiden van de cicak, de kikkers en de tokeh en overdacht stil hoe hij zijn leven straks een nieuwe, diepe inhoud zou gaan geven.

De oorlog was voorbij en de Japanners waren gegaan. De revolu­tie was uitgebroken en een paar jaar later was Indone­sië onafhankelijk geworden.

Die revolutie had hem innerlijk verscheurd. Waar hoorde hij thuis? Bij die Hollanders die met bruut geweld hun oude rijk trachtten te herstellen maar wier vrouwen en kinderen door eveneens bruut geweld omkwamen? Of bij de Indonesiërs waar hij zich veel dichterbij voelde staan maar die hem niet meer zagen als iemand van het land alleen vanwege zijn huid die wit was en zijn ogen die blauw waren? Omdat hij de ene partij niet wilde steunen en de andere hem niet accepteerde, vlucht­te hij naar Holland  –  een land dat hij niet kende en dat hem niets zei, maar waar iedereen er tenmin­ste uitzag als hijzelf.

Het was hem in Holland redelijk wel gegaan. Hij had carrière gemaakt, was getrouwd, had kinderen gekregen.

Indonesië had hij diep weggestopt al had hij de gewoonte naar een Indonesisch restaurant te gaan wanneer hij in Den Haag was. Zonder gezel­schap, alleen met zijn gedachten.

Zijn vrouw was vroeg overleden en met zijn kinderen slaagde hij er steeds minder in een goed gesprek te voeren. Niet dat ze niet hartelijk of zorgzaam waren; ze kwamen vaak genoeg. Maar ach, ze hadden zo hun eigen leven. Met Indië had hij ze niet opgevoed en nu, nu hij ouder werd en de oude gevoelens en banden sterker en sterker werden, kon hij zich maar moeilijk tegenover hen uiten.

Hij ging vervroegd met pensioen en had een reis naar Indone­sië geboekt. Met een reisgezelschap vanwege de angst voor herinne­ringen en pijn en vanwege de angst dat de Indonesiërs hem, net als tijdens de revolutie, als een vijand zouden zien.

Het was een fantastische reis geworden, vol heerlijke erva­rin­gen. In het reisgezelschap had hij zich niet op zijn plaats gevoeld maar te midden van de Indonesiërs was hij volmaakt gelukkig geweest. Tranen van verdriet waren er nauwe­lijks geweest, tranen van ontroering in overvloed. Hij was teruggekeerd op een nest vol warmte.

De jaren daarop volgend was hij telkens teruggegaan. Hij had veel gestudeerd. De motieven op de sarongs kende hij nu en de sateverkoper had een naam gekregen. De mystiek en de techniek achter de gamelan kende hij en nieuw verworven Javaanse vrienden hadden hem uitgenodigd voor besnijdenissen, huwelij­ken en begrafenissen. Waar hij werd gevraagd voor een toe­spraak, ver­stond iedereen hem in de eigen taal en noemde hem vader.

Maar wat hij niet van zich af kon zetten, was een gevoel van schuld.

Schuld voor wat de Nederlanders op Java hadden aangericht, het goede dat zij hadden gedaan daar gelaten. En het gevoel van schuld dat de rijkdom van zijn familie en zijn jeugd gebouwd leek te zijn geweest op de gebogen ruggen van die oude mensen die nu zo vriendelijk voor hem waren. En schuld omdat hij niets voor zijn desavriendjes had gedaan en uit verwarring en lafheid naar Holland was gevlucht.

En nu was hij dan al weer twee maanden op Java. Hij had ze doorgebracht bij de Tengger, in een van hun dorpjes, hoog tegen de berghellingen van het Tenggergebergte in Oost Java, niet ver onder de krater waarin ook de Bromo en de Batok liggen.

Hij was in de kost gegaan bij een familie die hem liefderijk had opgenomen. Hun taal, een oud Javaans dialect, was hij niet machtig zodat hij hun onderlinge gesprekken niet kon volgen. Hij had dat jammer gevonden. Uiteraard spraken de Tengger Indonesisch met hem en deden hun best in hun uitleg van van alles en nog wat. Maar helemaal hun kern raken, dat kon hij zo niet en dat voelde hij. Ze hadden hem verteld van hun oude religie, een religie waarin nog veel school van duizend en duizend jaar geleden. Over hun relatie met de eigen geesten en goden waren de rijke golven van het hindoeïsme gebruist en later van het boeddhis­me. Zo had hun geloof vorm gekregen. Toen de islam kwam en het oude rijk van Majapahit ten onder ging, waren ze de bergen van Tengger in gevlucht. Zeshonderd jaar woonden zij daar nu, een volk van zestigduizend eigen­zin­nige zielen.

Het waren twee heerlijke maanden geweest, zo overdacht hij op zijn vaste plekje, een grote rots aan de rand van een helling die glooiend richting rivier liep, diep onder hem.

Voor zover mogelijk was de helling bebouwd met prei, kool, wortel, bloemkool en andere gewassen die de Nederlanders er ooit hadden gebracht. Het had iets ironisch: die bloemkool naast het stenen hindoe altaar met hemzelf als synthese erbij.

Tegenover hem rees een berghelling steil omhoog, met dichte bebossing en wilde rotsen. Hij zag een kleine gestalte omlaag klauteren. Het was vijf uur geweest en het begon snel af te koelen. De nachten in de Javaanse bergen zijn koud. Hij zag de mannen huiswaarts keren, hun sarong over hun hoofd hangend tot aan de kuiten, de armen er onder.

Het was voor de Tengger een drukke tijd: het jaarlijkse Kassa­dafeest stond voor de deur. De Tengger hadden geen tempels maar kwamen voor religieuze bijeenkomsten bij elkaar op een grote, platte steen op de top van een heuvel, vlak bij de begraaf­plaats. Ook die avond zouden ze bij elkaar komen en hij zou er bij zijn.

De priester zou de mensen behulpzaam zijn met het uitkiezen van de offergaven. De volgende nacht zouden ze met bloemen, vruchten, kippen en geiten de lange tocht naar boven maken, over de kraterrand heen, de zandzee door en dan nog verder omhoog, naar de rand van de Bromo. Daar zouden ze bidden en met gebogen hoofd aan hun priester hun diepste verlangens kenbaar maken. Die zou middelaar zijn tussen hen en Bromo. Daarna zouden ze hun offergaven in de kolkende, walmende diepte van de krater werpen, tweehonderd meter lager.

Die avond, te midden van de Tengger op de steen op de heuvel­top, overdacht hij zijn eigen offergave en het was daarbij alsof het licht van de kleine gloeilampjes ook een donkere plek in zijn hart verlichtte.

De zon was al lang onder gegaan toen de stoet uit het dorpje zich de volgende avond langzaam in beweging zette bij het licht van toortsen en zaklantaarns. Het was een lange stoet die voortdurend nog groeide bij elk dorp dat werd gepasseerd. Jongeren in leren jack waar over­heen een sarong, zwangere vrou­wen, oude mannen te paard, zacht protesterende kippen en bokkige geiten vormden een geheel. Langs de weg waren houts­koolvuurtjes en hun geur vermengde zich met de geuren van kruidnagelsigaretten en fruit.

Het was geen stille tocht. Om hem heen werd veel gepraat en vaak gelachen. Hij voelde zich volkomen op zijn plaats en een grote rust maakte zich van hem meester. Hoewel de weg steil omhoog liep voelde hij zich niet moe worden. De kou raakte hem niet want ook hij droeg zijn sarong vanaf het hoofd.

Dan liep de weg ineens zacht golvend naar beneden. Hij wist dat ze nu aan de rand van de zandzee kwamen. Even later klotsen de hoeven van paarden en geiten niet meer op keien. Het liep makkelijker nu; de grond was meer egaal. Het zwarte zand reflecteerde het licht niet dat werd meegedra­gen, waardoor hij het gevoel had op donkere wolken te lopen.

Al meer dan twee uren liepen ze zo. Hij praatte niet meer met de mensen rond hem heen; denken deed hij ook niet veel meer. Het was nog slechts een kwestie van overgave. 

De lange, steile trap omhoog lag plotseling voor hem, de steile trap naar de kraterrand van Bromo. Elke tree nam hij met stijgende moeite. Hij transpireerde ondanks de kou en zijn ademwolken waren zichtbaar door de lichten. De zwaveldamp benam hem bijna de adem.

De laatste paar treden was zijn lichaam niet zwaar meer; hij leek het overwonnen te hebben. Toen hij wankelend aan de kraterrand stond, voelde hij helpende handen onder zijn oksels. Hij waardeerde die zorg­zaamheid. De handen hielpen hem richting priester; gezichten kon hij niet onderscheiden. Hij boog het gelaat toen hij voor de priester stond en bracht zijn diepste wens in het Indonesisch over. Even was er een stilte in ruimte en tijd, toen hoorde hij de priester zacht iets zeggen in het Tengger. De helpende handen leidden hem naar de kraterrand en even later voelde hij nog slechts een snel sterker wordende warmte onder zich.

De priester legde aan Bromo de diepte van dit zoenoffer uit en bracht de diepste wens van de oude man over: dat er tussen Holland en Indonesië nooit meer pijn zou zijn.

************

desa: dorpje
kali: stroompje, rivier
perkutut: tortelduif
gamelan: orkest van o.a. gongs, metallofoons en drums
selamatan: gebedsdienst gevolgd door gezamenlijke, rituele maaltijd
sarong: omslagdoek van heupen tot aan de enkels, zowel voor mannen als voor vrouwen
cicak: muurhagedis
tokeh: gekko


Noot van de redactie: De auteur is helaas niet meer onder ons. Zijn boek echter wel! Deze mooie bundel vol prachtige kortverhalen is nog te verkrijgen via arjanodw@gmail.com voor Euro 10,- + verzendkosten.

ISBN 90-5117-235-4
Uitgeverij Edu Actief
Overgenomen met toestemming.

 

La Garzuela

Over haar eigen moeder placht zij te zeggen: ‘Zij was intelligent en lui.’ Die moeder was de dochter van een armoedige en muzikale edelman uit de Bohemen, zelf had zij ook iets aristocratisch over zich, met het gitzwart haar, lelieblanke huid en hang naar het farniente. Zij sprak drie talen en las alleen maar: romans, doorlopend, overal. Haar kleding hing aan elkaar van veiligheidsspelden, haar huishouden was verslonsd, haar kinderen vrij. Wij noemden haar ‘la mémé borgne‘, vanwege haar oog dat er na een ongeluk vreemd was blijven uitzien. Mijn oma Toune zelf was intelligent en helemaal niet lui, wellicht in reactie op haar moeder.

.

Ze was het wonderlijkste wezen op aarde. Dat zullen alle lieden die haar hebben meegemaakt, vriend of vijand, beamen. Zij had een ongekend grappig voorkomen en een hoge stem waarmee zij voortdurend bijtend kritisch commentaar leverde op haar omgeving: een eeuwige bron van vermaak. Althans voor degenen, zoals mijn tantes, mijn neven, mijn vader en ik, die qua humor op dezelfde golflengte zaten. Voor de rest, onder anderen mijn moeder, was zij vreselijk irritant, zo niet kwaadaardig.

Voor mij, haar eerste kleinkind, was zij de hemel. Ik heb dan ook menige vakantie opgeofferd om maar weer bij haar te mogen zijn; al was zij ver in de negentig en ik bijna een halve eeuw oud en inmiddels gevangen in een land waaruit je logistischerwijze alleen kon ontsnappen als je het in je had om maanden van tevoren vervoerskwesties te regelen – een hoedanigheid die ik nog steeds ontbeer. Ik had ook de pech dat zij, vermogende vrouw, overal in Frankrijk landgoeden bezat, waar ze zonder waarschuwing naar toe verkaste: het was dan zaak om haar op te sporen en mijn lang van te voren geboekte vlucht- of treinschema om te buigen tot iets bruikbaars.

Komische blik op het leven

Nooit in mijn leven heb ik zoveel gelachen als met haar. Ik zie mezelf nog vastklampen aan de deurpost om niet ineen te zijgen van de slappe lach. Ze kon er niets aan doen: ze had een komische blik op het leven, en de schelle stem waarmee ze haar overpeinzingen de wereld in stuurde was onweerstaanbaar. Zij draaide haar hand er niet voor om om, tot ze bijn 100 was, midden in een verhaal op te staan om deze of gene te imiteren. Nu eens liep ze als met een mankepoot, dan weer deed ze een dame na. Ze had die gave: je zag die mensen voor je. Zij kon ook putten uit een peilloos reservoir aan randdebielen – mijn geboortestadje. ‘Als ik die ’s ochtends zie, raak ik het beeld niet meer kwijt.’ verzuchtte zij weleens. Ik herinner mij haar: ‘Il est bien poilu pour un curé’ (wat heeft ie toch een haar voor een priester) bij het TV-optreden van een geestelijke, een groepering die het sowieso moest ontgelden: ‘Ces prêtres, c’est tous des pédés’ (allemaal homo’s die priesters).

Eens moest ze naar de polikliniek in de grote stad. Mijn tante reed haar daar naar toe, in haar oude Mercedes “une grosse bagnole allemande pas chauffée”. Door de sneeuw kwamen ze een uur te laat aan. Het team was in alle staten: ‘Waar blijft mevrouw nou?’ zuchtte haar geneesheer. Zij stond achter hem: ‘Maar dokter, hier ben ik.’ Zij volgt hem in zijn kamer, doet haar jas en haar pruik uit, en hangt die allebei aan de kapstok. Zij gebruikte haar pruik als muts. De arts lachte zo erg dat hij de foto niet kon maken. Zo deed zij ook haar gebit uit haar mond voor elke maaltijd. Tanden droeg zij slechts ‘pour la galerie’. Kauwen kon je toch niet met die nepdingen. Als ik haar vroeg hoe ze dat dan deed, kauwen, antwoordde zij: ‘Ik heb mijn tandvlees zo getraind dat het hard is geworden.’

Vrouwen die zich teveel om hun uiterlijk bekommerden becommentarieerde zij met ‘Ciel pommelé et femme fardée sont de courte durée’ (Lucht met schapenwolkjes en vrouw met make-up zijn van korte duur) en mijn ouders kregen er regelmatig van langs: ‘Ton père a une panse de pachyderme et ta mère un cul de baleine’ (je vader heeft de pens van een pachyderm en je moeder de kont van een walvis). Een man buiten aan het werk kon rekenen op: ‘Regarde la comédie qu’il fait pour gagner quatre sous ce pauvre type.’ (Kijk aan wat een gehannes voor deze arme man om twee centen te verdienen). Zij kon het ook nooit over iemand hebben zonder pauvre ervoor te zetten: ‘Ce pauvre monsieur Untel’ of ‘cette pauvre Truc-machin-chouette’ waren ook standaard uitdrukkingen uit haar repertoire.

Op zeer oude leeftijd (88-96 jaar) ging ze opeens als sopraan on stage zingen. Als ze me belde dan klonk er: ‘Ik bel je snel tussendoor, moet zo naar het theater. Ik belde om te horen of je mijn 150 euro had ontvangen. Oh ik moet gaan zie ik. Dag lieve schat.’ En weg was ze weer. Als ze verhalen vertelde over vroeger, dan zei ze steevast: ‘Toen ik jong was…’ Ze had het dan over toen ze in de vijftig was. Ik was toen net 40 en vond mezelf al oud.


De “razier”

Mijn tantes waren ook fans. Zij vertelden dat zij eens op de winkel pasten terwijl Toune naar le razier ging, één van de terreinen waar ze elke dag tot haar dood op 96 jarige leeftijd ravotte. Het was een kolenterp van de mijnen, die ze van de gemeente gekregen had in ruil voor een stuk land dat ze nodig hadden. Iedereen verklaarde haar voor gek: wat? Een afvalberg? Waar in de kern vuur smeult? Die elk moment in kan storten? Maar zij liet zich niet weerhouden. Het uitzicht was er fenomenaal: je bevond je op een kunstmatig plateau tussen twee bergen die zachtjes naar beneden helden, naar het Westen toe, waar de horizon in de verte doorgestreept werd door een Tafelbergachtige rij stenen tanden. Daar ging de zon dan onder, elke avond. Daar ben ik ook vanaf mijn achtste opgegroeid, want mijn vader eigende zich al gauw het leeuwendeel van die terp toe en bouwde onze villa erop alsmede megalomane fabrieken.

Mijn oma bedekte het kolengruis met potgrond en plantte er moeskruiden en fruitstruiken. Elke dag stookte zij er een vuurtje, met het snoeisel en verder alles wat ze niet meer nodig had; ze bracht er zelfs expres voor haar vuilniszakjes afval mee van thuis. Bij haar crematie toen wij naar buiten liepen en keken naar de pluim zwarte rook uit de schoorsteen kronkelen merkte mijn neef dan ook giechelend op: “We hadden een oud plastic zakje en een leeg conservenblik in de kist moeten doen.” We hebben die dag uren de slappe lach gehad, niet in de laatste plaats omdat mijn tante Monique haar gave voor imitaties geërfd heeft – een passender afscheid kon je haar niet toewensen.

Ik heb vertegenwoordigers gezien die, op zoek naar haar, op de razier terecht waren gekomen, en die stokstijf en met open mond naar haar waren blijven staren. Zij verwachtten een deftige dame, n.l. de eigenaresse van een winkel in een toeristisch stadje, en zagen daar een klein mollig dingetje in slobberbroek, die ondanks haar vergevorderde leeftijd in bomen klauterde om er een tak van af te zagen, en die, als zij haar uiteindelijk riepen, onder de schutting door rolde om naar ze toe te geraken.

Maar die middag dat mijn tantes op de winkel pasten, moesten er klanten komen om een bestelling te halen. Toune kwam terug van haar exercitie in het groen, duwde resoluut de glazen voordeur open en schalde met haar schelle stem door de winkel: ‘ILS SONT VENUS CHERCHER LA CAME?’ (= zijn ze nog de rotzooi komen ophalen?) De klanten bevonden zich nog in de winkel.

De pech voor mijn moeder – het drama van mijn moeder zou ik moeten zeggen – is dat ik, haar éérste (en ook vreselijk gewenste) kind, met de jaren steeds meer op mijn oma bleek te lijken; iets dat ik me pas ver in de veertig realiseerde – toen viel de puzzel ook genadeloos op zijn plaats. Mijn moeder haatte mijn oma. Zij haat ook de dochters van mijn oma, die allebei ook elk op haar eigen manier op haar lijken, en zij zou mij eigenlijk het liefst ook openlijk haten, als dat op een of andere moreelplichtsmatige manier niet vreselijk onhandig uitkwam (ik haar bloedeigen dochter zijnde, die haar geen ander vreselijk onrecht aan heeft gedaan dan op mijn oma te lijken).

Mijn oma dus. Onze komische mater familias. Onze oppernar. Ons baken in de duisternis. Ons kompas. Onze ontembare, grappige, aanbiddelijke, excentrieke en vreselijk intelligente Toune. Een bohemien tegen wil en dank. Een onuitwisbare verschijning, met haar eeuwige joggingbroek aan (in een tijd en op plekken waar niemand die dingen droeg, waar die dingen niet eens bestonden), haar spaarzaam geworden haar dat maar niet grijs heeft willen worden, de vormeloze hoed, de oude, versleten spullen waarmee zij zich bleef omringen, al was zij inmiddels vermogend genoeg om zich in luxe te laven. Aan luxe had zij een hekel. Haar geld spendeerde zij enkel aan het bemachtigen van grote lappen land en aan het spekken van haar kleinkinderen – iets waar ik haar niet genoeg voor kan danken: in mijn armzaligste jaren was zij de enige die mij regelmatig geld toestopte, wat vaak genoeg mijn enige bron van inkomsten was en mij zodanig voor de hongersnood cq totale aftakeling heeft behoed.

Zij heeft een onuitwisbare stempel op onze wereld gedrukt. Mijn tantes spreken daarom eerbiedig van ‘l’ère Tounesque’  als zij het hebben over de tijd waarin zij leefde.

Vroege jeugd

Zij werd in 1914 geboren in Bochum als Maria Adelina Andreatta, uit Italiaanse ouders die in de Piemonte maar niet van hun zijderupsenkweekerij bleken te kunnen leven en naar Duitsland waren geëmigreerd. Na de Eerste Wereldoorlog wilden zij trouwen maar dat mocht niet zomaar: de regering dwong het gezin te kiezen tussen de Duitse nationaliteit of vertrek. Het verliefde paar koos voor het laatste en ze namen met de twee dochters die ze toen hadden de trein terug naar hun landgoederen in de Piemonte. Hun moeder, mijn overgrootmoeder Maria Magdalena, zwanger van mijn oudtante Gemma, kon enkel haar donzen dekbedden meenemen – die haar door een streek des toevals op een stationsperron ontstolen werden. In Rueglio werden ze ontvangen door mijn betovergrootmoeder Domenica. Daar is Gemma geboren, die uit dankbaarheid de doopnaam van haar oma kreeg en eigenlijk Domenica heette, zonder dat iemand in de familie die naam ooit gebruikte. Toune, die altijd zong en danste, kreeg van de dorpsgenoten het koosnaampje ‘la Garzuela’ wat zoiets als ‘de vrolijke kikker’ betekent moet hebben. Gedreven door armoede week het gezin echter al snel uit naar de bergen van Frankrijk, waar Victor werd geboren. Het gezin was afgrijselijk armoedig. Vader en moeder werkten in de mijnen (vader diep onder de grond en moeder aan de triage). Elke ochtend behalve zondag stonden ze midden in de nacht op om vijf kilometers naar de schachten te lopen. Wel zorgden de mijnen in die vroege jaren al voor onderdak en kolen, en moet er iets van een ziekenfonds zijn geweest. Toune was 7 jaar oud, en sprak Duits en Piemontees. Op de basisschool waar ze op terecht kwam werd ze gepest: de dorpse kinderen scholden haar uit voor ‘la Boche‘ (de Moffin).

Eens kreeg Toune van haar oom Louisin een modieus hoedje waar ze de hemel te rijk mee was. De eerste dag dat ze hem op deed om naar school te gaan werd het hoedje van haar hoofd gemept door klasgenoten. Het lieflijke hoofddeksel belandde in de modder, de kinderen hebben erop gestampt. Het zou nog vijftien jaar duren voor mijn oma opnieuw iets moois kreeg om aan te trekken, tot de estheet van een Fransman met wie ze trouwde (mijn opa) zich de gewoonte aanmat voor haar elegante jurken te kopen. Na zijn verdwijning uit haar leven is zij daar dan ook spoedig mee opgehouden, en, ondanks dat zij een jongere vriend kreeg, hebben wij haar nooit anders gekend dan in vormeloze gemakskleding. Misschien droeg ze liever kleren waarvan het niet zonde was als ze vertrapt werden in de modder.

De liefde

Toune was bovenmatig intelligent. Ik heb schriften uit haar middelbareschooltijd gezien, van vakken zoals biologie en scheikunde, waar ik steil van achterover viel: van het niveau waar biologie scheikunde wordt en scheikunde biologie. Je verwacht het niet van een allochtoontje van het vrouwelijk geslacht uit een armoedige emigrantenfamilie in de jaren ’20. Zij haalde de beste cijfers en mocht doorleren. In haar vrije tijd werkte ze bij een fotograaf, die haar, naast haar gewone taken ook veelvuldig liet poseren. Gaandeweg kon hij zijn verliefde gevoelens niet meer verborgen houden: ze was ook werkelijk beeldschoon. Maar er waren kapers op de kust. Albert, een jonge beeldhouwer, oudste zoon van een uiterst serieuze Franse familie had de schone hulp van de fotograaf opgemerkt en maakte haar het hof. Zij was niet ongevoelig voor zijn charmes, al ontkende zij later in alle toonaarden hem ooit aantrekkelijk te hebben gevonden: “Hij had een grote neus en grote voeten”, en ik en mijn eigen kinderen ook, want, u raadde het al, die jongen was mijn opa. Hij was geen lolbroek. Het is eigenlijk een raadsel waarom zij, extraverte vrolijkerd, voor zo’n gesloten kerel koos. Opposites attract of zoiets. Of het moet zijn intellect zijn geweest: net als zijn twee broers was hij gecultiveerd en politiek geëngageerd. Die broers maakten uiteindelijk carrière in het hoge onderwijs terwijl hij voor het ambacht koos maar dat maakte niet veel uit: hij had de dictie van een heer. Dat Toune hem meer dan leuk vond bleek al gauw: op een zondag nodigde hij haar uit voor een picknick. Hij moet op dat ogenblik charmant hebben weten over te komen, zoals veel mannen dat opeens kunnen opbrengen in de vrouwenjacht. Daar op die bloeiende weide liet zij zich kussen, en meer dan dat. Toen zij een paar weken later weer eens kotsmisselijk wakker werd en de tijd van de maand maar niet kwam moest ze wel beseffen: ze was zwanger. En 19.

Haar moeder was katholiek. Voor haar geen sprake van dat haar dochters een atheïst zouden huwen. Bovendien wenste zij niet minder dan ingenieurs voor haar getalenteerde dochters. Iets dat gelukt is bij Isabella en Gemma, maar wat voor de eerste rampzalig is uitgepakt: hij dronk en sloeg haar. Maria Magdalena sprak haar veto uit over de affaire en stuurde mijn oma linea recta naar een echtpaar dat aan de Middellandse zee woonde, waarvan een broer met haar zou trouwen en het kind adopteren. Toune was ontroostbaar. Op een dag is ze gevlucht. Met haar koffer in de hand zat ze in Nice op een bank in het park, hoogzwanger, tranen met tuiten te huilen toen een voorbijgangster haar vroeg naar de reden van dat grote verdriet. De reddende engel schreef toen iets op een papiertje en gaf dat aan haar. Het was het adres van een tehuis voor gevallen meiden in Lyon, zo’n 150 km van thuis. Daar, verborgen voor de onwetende buitenwereld, gaf mijn oma na een bloederige strijd – hij moest met de tang gehaald worden – het licht aan mijn vader. Vervolgens ving ze, de boreling in haar armen, de reis terug aan naar ons stadje hoog in de bergen.

Ze stapte de bus uit bij het stadhuis. Wie schetste haar verbazing toen zij daar de aanstichter van haar misère zag staan, met een bos bloemen en een aanzoek. Hij had al die maanden zwijgend op dit moment gewacht. Ze wierp zich om zijn hals, liet hem zijn zoon zien, mijn overgrootmoeder zwichtte en ze trouwden.

Ze kregen al gauw nog een kind, een meisje, Janie, die ziekelijk bleek. Zij had acute gewrichtsreuma en iets aan haar hart. Mijn oma had ondertussen haar diploma als onderwijzeres behaald en begon les te geven, terwijl Albert in zijn kleine atelier tegenover de begraafplaats beelden hakte uit het blanke marmer uit Carrara. Mijn opa had zijn dienstplicht bij de marine gedaan en had er een passie voor de zee aan overgehouden. Ze spendeerden dus hun vakanties steevast aan de kust.

De Tweede Wereldoorlog

De Tweede Wereldoorlog brak uit. Mijn opa, die communist was, ging het verzet in, dat in de bergen zeer actief was en le maquis werd genoemd. Als senior coördineerde hij het een en ander. Liet spoorbruggen opblazen, dat soort dingen. Toune en Albert kregen een derde kind, mijn tante Monique, die zich haar vader niet zou herinneren. In de nacht van 29 maart 1944 werd het gezin opgeschrikt door hard gebonk op de deur. Dat was de milice (de Franse gestapo), die mijn opa kwam arresteren. Iemand had hem verlinkt. Zij stormden naar de slaapkamers op de eerste verdieping. Mijn oma, met mijn tante Monique op de arm, merkte op dat het vreselijk koud was voor de baby, en vroeg of ze de kachel aan kon maken: in de ijskoude winter in de hoge bergen geen ongebruikelijk verzoek, dat dan ook ingewilligd werd. Toune daalde de trap af naar de begane grond, gooide een stapel papieren in de haard en stak het aan. Ze keek het eventjes branden, en spoedde zich weer naar boven: ze had belangrijk bewijsmateriaal zoals namen van compagnons verzetsstrijders vernietigd, die laatsten zodoende reddend van wrede marteling en een wisse dood.

Een laatste blik naar zijn mooie vrouw, zijn kinderen, zijn baby, en Albert werd weggesleurd om nooit meer terug te komen. In eerste instantie belandde hij in Lyon in een niet al te onaangename gevangenis in Saint Sulpice-La Pointe, waar hij de tijd doodde met het houwen van beelden uit stukjes hout die hij vond, met ad hoc gereedschap. In juli 1944 ontruimden de Duisters het kamp. De gevangenen werden ’s nachts in veewagens per spoor naar Buchenwald vervoerd, het concentratiekamp waar politieke gevangenen, Roma’s en homo’s werden opgesloten om vermoord te worden. Hij werd te werk gesteld in de zoutmijnen van Plömnitz vlakbij Bernburg. Albert vermagerde zienderogen. Hij was niet bestand tegen het zware regime in het kamp. Als in de lente van 1945 van twee kanten de verlossing oprukte, vanuit het Westen de Amerikanen, vanuit het Oosten de Russen, was hij een schim van zichzelf: vel over been, het lichaam bedekt met hongeroedemen. Op 12 april 1945 bevalen de SS de ontruiming van het kamp, zodat de gruwelen ervan niet ontdekt zouden worden. Albert was te zwak om te lopen: hij zakte in elkaar en met een genadeschot in de nek rolde hij de berm in. Met een dertigtal lotgenoten kreeg hij ter plekke een massagraf. Hij was 36 jaar oud.

Nooit meer

Toune was zich van het drama niet bewust, toen na de capitulatie van Duitsland de Franse autoriteiten de rapatriëring van de gevangenen aankondigden. Zijn naam stond op de lijst. Vol verwachting telde ze de dagen. Op de voorspelde datum kleedde zij haar kleine Monique aan en begaf zij zich met bonkend hart naar het plein voor het stadhuis, waar de bus met de gevangenen weldra parkeerde. Het ene na het andere scharminkel stapte uit de wagen, gebroken zielen zonder hoop op herstel. Haar man zat er niet tussen. Wel haar broer, die zich met een mengeling van blijdschap en schaamte bij haar voegde. Zij kuste hem. Hij murmerde wat, durfde het niet hardop te zeggen. Maar hij kon de aanblik van Toune niet verdragen, die met haar peuter aan de hand over zijn schouder heen nog steeds naar de stroom overlevenden tuurde, in de hoop haar man te ontwaren. Haar man zou niet komen, nooit meer, zei haar broer. Zij hoorde het niet, keek naar de rij gedaantes omhelsd door dierbaren.

‘Wat bedoel je Victor?’

‘Ik heb zijn plaats ingenomen’

‘Zijn plaats? Waarvoor?’

‘Anders moest ik op eigen houtje terug komen. Ik was maar een gewone gevangene, hij kwam uit het concentratiekamp, die werden gerepatrieerd, ik niet. Het spijt me heel erg zusje, maar je man is dood. Doodgeschoten door die vuile SS’ers.’

Haar wereld verging. Daar stond ze: een weduwe van 30 jaar oud, met de eigen zaak van Albert waarvoor zij het lesgeven opgegeven had om die voort te zetten in zijn afwezigheid, en drie kleine kinderen, waarvan een raddraaier van een zoon, een ziekelijk geval en een peuter.

Pas recentelijk, toen hij op 82 jarige leeftijd de Yad Vashem kreeg, ontdekten wij dat Gaston, een broer van Albert, honderden Joden had gered door ze te voorzien van valse identiteitsbewijzen, wat hij kon doen omdat hij, onderwijzer zijnde, tijdelijk gerecruteerd was als medewerker van de burgerlijke stand in de omgeving van Grenoble. Het balletje ging rollen en zo kwamen wij er achter dat ook Gemma en Victor in het verzet hadden gezeten. Geen van allen hebben er hun hele leven een woord over gerept, sterker nog: zij hebben ons zonder een krimp te geven 60 jaar lang de heldenrol van de familie laten toebedelen aan Albert. Wat de familie op haar beurt voor Gaston geheim heeft gehouden, is de brief die Albert vanuit Saint Sulpice aan het thuisfront schreef, waarin hij vertelde kans te hebben gehad om te ontsnappen, maar daar vanaf had gezien door de belofte van Gaston dat hij hem er via zijn contacten spoedig uit zou halen. ‘Ik heb zo’n spijt dat ik naar Gaston heb geluisterd.’ schreef hij. Gaston werd daarover zijn leven lang verteerd door schuldgevoelens. Hij die honderden Joden had gered had zijn bloedeigen broer de dood ingejaagd.

Wie Albert verlinkt heeft blijft gissen. In 1980 werd een straat in het stadje naar hem vernoemd. Mijn oma weigerde naar de plechtigheid te gaan. In de wandelgangen vatte ik op dat de verrader zich onder de initiatiefnemers van dat plan bevond. Veel later hoorde ik dat de fotograaf waar ze als jonge vrouw werkte er iets mee te maken kon hebben. Hij was immers verliefd op haar en kon het niet verkroppen dat mijn opa haar onder zijn neus vandaan schaakte.

Dat het de Amerikanen waren die Buchenwald bevrijdden is min of meer toeval: van alle kanten rukte de verlossing op. Russen, Britten, Canadezen en Amerikanen namen de Duisters in de tang. In een documentaire werd uitgelegd waarom de Amerikanen zich zo laat met die oorlog bemoeiden; ze hadden er gewoon geen zin in. Pas toen duidelijk werd dat de Russen zover waren gekomen in hun mars naar het Westen schokken zij wakker. Zij moesten coûte que coûte een rode suprematie in Europa voorkomen. Dus trokken zij ten strijde, ontscheepten op D-day massaal in Normandië en koersten verder naar het Oosten. Voor het nageslacht blijven de Amerikanen echter de überverlossers, de onbaatzuchtige helden die in groten getale hun leven gaven om ons te redden uit de klauwen van de wrede onderdrukker. Wat tegelijkertijd ook waar blijft, natuurlijk.


 

© 2021 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑