Met het overlijden van J.D. Salinger voel ik me geroepen om een ooit eerder op het internet geopenbaarde éérste vertaling van Catcher In The Rye opnieuw voor het publiek online te kwakken. Mocht u enige twijfel hebben over de authenticiteit van deze tekst, zoek zelf het boek Puber op, en lees het na, en trek uw eigen conclusies. De onderstaande tekst is letterlijk overgetikt van naar mijn weten de allereerste Nederlandse vertaling van Catcher In The Rye. Veel leesplezier !

<-- Lees eerder: Inleiding

I

ALS JE DAN WERKELIJK ZO BENIEUWD BENT, DAN WIL JE
natuurlijk in de eerste plaats weten waar ik geboren ben, wat ik zo al in mijn jeugd uitgespookt heb, waar mijn ouders vandaan kwamen en wat ze uitvoerden voor ze met mij opgescheept werden, en ga zo maar door; maar om je de waarheid te zeggen voel ik daar niks voor. Ten eerste omdat het me geen sikkepit interesseert, en ten tweede omdat mijn ouwelui een rolberoerte zouden krijgen als ik iets persoonlijks over ze vertelde. Op dat punt zijn ze verdraaid kleinzerig, vooral mijn vader. Ze zijn reuze geschikt en zo, daar niet van, maar o, zo gauw gepikeerd. Bovendien moet je niet denken dat ik van plan ben met mijn levensloop op de proppen te komen. Ik wou alleen maar wat vertellen over die waanzin die me omstreeks Kerstmis verleden jaar overkomen is, dus voordat ik van slag raakte en hier naar toe moest om een poosje piano aan te doen. Meer heb ik D.B. ook niet verteld, en die is nog wel mijn bloedeigen broer. Hij zit nu in Hollywood. Dat is niet zover hier vandaan, en hij komt me practisch ieder weekend opzoeken.
Als ik naar huis toe mag, volgende maand misschien, dan komt-ie me halen. Hij heeft pas een Jaguar gekocht – je weet wel, die lage Engelse dingetjes, die een dikke tweehonderd kilometer per uur doen. Dat grapje heeft hem bijna vier mille gekost, maar hij zit tegenwoordig aardig in de slappe was. Vroeger niet. Vroeger, toen hij nog thuis was, schreef hij gewoon boeken. Ken je Het Geheim van de Goudvis, die bundel korte verhalen? Die is van hem. Het beste is Het Geheim van de Goudvis zelf. Het gaat over een klein knulletje dat geen mens zijn goudvis wil laten zien, omdat hij hem van zijn eigen spaarcenten gekocht heeft. Moorddadig. Nu danst-ie in Hollywood om het Gouden Kalf, D.B. Als er één ding is waar ik de pee aan gezien heb, dan is het de film wel. Praat me d’r niet van.
Maar ik wou mijn verhaal eigenlijk beginnen met die dag waarop ik van Pencey wegliep. Pencey is die kostschool in Agerstown, Pennsylvania. Je zult er wel eens van gehoord hebben, of anders heb je de advertenties toch wel gezien. Ze adverteren in zowat alle tijdschriften, en altijd met een plaatje van een vlotte jongen die te paard een hindernis neemt. Alsof je in Pencey de hele dag niets anders doet dan polo spelen. Ik heb er zelfs nog nooit een paard gezien. En onder dat plaatje zetten ze dan altijd: “Sedert 1888 het opleidingscentrum waar jongens gevormd worden tot uitmuntende, zelfstandig denkende persoonlijkheden”. Waar halen ze het vandaan. Ze hebben in Pencey geen greintje meer benul van vormen dan op welke andere school ook. En over die zelfstandige denkers zul je al evenmin je nek breken. Ik heb er alles bij elkaar misschien twee gekend. Hooguit. En die waren het waarschijnlijk al voor ze naar Pencey gingen.
Hoe het ook zij, het begon op die zaterdag toen we tegen Saxon Hall speelden. Van die ontmoetingen tegen Saxon Hall maakten ze altijd veel ophef in Pencey. Het was de laatste wedstrijd van ’t jaar, en je werd geacht zo ongeveer harakiri te zullen plegen als Pencey niet won. Ik herinner me dat ik die middag om een uur of drie boven op Thomson Hill stond, vlak naast dat stomme kanon dat nog uit de Vrijheidsoorlog stamt. Je kon vanaf die plek het hele veld overzien en de twee ploegen elkaar te lijf zien gaan. De jongens op de tribune kon je niet zo duidelijk onderscheiden, maar je kon ze horen brullen – massaal en opzwepend aan de kant waar Pencey stond, omdat practisch de hele school behalve ik err was, en magertjes en zielig aan de kant van Saxon Hill, omdat de gasten zelden veel supporters meebrachten.
Er waren nooit veel meisjes bij de rugbywedstrijden. Alleen de ouderejaars mochten meisjes meebrengen. Het was een rotschool, van welke kant je het ook bekeek. Ik houd ervan af en toe eens een stelletje meisjes te zien, al staan ze voor mijn part alleen maar aan d’r armen te krabben of te ginnegappen. Selma Thurmer, de dochter van de directeur, liet zich dikwijls bij de wedstrijden zien, maar zij was nu niet bepaald het type waar je weg van raakt. Toch was ze een tamelijk aardige meid. Ik heb wel eens naast haar gezeten in de bus naar Agerstown en we raakten zo’n beetje in gesprek. Ik mocht haar wel. Ze had een grote neus, en haar nagels waren tot op het vlees afgebeten, en ze had van die namaakdingen aan die een meter vooruit staken, maar je moest met haar te doen hebben. Wat mij in haar beviel was dat ze niet vol kale kak zat over d’r kei van een vader. Waarschijnlijk wist ze zelf wel wat een nul hij was.
De reden dat ik boven op Thomson Hill stond in plaats van beneden op de tribune was dat ik juist met de schermploeg uit New-York terug was. Ik was nota bene de aanvoerder van de schermploeg. Moet je niet min over denken. We waren die ochtend naar New-York gegaan voor een ontmoeting tegen de jongens van McBurney. Alleen was de ontmoeting niet doorgegaan. Ik had de degens en de hele mikmak in de ondergrondse laten liggen. Niet dat het helemaal mijn schuld was. Ik moest voortdurend op de plattegrond kijken om te zien waar we er uit moesten. Zodoende waren we om half drie in Pencey terug, in plaats van tegen etenstijd. De hele weg terug had ik er voor spek en bonen bij gezeten. Alles bij elkaar een nogal pijnlijke situatie.
De tweede reden waarom ik de wedstrijd niet bijwoonde was dat ik op weg was naar Spencer, mijn geschiedenisleraar. Hij had een flinke griep te pakken, en ik verwachtte hem voor de kerstvacantie niet meer op school te zien. Hij had me laten weten dat hij me nog een keer wou spreken voor ik naar huis ging. Hij wist dat ik niet meer terug zou komen.
Dat heb ik je nog niet verteld. Ik was van school getrapt. Ik mocht naar de kerstvacantie niet meer terugkomen, omdat ik zwaar onvoldoende had voor vier vakken en het zogenaamd wel geloofde. Ze hadden me herhaaldelijk gewaarschuwd dat ik beter mijn best moest doen – vooral halverwege het jaar, toen mijn ouwelui met Thurmer waren komen praten – maar het had niets uitgehaald. Het gevolg was dat ik de zak kreeg. Er krijgen dikwijls jongens de zak op Pencey. ’t Is een school die reuzegoed staat aangeschreven. Heus waar.
In elk geval – het was december, en het was gemeen koud, vooral daarboven op die snertheuvel. Ik had alleen maar m’n regenjas aan, en geen handschoenen of niks. De week daarvoor had de een of andere smiecht mijn kameelharen jas met mijn bonthandschoenen en al uit mijn kamer gestolen. Pencey zat vol dieven. D’r waren heel wat rijkeluiszoontjes op school, maar toch zat het er vol dieven. Hoe duurder een school is, des te meer schooiers er op zitten, neem dat van mij aan. Nou, zoals ik al zei, ik stond daar naast dat halfgare kanon naar de wedstrijd te kijken, en ik verhipte van de kou. Eigenlijk interesseerde die wedstrijd me maar matig, maar ik wilde me doordringen van het feit, dat dit de laatste keer was. Er zijn keren geweest dat ik ergens wegging zonder dat het me iets zei. Daar heb ik een hekel aan. Het kan me niet schelen of het een treurig afscheid is of niet, maar als ik ergens voorgoed vandaan ga, dan wil ik het ook weten. Als dat niet het geval is voel je je nog veel beroerder.
Ik bofte. Ik moest namelijk ineens aan iets denken waardoor ik beter besefte dat de voorstelling voor mij afgelopen was. Ik herinnerde me eensklaps die keer in october toen ik met Robert Tichener en Paul Campbell voor de school een partijtje aan het punteren was. Het waren geschikte lui, vooral Tichener. Het was vlak voor het avondeten en het begon al aardig donker te worden, maar we bleven maar aan de gang. Op het laatst konden we de bal niet eens meer zien, maar we vertikten het gewoon om op te houden. Ten slotte moesten we wel. Zambesi, onze plant- en dierkundeleraar, stak zijn hooft uit het raam en riep dat we naar boven moesten komen om ons klaar te maken voor het diner. Het had natuurlijk niet veel om het lijf, maar aan zulke herinneringen heb ik doorgaans genoeg bij wijze van afscheid. Direct daarna draaide ik me dus om en holde de heuvel af, de kant van Spencers huis op. Hij woonde niet bij de school, maar in een van die aardige buitenwijken.
Ik rende aan één stuk door tot aan de hoofdingang, en daar bleef ik even staan om uit te blazen. Ik ben nogal kortademig, moet je weten, onder andere doordat ik tamelijk veel rook – of liever gezegd: rookte, want dat mag ik nou niet meer. En bovendien was ik dat jaar anderhalve decimeter in de lengte gegroeid. Zo komt het ook dat ik op een haar na t.b. heb gekregen en hier naar toe ben gemoeten voor al dat gedonder met schrapjes en spruitjes en weet ik veel. Voor de rest ben ik tamelijk gezond.
Maar wat ik zeggen wou – zodra ik weer een beetje op adem was stak ik met een vaartje van nul komma nul zes de grote verkeersweg over. De grond was een en al ijzel, en ik was haast op mijn achterste gevallen. Waarom ik zo hard liep weet ik zelf niet – ik denk alleen om uit te kuren. Toen ik de weg over was dacht ik een ogenblik dat ik vam m’n stokje zou vallen. Het was hardstikke koud die middag, zonder een greintje zon of niks, en iedere keer als je een straat overstak kreeg je zo’n raar, zweverig gevoel.
Man, gaf ik die bel een opdoffer toen ik voor Spencers huis stond! Ik was finaal bevroren. Mijn oren deden pijn, en ik kon mijn vingers haast niet bewegen. “Schiet op, schiet op, doe open die deur,” zei ik bijna hardop. Tenslotte deed mevrouw Spencer open. Ze hadden geen meisje of niks, en kwamen altijd zelf naar voren. Erg warmpjes zaten ze erniet bij.
“Holden!” zei mevrouw Spencer. “Wat aardig dat je ons komt opzoeken! Kom erin, jongen. Heb je ’t zo koud?” Ik geloof dat ze werkelijk blij was mij te zien. Ze scheen me wel te mogen.
Ik maakte als een haas dat ik binnen kwam. “Hoe gaat het, mevrouw Spencer?” vroeg ik. “En hoe is het met meneer?” “Geef je jas maar gauw hier,” zei ze. Ze had mijn vraag niet verstaan. Ze was een beetje doof.
Ze hing mijn jas in de gangkast, en ik haalde mijn vingers door mijn haar om het een beetje te fatsoeneren. Ik draag het doorgaans kortgeknipt, zodat ik het maar weinig hoef te kammen. “Hoe gaat het ermee, mevrouw Spencer?” herhaalde ik een beetje harder, zodat ze het kon verstaan.
“Met mij best, Holden.” Ze sloot de kastdeur. “En met jou?” Uit de manier waarop ze het vroeg begreep ik dat ze van Spencer wist dat ik van school gestuurd was.
“O, prima.” zei ik. “En met meneer Spencer? Is zijn griep al over?”
“Over! Holden, hij gedraagt zich als een, een – ik weet niet wat ik zeggen moet… Ga maar naar hem toe. Hij is op zijn kamer.”


II

ZE HADDEN ELK HUN EIGEN KAMER EN ALLES. ZE WAREN ALLEBEI
zowat zeventig, misschien nog wel ouder, maar ze hadden veel plezier in hun leven, al was het ook op een halfgare manier. Ik weet dat dat gemeen klinkt, maar zo bedoel ik het toch niet. Ik bedoel alleen maar dat ik veel aan Spencer moest denken, en als je te veel aan hem dacht ging je je afvragen waar hij eigenlijk voor leefde. Ik bedoel, hij was helemaal krom en harkerig, en als hij in de klas een stukje krijt voor het bord liet vallen, dan moest er altijd iemand van de eerste rij opstaan en het voor hem oprapen. Zoiets is verschrikkelijk, als je mij vraagt. Maar als je niet al te diep over zulke dingen nadacht, dan kwam je tot de conclusie dat hij toch eigenlijk niet te beklagen was. Neem nu bijvoorbeeld die zondag toen we met een paar jongens chocola bij hem waren komen drinken, en toen hij ons die ouwe, versleten Navajo-deken liet zien, die zijn vrouw en hij van de een of andere indiaan in Yellowstone Park gekocht hadden. Je kon aan zijn gezicht zien dat hem dat machtig veel genoegen deed. Dat bedoel ik, zie je. Dat zo’n stokoude kerel als Spencer zoveel plezier kon hebben van zo’n deken. Zijn deur stond aan, maar voor de beleefdheid klopte ik toch maar. Ik kon hem zelfs zien. Hij zat in een grote leren stoel, helemaal in die deken gewikkeld waar ik het daarnet over had. Hij keek op toen ik klopte. “Wie is daar?” riep hij. “Caulfield? Kom erin, jongen.” Als hij niet voor de klas stond riep hij altijd. Het kon wel eens op je zenuwen werken. Zodra ik binnenging had ik spijt dat ik gekomen was. Hij zat in de Atlantic Monthly te lezen, en de kamer stond vol pillen en medicijnen, en het rook er naar Vicks neusdruppels. Helemaal geen leuke gewaarwording. Ik moet toch niet al te veel hebben van zieke oude mensen. Wat het nog erger maakte was, dat Spencer die ouwe, schunnige badjas aan had waar hij geloof ik in geboren is. Ik zie niet graag oude mannen in pyama of badjas. Hun borst is meestal zo knobbelig, en hun benen wit en zonder haren. “Hallo, meneer.” zei ik. “Ik heb uw briefje gekregen. Welbedankt.” Hij had me namelijk geschreven even langs te komen en goedendag te zeggen voor de vacantie begon, omdat ik niet meer terugkwam. “Maar u had het niet hoeven doen. Ik was toch wel afscheid komen nemen.”
“Ga zitten, jô,” zei Spencer. Hij wees op het bed.
Ik ging zitten. “Hoe is het met de griep, meneer?”
“Man, als ik me ooit beter voel dan nu, zal ik de dokter moeten roepen,” zei Spencer. Hij moest zo lachen om zijn eigen mop dat hij er bijna in bleef. Toen hij eindelijk weer een beetje op adem was zei hij: “Moest je niet naar het sportpark? Ik dacht dat vandaag de grote wedstrijd was.”
“Is ook zo. Maar ik ben pas met de schermploeg uit New-York terug,” zei ik. Man, dat bed was zo hard als een steen. Hij werd opeens doodernstig, wat ik trouwens verwacht had.
“Dus je gaat ons verlaten, hè?” zei hij.
“Ja meneer.”
Hij knikte ijverig. Ik heb nog nooit iemand zoveel zien knikken als Spencer. Je wist nooit of hij zo knikte omdat hij nadacht, of alleen maar omdat hij een goedaardig, seniel mannetje was.
“Wat heeft Dr Thurmer tegen je gezegd? Jullie hebben blijkbaar een heel gesprek gehad.”
“Dat zal waar wezen. Ik geloof dat ik zowat twee uur bij hem in zijn kantoor heb gezeten.”
“Wat had hij tegen je te zeggen?”
“O eh… dat het leven een spel was en zo meer. En dat je het volgens de regels moest spelen. Hij was heel geschikt. Helemaal geen donderpreek of zo. Alleen maar over het leven en de spelregels. U kent dat wel.”
“Het leven is een spel, mijn jongen. Het leven is een spel, dat gespeeld moet worden volgens de regels.”
“Ja, meneer. Ik weet het. Ik weet het heel goed.”
Een spel – hoe krijgen ze het in d’r hoofd. Jawel, als je aan de kant van de getapte jongens meedoet, dan is het een spelletje – dat geef ik direct toe. Maar als je bij de andere partij bent, waar blijft dan het idee van het spelletje? Weg. Foetsie.
“Heeft Dr Thurmer je ouders al geschreven?” vroeg Spencer.
“Hij zei dat hij het maandag doen zou.”
“Heb jij je zelf al met ze in verbinding gesteld?”
“Nee, meneer, dat heb ik niet gedaan, want hoogstwaarschijnlijk zie ik ze woensdagavond als ik thuis kom.”
“En hoe denk je dat ze het zullen opnemen?”
“Nou… ze zullen tamelijk kwaad zijn,” zei ik. “Vast en zeker. Dit is al mijn vierde school.” Ik schudde mijn hoofd. Dat is zo een gewoonte van me. “Gompie!” zei ik. Dat is ook een gewoonte van me. Gedeeltelijk omdat ik soms erg kinderachtig voor mijn leeftijd doe. Ik was toen zestien, en ik ben nu zeventien, en af en toe doe ik net of ik dertien ben. En dat is des te gekker omdat ik een meter vijfentachtig ben en grijs haar heb. Ja, echt waar. Eén kant van mijn hoofd – de rechterkant – zit vol grijze haartjes, al vanaf dat ik een kleine jongen was. En toch doe ik soms nog net of ik een knulletje van twaalf ben. Dat zeggen ze allemaal, vooral mijn vader. D’r is wel wat van aan, maar het is niet helemaal waar. De mensen denken altijd dat iets honderd procent waar of niet waar is. Het kan me geen bal schelen, maar ik kan wel eens nijdig worden als ze zeggen dat ik niet zo kinderachtig moet doen. Ik doe soms veel ouder dan ik ben, maar dat schijnt geen mens op te vallen. De meeste mensen lopen met hun ogen in d’r zak.
Spencer knikte opnieuw ijverig. En hij peuterde in zijn neus. Hij deed wel net alsof hij alleen maar in zijn neus kneep, maar ik zag hem stiekum zijn duim erin steken. Hij dacht zeker dat hij dat wel kon doen waar ik bij was, omdat ik het maar was. Niet dat het me wat kon schelen, maar als je het mij vraagt is het een vies gezicht.
“Ik heb het voorrecht gehad met je vader en moeder kennis te maken toen ze een paar weken geleden bij Dr Thurmer waren,” zei hij. “Heel aardige mensen.”
“Ja, dat is waar. Heel aardig.”
Aardig. Ik kan wel kotsen van dat woord, zo schijnheilig vind ik het.
Spencer keek ineens net alsof hij van plan was iets heel scherpzinnigs te zeggen. Hij ging rechtop zetten en draaide zich half om. Het bleek echter loos alarm te zijn. Hij nam alleen het tijdschrift van zijn knieën en probeerde het naast mij op het bed te gooien. Hij miste. Het scheelde maar een halve decimeter, maar hij miste. Ik bukte me en raapte het tijdschrift op. En opeens bekroop me de lust de benen te nemen. Ik voelde dat er een knots van een preek op komst was. Op zichzelf kon me dat niet zoveel schelen, maar ik had geen zin gekapitteld te worden en tegelijk naar Spencer in zijn pyama en zijn badjas te moeten kijken en voordurend die Vicks neusdruppels te ruiken. Het idee stond me verschrikkelijk tegen.
Natuurlijk viel er niet aan te ontkomen. “Wat bezielt jou eigenlijk, jongeman?” zei Spencer. Voor zijn doen was hij nogal agressief. “Hoeveel vakken heb je dit jaar gedaan?”
“Vijf, meneer.”
“Vijf. En hoeveel onvoldoendes heb je gemaakt?”
“Vier.” Ik ging een beetje verzitten. Dat bed leek meer op een hunebed dan op iets anders. “Voor Engels had ik voldoende,” zei ik, “omdat ik de meeste literatuur al op Whooton had gehad. Ik bedoel, ik hoefde voor Engels haast niets te doen, alleen af en toe een opstel maken.”
Hij luisterde niet eens. Hij luisterde trouwens zelden als je iets zei.
“Ik heb je een onvoldoende voor geschiedenis gegeven omdat je niets wist – maar dan ook niets.”
“Ik weet het, meneer. Het is ook zo. U kon er echt niets aan doen.”
“Maar dan ook niets,” herhaalde hij. Zoiets maakt me dol – als ze twee keer iets tegen je zeggen, terwijl je het de eerste keer al toegegeven hebt. en toen zei hij het nóg eens.
“Maar dan ook niets. Ik betwijfel zelfs of je je boek ooit open gehad hebt. Zeg eens eerlijk – heb ik gelijk?”
“Nou, ik heb het af en toe wel eens ingekeken,” zei ik. Ik wou zijn gevoelens niet kwetsen. Geschiedenis was zijn lust en zijn leven.
“Ingekeken, hè?” zei hij, erg sarcastisch. “Je – eh – proefwerk ligt daarginds op mijn schrijftafel. Bovenop de stapel. Geef eens aan, als je wilt.”
Het was een gemene streek, maar wat kon ik anders doen dan opstaan en het hem geven? Daarna ging ik weer op zijn betonnen bed zitten. Man, ik kan eenvoudig niet onder woorden brengen hoe ’n spijt ik ervan had dat ik afscheid was komen nemen.
Hij pakte mijn proefwerk aan alsof het een stuk drek was.
“We hebben de Egyptenaren van 4 november tot 2 december behandeld,” zei hij. “Je hebt ze tot onderwerp gekozen van je vrije opstel. Gekozen, zeg ik. Wil je eens horen wat je te vertellen had?”
“Nee, meneer, liever niet,” zei ik.
Hij las het natuurlijk toch op. Als een leraar het eenmaal op zijn heupen krijgt sta je machteloos.
“De Egyptenaren waren een oud, Kaukasisch ras, dat de noordelijke streken van Afrika bewoonde. Afrika, zoals we weten, is het grootste werelddeel van het oostelijk halfrond.”
En ik moest luisteren naar die gloeiende nonsens, of ik wilde of niet. Het was een echte vuile streek.
“Het leven van de Egyptenaren is nog steeds in verschillende opzichten een interessant onderwerp. Zo zou de hedendaagse wetenschap graag te weten komen wat voor geheime middelen de Egyptenaren gebruikten bij het inpakken van hun doden, zodat hun gezichten in de loop der eeuwen niet konden wegrotten. Onze geleerden staan, wat dat betreft, nog altijd voor een raadsel.”
Hij hield op met lezen en legde het papier neer. Ik zou hem met liefde vermoord hebben. “Hier eindigt je opstel, als ik het zo noemen mag,” zei hij, nog steeds even sarcastisch. Je zou zo’n ouwe sok nooit tot zoveel sarcasme in staat geacht hebben. “Er staat echter nog een opmerking aan mijn adres onderaan de bladzijde,” vervolgde hij.
“Ik weet het, meneer.” Ik zei het vlug, omdat ik hem wilde beletten dat ook nog voor te lezen. Maar er was geen houden meer aan. Hij was finaal op hol.
“Beste meneer Spencer,” las hij hardop. “Dat is alles wat ik van de Egyptenaren weet. Ik geloof niet dat ik veel om ze geef, al vind ik uw lessen erg interessant. U mag me gerust laten zakken, want ik krijg voor mijn ander vakken toch ook een onvoldoende, behalve voor Engels. Hoogachtend, Holden Caulfield.” Hij legde het papier neer en keek me aan met een gezicht of hij me geklopt had in een partijtje ping-pong. Ik geloof niet dat ik hem dat ooit vergeven zal. Als hij zoiets geschreven had zou ik het hem nooit voorgelezen hebben – nooit, dat zweer ik. En die opmerking onderaan de bladzijde had ik er louter en alleen voor zijn eigen gemoedsrust neergeschreven.
“Kun je me kwalijk nemen dat ik je heb laten zakken, m’n jongen?” zei hij.
“Nee, meneer. Absoluut niet,” zei ik, terwijl ik hem in stilte verwenste om dat ‘m’n jongen’.
Hij probeerde mijn proefwerk op het bed te gooien, maar natuurlijk miste hij weer. Ik moest weer een keer opstaan en het op de Atlantic Monthly leggen. Zoiets gaat je de keel uithangen.
“Wat zou je in mijn plaats gedaan hebben?” zei hij. “Vertel eens op?”
Je kon aan hem merken dat hij het zelf beroerd vond van die onvoldoende, en daarom wauwelde ik maar een flink eind weg. Ik zei dat ik een echte sufferd was en zo, en dat ik in zijn plaats hetzelfde gedaan zou hebben, en dat de meeste mensen niet snapten wat een beroerd baantje leraar-zijn was. Het gewone gezwam – je kent dat wel.
Maar het gekke was dat ik ondertussen aan iets heel anders dacht. Ik woon in New-York, en ik dacht aan de vijver in Central Park. Ik vroeg me af of hij dichtgevroren zou zijn als ik thuis kwam, en waar de eenden dan bleven. Ik was benieuwd wat er met die beesten gebeurde als de vijver helemaal dicht lag. Kwam er een vent met een vrachtwagen om ze naar de dierentuin te brengen of zo? Of smeerden ze ‘m uit zichzelf?
Ik bof anders. Ik bedoel dat ik tegen Spencer kon zwammen en tegelijk aan die eenden denken. Je hoeft nooit erg na te denken als je tegen een leraar praat. Maar ineens viel hij me in de rede. Dat was trouwens zo’n gewoonte van hem.
“Hoe voel je je er nou onder? Dat zou ik wel eens willen weten. Dat zou ik heel graag willen weten.”
“Bedoelt u dat ik weggestuurd ben en zo?” zei ik. Ik hoopte vurig dat hij zijn badjas een beetje verder dicht zou trekken. Die knobbelige borst van ‘m was niet zo prettig.
“Als ik me niet vergis heb je ook op Whooton en Elkton Hills met enkele moeilijkheden te kampen gehad.” Hij zei het niet alleen sarcastisch, maar bepaald vuil.
“Op Elkton Hills heb ik niet wat je noemt moeilijkheden gehad,” zei ik. “Ik ben daar niet gestraald. Ik ben eigenlijk meer gewoon weggegaan.”
“Waarom, als ik vragen mag?”
“Waarom? O, dat is een heel verhaal, meneer. Ik bedoel, het is nogal ingewikkeld.” Ik had geen zin het hem helemaal uit te leggen. Hij zou het toch niet begrepen hebben. Het lag totaal niet in zijn straatje. Een van de voornaamste redenen waarom ik van Elkton Hills was weggegaan was dat het er wemelde van de schijnheiligaards. Dat was alles. Ze zwermden om je heen als vliegen. De directeur bijvoorbeeld, meneer Haas, was de grootste hypocriet die er ooit op twee benen heeft rondgelopen. Tien keer zo erg als Thurmer. ’s Zondags, bijvoorbeeld, als er ouders op bezoek kwamen, deed-ie niets anders dan handjes schudden. Met een gezicht zo zoet als honing. Behalve als een jongen z’n ouders er een beetje boers of zo uitzagen. Je had moeten zien hoe hij deed tegen de ouwelui van de jongens waarmee ik op dezelfde kamer sliep. Ik bedoel, als je moeder dik was of een beetje ordinair, of als je vader zo’n pak aan had met van die opgevulde schouders, en van die opzichtige, zwart-met-witte schoenen, dan gaf hij ze een hand en een zuurzoet lachje, en ging een half uur lang met iemand anders’ ouders staan praten. Zoiets kan ik gewoon niet hebben. Daar word ik finaal ziek van. Ik kon Elkton Hills op den duur niet meer luchten of zien.
Spencer vroeg me iets, maar ik verstond hem niet. Ik dacht nog steeds aan Haas.
“Wat zei u, meneer?” vroeg ik.
“Ik vroeg of je er helemaal geen wroeging over hebt dat je weggestuurd bent.”
“O, ja, in zekere zin wel. Absoluut. Maar niet zo erg. Nog niet tenminste. Ik geloof dat het nog niet goed tot me doorgedrongen is. Zoiets duurt bij mij altijd een poosje. Ik weet alleen dat ik woensdag naar huis ga. Ik zal wel een echte kaffer zijn.”
“Denk je nooit eens aan de toekomst, jongen?”
“O, zeker. Ik denk zeker wel eens aan de toekomst. Natuurlijk.” Ik dacht een ogenblik na. “Maar niet zo dikwijls, geloof ik. Nee, niet zo dikwijls.”
“Dat wordt wel anders,” zei Spencer. “Dat wordt wel anders. Als het te laat is.”
Ik vond die opmerking niet plezierig om te horen. Het klonk net of ik met één been in het graf stond. “Dat zal wel,” zei ik.
“Ik wou dat ik je een beetje verstand kon bijbrengen, jongen. Ik zou je graag willen helpen. Ik zou je graag willen helpen als ik enigszins kon.”
Hij meende het echt. Je kon het aan hem zien. De moeilijkheid was dat we zo verschillend waren, dat was alles.
“Dat weet ik, meneer,” zei ik. “Welbedankt. Ik meen het – heus. Ik waardeer het reusachtig.” Ik stond op van het bed. Voor geen geld ter wereld was ik nog langer op dat keiharde ding was blijven zitten. “Maar ik moet er heus van door. Ik moet mijn spullen nog ophalen uit het gymlokaal voor ik naar huis ga.” Hij keek me aan met een heel ernstig gezicht en knikte langzaam, en ik kreeg ineens echt met hem te doen. Maar ik was werkelijk niet in staat nog langer te blijven, met die kloof tussen ons, en de manier waarop hij telkens miste als hij iets op het bed wilde gooien, en die zielige oude badjas waar zijn magere ribbenkast doorheen keek, en die grieplucht van die neusdruppels in de kamer.
“Heus, meneer, tob er maar niet over,” zei ik. “Ik kom best weer op m’n pootjes terecht. Ik maak alleen maar een moeilijke tijd door. Iedereen heeft wel eens zo’n stadium, nietwaar?”
“Ik weet het niet, jongen. Ik weet het niet.”
Ik heb ’n hartgrondige hekel aan zulke antwoorden. “Heus, meneer, iedereen,” zei ik. “Maakt u zich nou maar geen zorgen over mij.” Ik legde warempel even mijn hand op zijn schouder. “Afgesproken?” zei ik.
“Wil je niet eerst even een kop chocola drinken? Ik weet zeker dat mijn vrouw -“
“Anders graag, meneer, maar ik moet heus gaan. Ik moet dadelijk naar het gymlokaal. Maar in ieder geval bedankt, meneer.”
En toen gaven we elkaar een hand. Het gewone sentimentele gedoe van elk afscheid. Maar het gaf me een verdraaid belabberd gevoel.
“Ik schrijf nog wel eens, meneer. En pas op met uw griep.”
“Tot ziens, jongen.”
Toen ik de deur dicht deed riep hij me nog iets achterna. Ik kon het niet goed verstaan, maar ik geloof dat het zoiets was van: “’t Ga je goed!” Ik hoop van niet. Ik hoop waarachtig dat het dàt niet was. Ik zal iemand nooit achterna roepen “’t Ga je goed!”. Het klinkt verschrikkelijk, als je erover nadenkt.


III

IK BEN DE MEEST DOORGEWINTERDE LEUGENAAR DIE OOIT
bestaan heeft. ’t Is gewoon bij de beesten af. Als ik op weg ben naar een kiosk om een krant te kopen, en iemand vraagt me waar ik naar toe ga, dan ben ik in staat om ijskoud te zeggen: naar de opera. ’t Is meer dan bar. En toen ik tegen Spencer zei dat ik nog naar de gymzaal moest om mijn spullen te halen, was dat dan ook straal gelogen. Ik bewaarde m’n spullen nooit in de gymzaal.
Op Pencey had ik een kamer in dat nieuwe gedeelte dat naar Ossenburger genoemd was. Je had daar eerstejaars en ouderejaars door elkaar. Ik was zelf een eerstejaars, en ik deelde mijn kamer met een ouderejaars. Die nieuwe vleugel, zoals ik al zei, was genoemd naar Ossenburger, een knul die vroeger zelf op Pencey schoolgegaan had, en die een bom duiten verdiend had in de begrafenisbusiness. Hij was zogezegd de uitvinder van die rouwkamers die je tegenwoordig in bijna elke plaats kunt vinden, en hij ging er prat op dat je bij hem je familieleden fatsoenlijk kon laten begraven voor vijf dollar per stuk. Moet je net Ossenburger kennen. Ik wed dat-ie zijn klanten in een zak naait en de rivier in keilt. Maar in ieder geval had hij Pencey een knots van een bedrag cadeau gedaan, en daarom hadden ze die vleugel naar hem genoemd. Tijdens de eerste match van dat semester kwam hij voorrijden in een slee van een Cadillac, en we moesten hem staande op de tribune met donderend applaus verwelkomen.
De volgende ochtend hield hij in de kapel een toespraak waar het eind van zoek was. Hij begon met een stelletje zouteloze moppen, alleen maar om te laten zien wat een toffe jongen hij wel was. Om je dood te ergeren. En toen begon hij ons wijs te maken dat-ie zich nooit schaamde om zijn knieën te buigen en te bidden als hij in de penarie zat of zo. Hij zei dat we veel moesten bidden – met God praten, zei-d ie – waar we ons ook bevonden. Hij zei dat we Jezus gewoon als vriend moesten beschouwen. Zelf praatte hij altijd met Jezus, beweerde hij. Zelfs als hij achter het stuur van zijn wagen zat. Waar haalt zo’n vent het vandaan. Ik zie ‘m al overschakelen in de tweede versnelling, die volgevreten schurk, en onderhand Onze Lieve Heer vragen om een paar lijken extra. Alleen halverwege zijn toespraak werd het even goed. Hij had het er juist over wat een linke, uitgekookte knaap hij eigenlijk was, toen die jongen in de rij voor me, Edgar Marsalla, opeens een kanjer van een wind liet. Het was natuurlijk geen stijl, midden in die toespraak, en nog wel in de kapel, maar het was eenvoudig om een rolling te krijgen. Die Marsalla verstond de kunst 0 het leek wel of er een kanon afging. Er was bijna geen mens die hardop durfde te lachen, en Ossenburger deed net of zijn neus bloedde. Maar Thurmer, de rector, die naast hem op het podium zat – aan hèm kon je zien dat hij het wel gehoord had. Man, wat keek die vent zuur. Hij zei niks, maar de volgende avond kregen we verplichte studie, en toen hield hij een preek. Hij zei dat degene die dat incident in de kapel veroorzaakt had, niet thuishoorde op een school als Pencey.
We probeerden Marsalla op te stoken er nog een te laten, midden in Thurmers toespraak, maar hij was er niet voor in de stemming. Enfin, nu weet je tenminste waar ik mijn kamer had op Pencey. In de nieuwe Ossenburger-vleugel – niet vergeten.
Ik was blij weer op mijn kamer te zijn toen ik van Spencer terugkwam, want de anderen waren allemaal naar de wedstrijd, en de verwarming was een keertje aan voor de variatie. Ik voelde me wat je noemt thuis. Ik deed mijn jasje uit en mijn das af, en maakte mijn boord los, en toen zette ik die pet op die ik ’s ochtends in New-York gekocht had. Het was zo’n rooie jockeypet, met een klep als een luifel. Ik had hem in de etalage van een sportwinkel gezien toen we uit de ondergrondse kwamen, net nadat ik ontdekt had dat ik die vervloekte degens in de trein had laten liggen. Het ding kostte me een dollar. De manier waarop ik ‘m opzette, met de gekke klep naar achteren, was nogal bezopen, dat geef ik toe, maar zo beviel het me het beste. Het stond me eigenlijk wel goed zo. Toen pakte ik het boek waar ik aan bezig was en liet me in mijn stoel zakken. Er waren twee stoelen in elke kamer. Ik had er een, en mijn kamergenoot, Ward Stratlater, ook. De armleuningen waren er wel beroerd aan toe, omdat iedereen er altijd op ging zitten, maar je zat er tamelijk gemakkelijk in.
Het boek waar ik aan bezig was, had ik bij vergissing uit de bibliotheek gekregen. Ze hadden me het verkeerde gegeven, en ik merkte het pas toen ik op mijn kamer was. Het heette “Out of Africa” van Isak Dinesen. Ik had gedacht dat het wel weer zo’n lor zou zijn, maar het viel mee. Het was een reuzegoed boek. Ik ben nogal ongeletterd, maar ik lees een boel. M’n lieveningsschrijver is mijn broer D.B., en daarna komt Ring Lardner. Mijn broer had mij een boek van Ring Lardner voor mijn verjaardag gegeven, vlak voordat ik naar Pencey ging. Er staan van die idiote, komische stukjes in, en dat heb je dat verhaal van die verkeersagent die smoor wordt op een knappe griet die altijd veel te hard rijdt. Maar aangezien die smeris getrouwd is, kan hij niet met dat meisje trouwen of zo. En dan gaat ze dood, doordat ze weer een keer te hard gereden heeft. Aan dat verhaal heb ik mijn hart opgehaald. Ik heb het liefst een boek dat op zijn tijd ook grappig is. Ik lees veel klassieken, zoals The Return of the Native en zo, en ik vind ze mooi, en ik lees een massa oorlogsboeken en detictives, maar veel doen ze me niet. Een boek zegt mij pas echt wat, als het me het gevoel geeft dat ik het fijn zou vinden als de schrijver een dikke vriend van me was, die ik ieder ogenblik kon bellen. Zoiets komt alleen niet vaak voor. Isak Dinesen, die zou ik wel graag zo op willen bellen. En Ring Lardner; maar die is dood, heb ik van D.B. gehoord. Maar neem nou dat boek Of Human Bondage, van Somerset Maugham. Dat heb ik afgelopen zomer gelezen. Het is best een behoorlijk boek, maar toch zou ik Somerset Maugham niet op willen bellen. Ik kan het niet precies uitleggen, maar hij lijkt me nou eenmaal niet het type om aan de lijn te krijgen, dat is alles. Geef me dan maar liever Thomas Hardy, met zijn Eustacia Vye.
Maar goed, ik zette dus mijn pet op, ging zitten, en begon te lezen in dat boek Out of Africa. Ik had het al gelezen, maar ik wilde bepaalde gedeelten nog eens lezen. Maar ik had pas drie bladzijden gedaan, toen ik iemand door de gordijnen van de douchecel hoorde komen. Zonder op te kijken wist ik dadelijk wie het was. Het was Robert Ackley, die knul in de kamer naast me. Er was een douchecel tussen elke twee kamers in onze vleugel, en Ackley kwam me altijd minstens honderd keer op een dag op m’n dak vallen. Behalve ikzelf was hij waarschijnlijk de enige die niet naar de wedstrijd was gaan kijken. Hij ging trouwens bijna nooit ergens heen. Een rare snuiter was het. Hij was een ouderejaars, en ging al vier jaar school op Pencey, maar geen mens noemde hem ooit anders dan ‘Ackley’. Zelfs Herb Gale, zijn kamergenoot, noemde hem nooit ‘Bob’, of zelfs maar ‘Ack’. Als hij ooit trouwt, zal zijn vrouw hem waarschijnlijk ook ‘Ackley’ noemen. Hij was een boom van een knaap, met van die ronde schouders, en rottanden. Zolang we naast elkaar sliepen, heb ik hem nog nooit zijn tanden zien poetsen. Ze zagen er altijd even vies en groenig uit, en je werd er gewoon misselijk van als je hem in de eetzaal bezig zag met zijn mond vol aardappelpuree en erwtjes of zo. Bovendien zat hij vol puisten. Niet alleen op zijn voorhoofd en zijn kin, zoals zoveel jongens, maar over zijn hele gezicht. En dan zijn hele manier van doen. Hij kon verdomd vervelend doen. Ik kan je wel zeggen dat ik nou niet bepaald dol op hem was.
Ik voélde hem op de drempel van de douchecel staan, vlak achter mijn stoel, kijken of Stradlater er niet was. Hij kon Stradlater niet luchten of zien, en als hij er was kwam hij nooit in de kamer. Hij had trouwens bonje met de meeste jongens.
Hij kwam de kamer in en zei: “Hallo.” Dat zei hij altijd op een toon alsof hij vreselijk landerig of moe was. Hij wilde je nooit laten denken dat hij je kwam opzoeken of zo. Hij deed altijd net alsof hij bij vergissing binnenliep, de engerd. “Hallo,” zei ik, zonder van mijn boek op te kijken. Als je bij een knul als Ackley van je boek opkeek, was je de sigaar. Je was trouwens toch de sigaar, maar zo kon je het langer rekken.
Hij begon de kamer rond te drentelen, op z’n dooie gemak. Dat was zo zijn gewoonte, en dan pakte hij allerlei spullen in zijn kluiven en ging ze gaan staan bekijken. Man, daar kreeg je het af en toe van op je zenuwen. “Hoe was de schermwedstrijd?” zei hij. Hij kon eenvoudig niet hebben dat ik zo fijn zat te lezen. Die schermwedstrijd kon hem geen laars schelen. “Hebben we gewonnen?” zei hij.
“Geen mens heeft er gewonnen,” zei ik. Ik wachtte me er natuurlijk we voor op te kijken.
“Wat?” zei hij. Hij liet je altijd alles twee keer zeggen.
“D’r heeft geen mens gewonnen,” zei ik. Ik gluurde onderuit om te zien wat hij bij mijn kast uitvoerde. Hij keek naar de foto van dat meisje waarik in New-York mee gegaan had, Sally Hayes. Hij moest dat ding al minstens duizend keer opgepakt en bekeken hebben sinds het er stond. En hij zette het altijd op de verkeerde plek terug. Dat deed-ie expres. Je kon het aan zijn gezicht zien.
“Geen mens gewonnen?” zei hij. “Hoe komt dat?”
“Ik heb die rotdegens in de ondergrondse laten liggen.”
Ik bleef nog steeds hardnekkig in mijn boek kijken.
“In de ondergrondse – allemachtig! Kwijtgeraakt, bedoel je?”
“We zaten in de verkeerde trein. Ik moest telkens opstaan om naar die verrekte kaart te kijken.”
Hij ging in mijn licht staan. “Hé,” zei ik. “Ik heb dezelfde zin al twintig keer over moeten lezen sinds jij hier bent.” Ieder ander zou die wenk dadelijk gesnapt hebben. Maar Ackley niet, hoor. “Zou je ze moeten betalen?” zei hij.
“Weet ik niet, en het kan me geen biet schelen. En zou je niet liever gaan zitten of opzij gaan, Ackley? Je staat me hartstikke in ’t licht.”
Hij bleef net zo staan. Hij was er precies de knul naar om geen stap opzij te gaan als je ’t hem vroeg. Tenslotte deed hij het natuurlijk toch wel, maar als je het vroeg wachtte hij expres extra lang. “Wat lees je daar?” zei hij.
“’n Boek.”
Hij duwde mijn boek met zijn hand omhoog, zodat hij de titel kon zien. “Is er wat aan?” zei hij.
“Die zin die ik uit m’n hoofd aan het leren ben, is steengoed.” Ik kan af en toe verduveld sarcastisch zijn, maar het drong niet tot hem door. Hij begon weer rond te drentelen en pakte al mijn en Stradlaters spullen op. Tenslotte legde ik mijn boek op de grond. Je kon geen letter lezen met een knul als Ackley om je heen. Het was onmogelijk. Ik liet me onderuit in mijn stoel zakken en keek naar Ackley, die deed alsof hij thuis was. Ik voelde me ’n beetje moe van de reis op en neer naar New-York, en ik gaapte. Toen begon ik zo’n beetje voor clown te spelen. Dat doe ik wel meer, om de verveling te verdrijven. Ik draaide de klep van de jockeypet naar voren en trok hem over mijn ogen, zodat ik geen fluit meer zien kon. “Ik geloof dat ik blind word,” zei ik schor. “Moederlief, het wordt hier zo donker.”
“D’r is er bij jou eentje op de loop,” zei Ackley.
“Moederlief, geef me uw hand. O, waarom geeft u me geen hand?”
“Man, stel je niet aan.”
Ik stak mijn handen tastend naar voren, net als een blinde, maar zonder op te staan of wat dan ook, en ik herhaalde telkens: “Moedertje, waar is nou uw hand?” Het was natuurlijk maar een gijntje, maar daar kan ik soms echt lol in hebben. Bovendien wist ik dat hij zich dood ergerde. Als ik hem zag, kreeg ik altijd zin om hem te pesten. Maar na een poosje hield ik er mee op. Ik schoof de klep weer naar achteren en leunde achterover in mijn stoel.
“Van wie is dit?” zei Ackley. Hij hield Stradlaters kniebeschermer omhoog. Altijd moest hij met zijn vingers ergens aan zitten, al was het maar een paar vuile sokken. Ik zei dat dat de kniebeschermer van Stradlater was. En dus gooide hij ‘m op Stradlaters bed. Hij had hem op de kast gevonden, en dus smeet hij hem op bed.
Toen ging hij naar Stradlaters stoel en ging op de armleuning zitten – altijd op de leuning.
“Waar heb je die pet vandaan?” zei hij.
“In New-York gekocht.”
“Voor hoeveel?”
“Een dollar.”
“Afzetterij.” Hij begon zijn nagels uit te halen met het achtereind van een lucifer. Hij zat altijd en eeuwig aan zijn nagels te peuteren. Gek eigenlijk. Zijn tanden waren altijd groen aangeslagen, en zijn oren waren nooit schoon, maar aan zijn nagels zat hij altijd te poetsen. Hij verbeeldde zich zeker dat hij zodoende een reuze propere knul was. Terwijl hij met zijn nagels bezig was, keek hij opnieuw naar mijn pet. “Waar ik woon dragen ze zulke petten op jacht,” zei hij. “Dat is een pet om herten mee te schieten.”
“Je weet er geen bliksem van.” Ik zette mijn pet af en keek ernaar, met één oog dicht, net alsof ik erop mikte. “Dit is een pet om mensen mee te schieten,” zei ik. “Ik jaag ermee op mensen.”
“Weten je ouwelui al dat je van school getrapt bent?”
“Nee.”
“Waar hangt Stradlaters eigenlijk uit?”
“Naar de wedstrijd. Met een meisje.” Ik gaapte. Ik gaapte dat het niet mooi meer was. De kamer leek wel een oven. Je begon er gewoon te knikkebollen. Op Pencey vroor je òf dood, òf je stikte er van de hitte.
“Stradlater de Grote,” zei Ackley. “Zeg, geef me eens even je schaartje. Heb je het bij de hand?”
“Nee. Ik heb het al opgeborgen. Het ligt ergens boven in de kast.”
“Pak het even, wil je?” vroeg Ackley. “Ik wou even die nijnagel afknippen.”
Het kon hem geen bal schelen of je iets had opgeborgen en of het boven in een kast lag of niet. Ik haalde het natuurlijk toch, en het scheelde maar een haar of het had me een hersenschudding gekost. Ik deed de kastdeur open, en tegelijk kwam Stradlaters tennisracket met klem en al eruit vallen, boven op mijn hoofd. Het was een zwaar geval, en het deed gemeen pijn. Ackley kreeg zowat een rolling van plezier. Hij schokte en gierde van het lachen, en kwam pas tot bedaren toen ik mijn koffer van de plank had gepakt en er het schaartje had uitgehaald. Zoiets – iemand die zich te basten viel of iets dergelijks – was nou net het grappigste wat Ackley zich kon voorstellen. “Je hebt een verdraaid fijn gevoel voor humor, jongeman,” zei ik. “Weet je dat wel?” Ik gaf hem mijn schaar. “Laat mij je zaakwaarnemer worden. Dan zal ik zorgen dat je voor de radio mag optreden.” Ik ging weer in mijn stoel zitten, en hij begon zijn grote hoornachtige nagels te knippen. “Wat zou je ervan zeggen als je dat eens boven de tafel deed?” zei ik. “Om mij een plezier te doen, wil je? Ik heb geen zin vanavond met mijn blote voeten op jouw nagelafval te trappen.”
Hij ging gewoon door met ze boven de grond te knippen. Wat een manieren.
“Met wie is Stradlater uit?” zei hij. Hij moest altijd het naadje van de kous weten als Stradlater met een meisje uitging, al kon hij hem ook niet luchten of zien.BR> “Weet ik niet. Hoezo?”
“Zomaar. Man, ik kan die knaap niet uitstaan. Dat is nou, wat je noemt een echte rotzak.”
“Hij is anders dol op jou. Hij zegt dat-ie jou vorstelijk vindt,” zei ik. Zulke dingen zeg ik dikwijls als ik de boel voor de gek wil houden. Je moet jezelf ’n beetje opdraaien, anders verveel je je dood.
“Hij doet altijd alsof-ie heel wat is,” zei Ackley. “Ik kan d’r niets aan doen, maar ik kan hem niet uitstaan. Hij doet net of-ie – “
“Ackley! In ’s hemelsnaam! Wil je nu alsjeblieft je groezelige nagels boven de tafel knippen? Dat heb ik nou al vijftig keer gevraagd.”
Hij hield eindelijk zijn handen boven de tafel. Bij hem kon je alleen iets gedaan krijgen als je een grote mond opzette. Ik sloeg hem een poosje gade. Toen zei ik: “Je hebt alleen maar de pee aan Stradlater omdat hij gezegd heeft dat je af en toe je tanden eens moet poetsen. Dat zei hij niet om je te beledigen. Ik zal niet zeggen dat hij niet een beetje minder hard had kunnen roepen, maar het was niet bedoeld als een belediging. Hij bedoelde alleen dat je het beter zou staan, en dat je je ook beter zou voelen, als je zo nu en dan eens een borstel over je tanden haalde.”
“Klets niet. Ik poets mijn tanden.”
“Niet waar. Ik heb zelf gezien van niet,” zei ik. Maar ik zei het niet venijnig. Ik had in zekere zin met hem te doen. Ik bedoel, het is natuurlijk niet leuk als ze tegen je zeggen dat je je tanden niet poetst. “Stradlater is helemaal geen kwaaie kerel,” zei ik. “Je kent hem niet, dat is alles.”
“En ik blijf volhouden dat hij een rotvent is. Een verwaande rotvent.”
“Verwaand is hij, maar hij kan soms reuze royaal zijn. Echt waar,” zei ik. “Stel bijvoorbeeld dat Stradlater een das of zo zou dragen die je mooi vond. Een das waar je je ogen gewoon niet van af kon houden – ik noem maar iets, nietwaar. Weet je wat hij dan doen zou? Hij zou die das waarschijnlijk afdoen en je ‘m geven. Absoluut. Of hij zou hem, zonder wat te zeggen, op je bed leggen. Maar hij zou je die das geven. Terwijl de meeste andere jongens -“
“Schiet op,” zei Ackley. “Als ik zoveel centen had als hij, zou ik net zo doen.”
“Dat zou je niet.” Ik schudde mijn hoofd. “Dat zou je niet, jongeman. Als jij zijn centen had, zou je waarschijnlijk de grootste -“
“Schei alsjeblieft uit met dat ‘jongeman’. Ik kon je vader wel wezen.”
“Helemaal niet.” Man, zo stierlijk vervelend als die knaap kon doen. Hij liet nooit een gelegenheid voorbijgaan om je te laten voelen dat jij zestien was en hij achttien. “In de eerste plaats zou ik zo’n vader niet moeten,” zei ik.
“Nou, schei dan uit met dat -“
Ineens ging de deur open en stormde Stradlater naar binnen. Hij had verschrikkelijke haast. Net of hij altijd heel belangrijke zaken had. Hij kwam naar me toe en gaf me een speels klapje op allebei mijn wangen – iets waaraan ik me soms echt kan ergeren. “Hoor eens,” zei hij. “Moet je vanavond uit?”
“Ik weet het niet. Misschien ga ik wel. Wat doet het buiten – sneeuwen?” Zijn jas zat vol sneeuw.
“Ja. Luister eens. Als je vanavond niks bijzonders aan de hand hebt, kan ik dan jouw sportcolbertje lenen? Ik heb bier gemorst op mijn flanellen grijsje.”
“Je barst eruit met je brede schouders,” zei ik. We waren zowat even lang, maar hij woog bijna twee keer zoveel, en hij had schouders als een os.
“Ik zal er niet uitbarsten.” Hij liep haastig naar de kast. “Hoe staat het leventje, Ackley?” zei hij tegen Ackley. Hij was in elk geval geen onvriendelijke knul, Stradlater. Het was wel niet allemaal even echt, maar hij liet Ackley tenminste niet links liggen.
Ackley bromde alleen maar wat. Hij vertikte het om antwoord te geven, maar hij had het lef niet om helemaal niet te reageren. “Ik ga maar eens,” zei hij tegen mij. “Tot kijk.”
“Oké,” zei ik. Het brak nu niet bepaald je hart als hij je kamer verliet.
Stradlater begon zijn jas en das af te doen. “Ik geloof dat ik me maar vlug even scheer,” zei hij. Hij had een tamelijk zware baard.
“Waar is je meisje?” vroeg ik.
“Ze wacht op me in de conversatiezaal.” Hij ging de kamer uit met zijn toiletspullen onder zijn arm, en zonder een hemd of iets aan. Hij liep altijd in zijn blote bovenlijf rond, omdat hij vond dat hij verduveld goed gebouwd was. Dat was hij ook – dat moet ik toegeven.


IV

IK HAD NIETS BIJZONDERS TE DOEN, EN DUS SLENTERDE IK HEM
achterna naar het waslokaal, en kletste wat met hem, terwijl hij zich schoor. We waren de enigen in het waslokaal, want de anderen waren nog op het sportveld. Het was er snikheet, en de ramen waren helemaal beslagen. Er waren een stuk of tien wasbakken, allemaal tegen de muur. Stradlater stond aan de middelste. Ik ging op een wasbak rechts van hem zitten en begon de koudwaterkraan open en dicht te draaien. Dat is zo’n gewoonte van me – niks als zenuwen. Stradlater floot onder het scheren hardnekkig hetzelfde liedje. Hij floot erg doordringend en bijna voortdurend vals, en hij pikte altijd een wijsje uit adt moeilijk te fluiten is, zelfs al kun je goed fluiten. Het was meestal niet om aan te horen.
Ik zei daarstraks, geloof ik, dat Ackley er van die vieze gewoonten op na hield. Nou, dat was met Stradlater ook het geval, alleen op een andere manier. Bij hem merkte je het niet zo. Hij zag er altijd goed uit, maar je had bijvoorbeeld zijn scheermes eens moeten zien. Het zat altijd vol roest, haren en aangedroogde zeep. Schoonmaken was er niet bij. Als hij klaar was met zijn toilet, was hij altijd om door een ringetje te halen, maar als je hem kende, zoals ik, dan merkte je wel dat hij een stiekeme viespeuk was. De reden waarom hij zich zo opdofte, was dat hij hartstikke op zichzelf verliefd was. Hij vond zichzelf de knapste knul op het Westelijk Halfrond. Hij was tamelijk knap – toegegeven. Maar hij was nou precies het type dat vooral knap is op een foto, zodat iedereen zegt: “Wat een knappe knul is dàt!” Maar ik kende op Pencey een massa jongens die volgens mij veel knapper waren dan Stradlater, maar die ’t op een foto niet zouden doen. Die op een foto een dikke neus of zeiloren zouden hebben. Dat is me al meermalen opgevallen.
In elk geval zat ik naast Stradlater op de wasbak en speelde zo’n beetje met de kraan. Ik had mijn rooie jockeypet nog op, met de klep naar achteren. Ik had echt lol in die pet.
“Zeg,” zei Stradlater. “Wil je mij een groot plezier doen?”
“Wat?” zei ik, niet al te geestdriftig. Dat vroeg hij je om de haverklap. Knappe jongens, of knullen die dénken dat ze heel wat zijn, hebben daar zo’n handje van. Omdat ze zichzelf zo bewonderen, denken ze dat iedereen weg van ze is, en dat je ernaar snakt iets voor ze te doen. Je moet er eigenlijk om lachen.
“Ga je vanavond nog uit?” zei hij.
“Misschien. Misschien niet. Ik weet ’t niet. Hoezo?”
“Ik moet nog een honderd bladzijden geschiedenis doornemen voor maandag,” zei hij. “Kan jij geen opstel voor me maken? Als ik het maandag niet klaar heb, stink ik erin. Daarom vraag ik het. Nou?”
Je moest maar lef hebben.
Ik ben degene die d’r uitgetrapt is, en nou wou je dat ik jouw pokkenopstel maak,” zei ik.
“Weet ik wel, weet ik wel. Maar, joh, ik ben de sigaar als ik dat opstel niet af heb. Toe nou, doe nou gezellig. Oké?”
Ik gaf niet dadelijk antwoord. Een beetje in spanning houden, dat is wel goed voor de stinkerds.
“Waarover?” zei ik.
“O, alles is goed. Als het maar een beschrijving is. Over een kamer. Of een huis. Ergens waar je wel eens gewoond hebt, of zo. Zo lang je d’r maar flink over kunt zwammen.” Hij gaapte dat het niet mooi meer was. Aan zoiets kan ik me gewoon doodergeren. Ik bedoel, als iemand gaapt, terwijl hij net gevraagd heeft of je hem een lol wilt doen. “Maar maak het niet al te mooi,” zei hij. “Hartzell vindt jou een hele piet in stellen, en hij weet dat we samen een kamer hebben. Ik bedoel maar: vergeet af en toe eens een punt of een komma.”
Zoiets kan ik nou al net zo min hebben. Ik bedoel, als je zelf goed bent in stellen, en de een of ander begint over komma’s te zwammen. Stradlater had daar zo’n handje van. Hij probeerde je altijd wijs te maken dat hij alleen maar slecht in stellen was, omdat-ie alle komma’s verkeerd zette. Daarin leek hij een beetje op Ackley. Ik zat eens een keer naast Ackley tijdens een basketballwedstrijd. We hadden een moordspeler in onze ploeg, Howie Coyle; je hebt nog nooit een knul gezien die een bal zo kon gooien. En de hele godganselijke wedstrijd zat Ackley er maar over door te zagen dat Coyle zo goed gebouwd was voor basketball. Man, zoiets brengt mijn bloed aan het koken.
Ik kreeg er onderhand genoeg van op die wasbak te zitten, en ik stond op en begon zo’n beetje te tapdansen. Gewoon maar uit gekkigheid. Ik kan helemaal niet tapdansen, maar het tikte zo lekker op de tegelvloer van het waslokaal. Ik begon net te doen zoals je die knapen in de film wel ziet doen. Ik heb gruwelijk de pee aan de film, maar ik mag graag filmsterren nadoen. Stradlater sloeg me onder het scheren in de spiegel gade. Als ik maar publiek heb. Ik ben een echt showventje. “Ik ben de zoon van de Baas,” zei ik. Ik sloofde me uit als een gek, alsmaar tapdansend. “Hij wil niet dat ik tapdanser word. Hij wil me naar Oxford sturen. Maar het zit me in het bloed, het tapdansen.”
Stradlater lachte. Hij heeft wel gevoel voor humor. “Het is de openingsavond van de Ziegfield Follies.” Ik begon buiten adem te raken. “De ster van de show kan niet optreden. Hij is zo dronken als een maleier. Wie zal zijn plaats innemen? Ik. Ik – het zoontje van de Baas, g’dorie.”
“Waar heb je die pet vandaan?” zei Stradlater. Hij bedoelde mijn jockeypet. Hij had hem nog nooit eerder gezien. Ik was toch buiten adem, dus hield ik er maar mee op. Ik zette mijn pet af en bekeek hem voor de honderdzoveelste keer. “Vanochtend in New-York gekocht. Voor een dollar. Hoe staat-ie me?”
Stradlater knikte. “Mieters,” zei hij. Maar dat was alleen maar om me te lijmen, want vlak daarop zei hij, “Zeg, maak je dat opstel nou voor me? Ik moet het zeker weten.”
“Als ik tijd heb. Anders niet,” zei ik. Ik ging weer naast hem op de wasbak zitten. “Met wie ga je vanavond uit?” zei ik. “Fitzgerald?”
“Ben jij betoeterd! Ik moet die griet niet meer – dat weet je toch.”
“O ja? Geef mij d’r, joh. Ik meen het. ’t Is mijn type.”
“Ga je gang… Ze is anders te oud voor jou.”
Ineens – waarom, wist ik zelf eigenlijk niet; alleen maar uit gekkigheid, denk ik – ineens voelde ik een bijna onbedwingbare lust om van de wasbak te springen en Stradlater in een halve nelson te nemen. Dat is een worstelaarsgreep, als je ’t soms niet wist, waarbij je je tegenstander om zijn nek pakt en wurgt, als het zo te pas komt. En ik deed het. Ik sprong als een panter bovenop hem.
“Hou op, Holden – schei uit in vredesnaam!” riep Stradlater. Hij was niet in de stemming voor gijntjes. Hij wou zich scheren en wassen. “Wou je soms dat ik me in mijn strot snijd?”
Maar ik liet niet los. Ik had hem in een pracht van een halve nelson. “Bevrijd je uit mijn niets ontziende greep,” zei ik.
“Wel, gads…” Hij smeet zijn scheermes neer, gooide zijn armen omhoog en wist mijn handen los te krijgen. Hij is zo sterk als een beer. Ik ben maar een zwak ventje. “Schei nou uit met die gekheid,” zei hij. Hij begon zich van voren af te scheren. Hij schoor zich altijd twee keer, om er vooral maar chique uit te zien. Met dat rottige, roestige scheermes van hem.
“Wie is het dan, als het Fitzgerald niet is?” vroeg ik. Ik ging weer naast hem op de wasbak zitten. “Dat kind van Smith?”
“Nee, dat was eigenlijk de bedoeling, maar we hadden niet goed afgesproken. Nou ga ik met de vriendin van Bud Thaw zijn meisje… Verdraaid – dat was ik haast vergeten. Ze kent jou.”
“Wie?” zei ik.
“M’n meisje van vanavond.”
“O, ja?” zei ik. “Hoe heet ze dan?” Ik was nogal geïnteresseerd.
“Even denken… O ja. Jean Gallagher.”
Man, ik sloeg er haast van achterover.
Jane Gallagher,” zei ik. Ik stond er zelfs voor van de wasbak op. Ik dacht eerlijk dat ik het in Keulen hoorde donderen toen hij dat zei. “Of ik die ken. Ze woonde practisch naast me, eerverleden zomer. Ze had zo’n kalf van ’n Dobberman Pincher. Zo heb ik haar leren kennen. Die hond liep telkens in onze -“
“Je staat precies in m’n licht, Holden, g’dorie,” zei Stradlater. “Kan je nou werkelijk nergens anders staan?”
Man, wat was ik opgewonden.
“Waar is ze?” vroeg ik. “Dan ga ik ‘r toch zeker even goeiedag zeggen. Waar is ze? In de conversatiezaal?”
“Ja.”
“Hoe kwam ze erbij mijn naam te noemen? Gaat ze nou op B.M.? Dat zei ze, dat ze daar misschien naar toe zou gaan. Of misschien ging ze naar Shipley, zei ze. Ik dacht dat ze naar Shipley gegaan was. Hoe kwam ze zo op mijn naam?” Ik was nogal opgewonden. Eerlijk waar.
“Weet ik veel. Licht je poot even op, wil je? Je staat op mijn handdoek,” zei Stradlater. Waarom liet hij z’n smerige handdoek ook over de grond slepen.
“Jane Gallagher,” zei ik. Ik kon d’r bijna niet over uit. “Hoe bestaat ‘het.”
Stradlater bewerkte zijn haar met brillantine. Mijn brillantine.
“Dansen dat ze kan,” zei ik. “Ballet en alles. Ze oefende vroeger twee uur per dag, al was het nog zo smoorheet. Ze was bang dat ze d’r benen ermee verpesten zou – dat ze dik zou worden en zo. Ik heb veel met ‘r gedamd.”
“Ge-wat?”
“Gedamd.”
“Dammen – hoe komt een mens erbij!”
“Ja. Ze gebruikte nooit haar dammen. Als ze een dam haalde, deed ze er nooit iets mee. Ze liet hem gewoon op de achterste rij staan. Allemaal op een rijtje. Niks deed ze ermee. Ze vond het een leuk gezicht als ze ze allemaal in het gelid had staan.”
Stradlater zei niets. Zulke dingen interesseren de meeste mensen niet.
“Haar moeder was bij dezelfde club als wij,” zei ik. “Ik sjouwde wel eens met golfstokken, om een paar centen te verdienen. Ik heb het ook een paar keer voor haar moeder gedaan. Ik heb er wel beroerder zien spelen.”
Stradlater luisterde nauwelijks. Hij kamde zijn glanzende lokken.
“Ik moest haar eigenlijk egen goeiedag gaan zeggen,” zei ik.
“Waarom ga je dan niet?”
“Dadelijk.”
Hij begon opnieuw een scheiding in zijn haar te trekken. Hij kon wel een uur met zijn haar bezig zijn.
“Haar vader en moeder waren gescheiden. Haar moeder was hertrouwd met een of andere dronkelap,” zei ik. “’n Broodmagere knul met van die harige benen. Ik herinner me hem nog goed. Hij sjouwde altijd in een korte broek rond. Jane zei dat-ie toneelschrijver was of zoiets, maar hij deed nooit iets anders dan zuipen en naar hoorspelen luisteren. En naakt in huis rondlopen. Waar Jane bij was.”
“Echt waar?” zei Stradlater. Zoiets interesseerde hem. Een dronkelap, die naakt in huis rondliep, waar Jane bij was. Sexuele onderwerpen – daar smulde hij van.
“Ze heeft een belabberde jeugd gehad. Eerlijk.”
Maar dat kon Stradlater geen bal schelen. Alleen sexuele onderwerpen.
“Jane Gallagher. G’dorie.” Ik kon eenvoudig aan niets anders denken. Onmogelijk. “Ik moet haar in elk geval toch even goeiedag gaan zeggen.”
“Waarom doe je ’t dan niet, in plaats van er steeds maar over te zagen?” zei Stradlater.
Ik ging naar het raam maar je kon buiten niets zien, zo beslagen was de ruit van de hitte in het waslokaal. “Ik ben er nou niet voor in de stemming,” zei ik. Dat wàs ik ook niet. Voor zulke dingen moet je in de stemming zijn. “Ik dacht dat ze naar Shipley was gegaan.” Ik drentelde een keer in het waslokaal rond. Ik had niets anders te doen. “Vond ze het een mooie wedstrijd?” vroeg ik.
“O, ik geloof van wel. Ik weet het niet.”
“Heeft ze je verteld dat we veel gedamd hebben samen?”
“Man, weet ik veel. Ik ken d’r pas,” zei Stradlater. Hij was eindelijk klaar met zijn haar en was bezig zijn smerige toiletboeltje in te pakken.
“Zeg, doe haar de groeten van me, wil je?”
“Oké,” zei Stradlater, maar ik wist bijna zeker dat hij het niet doen zou. Kerels als Stradlater doen nooit iemand de groeten van je.
Hij ging terug naar de kamer, maar ik bleef nog wat in het waslokaal hangen en dacht aan Jane. Toen ging ik ook naar onze kamer.
Toen ik binnenkwam, stond Stradlater voor de spiegel zijn das te strikken. Hij bracht zowat de helft van zijn leven voor de spiegel door. Ik ging zitten en bleef een poosje naar hem zitten staren.
“Zeg,” zei ik. “Vertel haar niet dat ik van school getrapt ben, wil je?”
“Oké.”
Dat had je nu weer voor met Stradlater. Je hoefde hem niet alles uit te leggen zoals Ackley. Voornamelijk omdat het hem geen snars interesseerde, denk ik. Dat was de eigenlijke oorzaak. Met Ackley was het een ander geval. Die stak overal zijn neus in.
Hij trok mijn sportcolbertje aan.
“Man, zorg alsjeblieft dat je er niet uitbarst,” zei ik. Ik had het pas twee keer gedragen.
“Heus niet. Waar zijn mijn sigaretten nou weer?”
“Op de tafel. Onder je sjaal.” Hij wist nooit waar hij zijn spullen gelaten had. Hij stak ze in zijn jaszak – mijn jaszak, bedoel ik.
Ik trok voor de verandering de klep van mijn pet naar voren. Ik begon een beetje nerveus te worden – zo maar, zonder aanleiding. Ik ben doorgaans nogal nerveus. “Zeg, waar ga je met haar naar toe?” vroeg ik. “Heb je al een plan?”
“Ik weet het niet. New-York, als we tijd hebben. Ze moet nota bene om half tien binnen zijn, zegt ze.”
De manier waarop hij dat zei, beviel me niet, en daarom zei ik: “Ze wist zeker niet wat een romantische, mooie jongen je bent. Als ze dat geweten had, had ze wel gezorgd dat ze morgenochtend om half tien binnen moest zijn.”
“Je slaat de spijker op de kop,” zei Stradlater. Hij liet zich niet zo makkelijk op de kast jagen. Daar was hij veel te verwaand voor. “Maar nou zonder gekheid. Maak dat opstel nou voor me,” zei hij. Hij stond met zijn jas aan, klaar om te vertrekken. “Je hoeft je niet uit te sloven. Als het maar een beetje loopt. Oké?”
“Ik gaf geen antwoord. Ik had er geen zin in. Ik zei alleen: “Vraag ‘r maar of ze nog steeds haar dammen op de achterste rij laat staan.”
“Oké,” zei Stradlater, maar ik wist zeker dat hij het niet doen zou. “En doe het maar op je gemak.” En weg was hij. Ik bleef zowat een half uur zitten, zonder iets uit te voeren. Ik moest voortdurend aan Jane denken, en aan het feit dat Stradlater met haar uitging. Ik kreeg het er gewoon van op mijn zenuwen. Ik zei daarstraks al dat Stradlater zo heet was als een ui.
En ineens kwam Ackley weer op mijn dak vallen, via de doucecel. Voor het eerst van mijn leven was ik werkelijk blij hem te zien. Het leidde me tenminste af.
Hij bleef rondhangen tot het tijd was om te gaan eten, en al die tijd bleef hij doorzagen over de jongens op Pencey waar hij de smoor aan had, en zat hij aan die grote puist op zijn kin te frunniken. Hij gebruikte niet eens zijn zakdoek. Als je mij vraagt, hield hij er niet eens een zakdoek op na. Ik heb hem er tenminste nooit een zien gebruiken.


V

OP ZATERDAG KREGEN WE ALTIJD HETZELFDE MENU OP PENCEY.
Het moest eigenlijk een grote tractatie voorstellen, omdat we dan biefstuk kregen. Maar ik verwed er mijn hoofd onder dat ze dat deden omdat er ’s zondags veel ouders op bezoek kwamen, en Thurmer ging natuurlijk van de redenering uit dat de meeste moeders dan wel eens wilden weten wat zoontjelief de vorige dag had gegeten. Zo’n oplichter. Je had die biefstuk eens moeten zien. Zo hard als een bikkel. Je kon er met geen mes doorkomen. De puree die ze erbij gaven, zat vol harde brokken, en voor dessert kreeg je chocoladepudding, die geen mens opat – behalve misschien de knulletjes van de lagere school, en knapen als Ackley, die alles eten.
Het was fijn buiten, toen we uit de eetzaal kwamen. De sneeuw lag al bijna een decimeter dik, en er viel nog steeds meer. Het was een verdraaid mooi gezicht, en we waren in minder dan geen tijd aan het sneeuwballen en lolmaken. Het was reuze kinderachtig, maar we hadden allemaal de grootste schik.
Ik had geen afspraak of niks, en daarom besloten Mal Brossard en ik de bus naar Agerstown te nemen, en daar wat te eten en desnoods een film te gaan zien. We hadden geen van beiden zin de hele avond op ons achterste te zitten. Ik vroeg Mal of hij er wat op tegen had als Ackley meeging. Ik vroeg dat omdat Ackley ’s zaterdags meestal in zijn eentje op zijn kamer rondhing, zijn puisten uitknijpen en zo. Mal zei dat hij er niets op tegen had, maar dat hij er niet bepaald dol op was. Hij mocht Ackley niet erg. We gingen elk naar onze kamer om ons op te knappen en klaar te maken, en terwijl ik bezig was mijn overschoenen aan te trekken, riep ik aan Ackley of hij soms zin had mee te gaan naar de bioscoop. Hij kon me best horen, door de gordijnen van de douchecel heen, maar hij gaf niet dadelijk antwoord. Hij was een van die kerels die het vertikken direct antwoord te geven. Tenslotte dook hij op van tussen de gordijnen, bleef op de drempel staan en vroeg wie er nog meer meeging. Dat moest hij altijd eerst weten. Ik weet zeker, als hij ooit schipbreuk zou lijden, dan zou hij eerst moeten weten wie er nog meer in de reddingsboot zaten, voor hij instapt. Ik zei dat het Mal Brossard was. “O, die lummel,” zei hij. “Goed. Wacht maar even.” Net alsof hij je een geweldige dienst bewees.
Het duurde zowat een halve dag eer hij klaar was. Onderhand ging ik naar het raam en kneedde een sneeuwbal met mijn blote handen. Het was echte goeie paksneeuw. Maar ik gooide nergens op. Ik stond op het punt te gooien. Naar een auto aan de overkant van de straat. Maar ik bedacht me. Die auto zag er zo mooi wit uit. Toen wilde ik op een brandkraan gooien. Maar die zag er ook al zo mooi uit. Het slot van het liedje was dat ik nergens op gooide. Ik deed alleen maar het raam dicht en begon de kamer op en neer te lopen, alsmaar knedend aan die sneeuwbal. Een poosje later, toen Brossard en Ackley en ik op de bus stapten had ik hem nog. De chauffeur maakte de deuren open en liet mij ‘m naar buiten gooien. Ik zei dat ik niet van plan was geweest op iemand te gooien, maar hij wilde me niet geloven. De mensen geloven je nooit.
Brossard en Ackley hadden allebei de film die draaide al gezien, en zodoende bleven we wat in een cafetaria hangen, aten wat, speelden een poosje aan de automaten, en namen toen de bus terug naar Pencey. Die film kon mij weinig schelen. Het moest een komedie voorstellen, met Cary Grant. Bovendien was ik al meer eens met Brossard en Ackley naar de bioscoop geweest. Ze lachten allebei als hyena’s om dingen die niet eens grappig waren. Ik vond er niets aan naast hen in de bioscoop te zitten.
Het was pas kwart voor negen toen we weer terug waren. Brossard was verzot op bridgen, en hij ging kijken of er nergens een spelletje te doen was. Ackley sloeg voor de verandering zijn tenten in mijn kamer op. Alleen ging hij, in plaats van op de armleuning van Stradlaters stoel te zitten, op mijn bed liggen, met zijn hoofd bovenop mijn kussen. Toen begon hij te praten, aldoor maar op dezelfde dreun, en voortdurend met zijn vingers aan zijn puisten. Ik gaf hem wel duizend keer een wenk, maar ik kon hem niet kwijtraken. Hij bleef steeds maar doordreunen over een grietje waarmee hij beweerde de vorige zomer geslachtelijke omgang te hebben gehad. Dat had ik al minstens honderd keer moeten horen. En iedere keer als hij het vertelde, was het anders. De ene keer had hij het in de Buick van zijn neef gedaan, de volgende keer ergens in ’n greppel. Het was natuurlijk allemaal gezwets. Hij was zo groen als wie dan ook. Ik waag het zelfs te betwijfelen of hij ooit wel zijn vingers naar een meisje had uitgestoken. Tenslotte kon ik er geen doekjes meer om winden, en ik vertelde hem zonder omwegen dat ik een opstel voor Stradlater moest maken – en of hij maar wilde opkrassen, zodat ik me kon concentreren. Dat deed hij dan eindelijk ook, maar, zoals gewoonlijk, pas na veel vijven en zessen. Toen hij weg was trok ik mijn pyama en mijn badjas aan, zette mijn pet op, en begon aan dat opstel.
Het beroerde was dat ik geen kamer of huis kon beschrijven, zoals Stradlater gezegd had. Ik ben niet zo dol op dat soort onderwerpen. En daarom pakte ik mijn broer Allie’s baseballhandschoen als onderwerp. Daar viel tenminste wat van te maken. Het was een linkerhandschoen. Mijn broer Allie was links, moet je weten. Maar het bijzondere was dat hij het ding vol met gedichten had gekrabbeld. Met groene inkt. Dat had hij gedaan om iets te lezen te hebben als hij een ogenblik niets te doen had op het veld. Hij is nou dood. Hij is gestorven toen we in Maine waren, op 18 juli 1946. Een aardige knul was hij. Hij was twee jaar jonger dan ik maar vijftig keer zo intelligent. Hij was ontzettend bij. Zijn onderwijzers schreven altijd brieven aan mijn moeder, om te zeggen dat het zo’n genot was een jongen als Allie in de klas te hebben. En dat was geen flauwekul. Ze meenden het. Maar hij was niet alleen de intelligentste uit ons gezin. Hij was ook de aardigste in een boel opzichten. Hij werd nooit kwaad op iemand. Ze zeggen dat mensen met rood haar gauw kwaad worden, maar met Allie was dat niet het geval, en ik verzeker je dat hij rood haar had. Ik zal je vertellen hoe een rood haar hij had. Ik speelde voor het eerst golf toen ik amper tien jaar was. Ik herinner me nog goed hoe ik eens – ik was toen een jaar of twaalf – klaarstond om af te slaan, toen ik plotseling het gevoel kreeg dat ik maar om hoefde te zien, en ik zou Allie zien. Ik kéék om, en daar zat hij, op zijn fiets, bij het hek, ruim honderd meter van mij af. Zulk rood haar had hij. Een aardige knul dat hij was. Hij kon soms aan tafel zo hard in de lach schieten, dat hij bijna van zijn stoel viel. Ik was pas dertien, en ze waren van plan me psychotechnisch te laten onderzoeken, omdat ik al de ruiten in de garage had gebroken. Niet dat ik ze dat kwalijk kan nemen. Ik sliep in de garage de nacht dat hij stierf, en ik sloeg al de ruiten met mijn vuist stuk, louter uit balorigheid. Ik wou zelfs de ruiten breken van de stationcar die we die zomer hadden gekocht, maar mijn hand was al helemaal stuk en ik kon het niet meer doen. Het was natuurlijk reuze stom van me, dat geef ik toe, maar ik wist nauwelijks wat ik deed, en je hebt Allie ook niet gekend. Mijn hand doet nog af en toe pijn, als het regent en zo, en ik kan geen stijve vuist meer maken, maar afgezien daarvan kan het me weinig schelen. Ik ben per slot van rekening niet van plan chirurg of violist te worden.
Nou, daar schreef ik dan Stradlaters opstel over. Over Allie’s baseballhandschoen. Ik had hem toevallig bij me in mijn koffer, en dus haalde ik hem tevoorschijn en schreef de gedichten over, die erop stonden. Ik hoefde alleen maar Allie’s naam te veranderen, zodat geen mens zou merken dat het mijn broer was, en niet die van Stradlater. Ik was er niet al te happig op, maar ik kon niets anders verzinnen. Bovendien vond ik het prettig om erover te schrijven. Het kostte me zowat een uur, omdat ik Stradlaters oude schrijfmachine moest gebruiken en de toetsen iedere keer vastzaten. Ik kon mijn eigen machine niet gebruiken, want die had ik aan een knul beneden geleend.
Het was ongeveer half elf toen ik klaar was. Maar ik was niet moe, en dus bleef ik een poosje uit het raam kijken. Het sneeuwde niet meer buiten, maar af en toe hoorde je ergens een wagen die niet kon starten. Je kon ook Ackley horen snurken. Dwars door de gordijnen van de douchecel heen kon je hem horen zagen. Hij had voorhoofdsholte-ontsteking, en hij mocht niet te warm slapen. Die knul had nou ook alles. Voorhoofdsholte-ontsteking, puisten, groene tanden, stinkende adem, hoornnagels – noem maar op. Eigenlijk moest je wel een beetje medelijden hebben met dat snertjong.

Lees verder: Hoofdstukken VI – X –>

 
René van Densen
René van Densen
René van Densen (1978) is een cynische dromer, een lachende pessimist, een realistische romanticus, een honklosse kluizenaar, een intelligente mafkees, een bedachtzame schreeuwer, een podiumschuwe polderpoëet, ex-nachtburgemeester van Tilburg, ex-striptekenaar, ex-schrijver, ex-webdeveloper, ex-vuilnisman, ex-kind en ex-volwassene, ex-burger, en kattenpapa van een Gentse terror kitten. Eerste Nederbelg die toetrad tot de Wolven van La Mancha. Maar is uiteindelijk niet zo van de collectieven. U treft hem uitsluitend in vrouwonvriendelijke omgevingen aan, en die nieuwe roman van hem komt ook nooit af. Werd al eens omschreven als "onbegonnen werk" door een prachtige blondine.

www.renevandensen.nl
Meer René op Facebook !