Als vegetariër die plots zin heeft gekregen in friet en een snelle hartige hap erbij kun je meestal niet heel veel kanten op, afhankelijk van de grootte van de stad waar je je in bevindt. In de middelgrote- tot kleine steden is het behelpen met een kaassoufflé en misschien per ongeluk een verdwaalde extra optie in een vergeten snackbar in of andere uithoek. Als zodanig ben ik dan ook redelijk wat gewend qua uithoek-snackbars. Als zo’n zaak een smoezelig voorkomen heeft en een interesse-prikkelende naam ben ik al snel bereid naar binnen te stappen. Wat ik echter in Breda bij ‘Panache’ aantrof, heb ik nog nooit meegemaakt.
Met een verdwaalde tafel-met-kruk aan de wand is de voornaamste eet- en zitplaats in dit smalle tentje pal aan de bestel ‘bar’. Bij binnenkomst keken verlopen achterbuurtbewoners – een term die ik niet licht gebruik – compleet met groezelige kleding en gouden kettingen, lauwtjes op en een licht sjacherijnig kaal personeelslid nam uitgebreid de tijd voordat hij kwam vragen wat ik zoal moest. Ik had vooral het snackbarretje een kans gegund wegens de vermelding ‘groentekroket’ op hun kaart, dus bovenop een portie friet speciaal bestelde ik dat. De bediening duurde lang en mijn ‘kok’ liep erg geïrriteerd rond dus dwaalden mijn ogen maar wat rond. Drie deuren met grote, opvallende opschriften trokken de aandacht: ‘privé‘, ‘toiletten‘ en, ik kon het even niet geloven maar echt waar, ‘danger‘. Hoewel ik in een licht avontuurlijke bui was, merkte ik dat mijn lichaam de toiletruimte wou verkennen dus liet ik deze laatste mysterieuze deur ongemoeid. Het zou duidelijk toch wel eventjes duren voordat ik mijn ‘snelle’ hap tot mij kon nemen, dus was een sanitaire stop een prima optie, dunkte me.

Interieur van het toilet: uiterlijk redelijk schoon voor een snackbar. Na een korte zit-sessie merkte ik echter plotseling op dat er nergens een toiletrol te bekennen was. Geen hand-afveeg servetten, niks, nada. Gezien de Grote Boodschap die zojuist onder mij het diepe in geplonsd was, baarde dit mij licht zorgen. Doorspoelen van eerder genoemde boodschap bleek ook onmogelijk aangezien het water de waterdruk van een druppelkatheder bleek te hebben. Voorzichtig, met de onderbroek zo los mogelijk in mijn broek om textielmatige afveegresultaten te voorkomen, liep ik het toilet weer uit om aan de norse kale man te vragen waarom er geen toiletpapier aanwezig was. Een bozig verhaal werd mijn deel: “Ja, als ik dat daar hang kan ik iedere avond om de drie kwartier met mijn hele arm in die plee gaan zitten wroeten,” (Smakelijk) “we krijgen hier enkel van dat stappubliek hè en dat komt hier dan eigenlijk allenig om te kotsen en weetikwat.” Ondanks enkele rechtstreekse verzoeken aan de man of ik anders toch even een paar velletjes mocht om nog even terug in het toilet zo een en ander af te ronden, drong het maar niet tot hem door dat ik slachtoffer aan het zijn was van het gedrag van de kwaaien onder zijn klandizie. Na een minuut of tien gaf ik de hoop op een zinnige uitkomst van deze situatie op en wandelde naar buiten, om enkele deuren verder – in overigens een prachtig establissement met warm jong fris personeel en een fraai verzorgd toilet – de kwestie af te handelen.

Was ik een verstandig man geweest, dan was ik daar gebleven, maar ik had reeds in Panache besteld, en bovendien was mijn avontuurdrift inmiddels aardig geprikkeld, dus ik wandelde tegen beter weten in terug de snackbar in.

“Groentekroketten zijn op,” zei de man die duidelijk op mij gewacht had om dit me mede te kunnen delen. “Ik dacht dat we ze nog hadden maar dat blijken goulashkroketten te zijn. Zelfde kleur hè.” Ik besloot, wellicht aan de overmoedige kant, een broodje gebakken ei te nemen bij mijn friet speciaal. Terwijl het bereid werd, tuurde ik de tent wat meer rond en telde zo’n elf (vermoedelijke) overtredingen van de keuringsdienst van waren. Hoewel de cola-automaat naast het afwas-gedeelte van de aanrecht / bakplaat stond, was de zijkant duidelijk met forse spetters vet besmeurd. Boven de automaat klonk plots een harde knetterpats. De kale man zag mij even schrikken. “Da’s de electronische vliegenvanger,” verduidelijkte hij me.

De frieten werden op zich nog optimistisch op een fraai bordje opgediend, met heus bestek (dat schoon was, moet worden gezegd). Jammer alleen dat het een wat viezige, nietniet- of netteveel-gebakken substantie was, waar de ‘speciaal’ niet veel meer aan kon redden. PatsZZZZ vloog nog een vlieg zijn felblauwe electronische dood tegemoet. Na een, vooral door stevige trek gevoedde, dappere poging zoveel mogelijk van de friet naar binnen te krijgen werd ook het witte bolletje gebakken ei geserveerd, ditmaal op enkel een servetje. PatsZZZZ. Het eigeel droop aan alle kanten van het broodje bij de lichtste aanraaking al over mijn vingers, over het servetje, op de bar, noem maar op. Peper, zout of iets anders ‘extra’s’ was duidelijk teveel moeite om voor de gebruikelijke klandizie te doen. Evenals de kwestie rondom het toilet, waar de man zich toch nog een beetje – in herhaling vervallend hier en daar – voor zat te verontschuldigen. “Dan kun je nagaan dat hij nu op zich schoon is,” zei hij nog, “want dat hoeft eigenlijk ook niet van de baas. Dat papier, dat mág echt niet van hem, maar zoals het toilet er eerst uitzag, man, je had je ogen niet geloofd.” PatsZZZZ.

Het had iets ontroerends, deze man die onder blijkbaar tyrannieke omstandigheden in een hopeloze snackbar er toch optisch nog iets van probeerde te maken. Zo waren de muren, de bar, de grill enzovoorts duidelijk wel net genoeg schoongemaakt om schoon te lijken. Hoewel ik zelfs nog flink moeite moest doen om zijn aandacht te trekken om af te mogen rekenen, was hij vermoedelijk de meest competente en goedbedoelende medewerker van het hele establissement. Ik besloot het groezeligste snackbarretje dat ik in heel mijn leven heb mogen bezoeken, te verlaten zolang ik mijn maaltijd nog binnen kon houden, en niet verder te vragen naar wat er zich achter de ‘danger‘ deur bevond. Dat kon inmiddels enkel nog tot de verbeelding spreken, immers. Terwijl ik naar buiten liep, vloog nog een vlieg vrijwillig naar het hiernamaals. PatsZZZZ.

Eindscore Panache: vier kutten.

 
René van Densen
René van Densen
René van Densen (1978) is een cynische dromer, een lachende pessimist, een realistische romanticus, een honklosse kluizenaar, een intelligente mafkees, een bedachtzame schreeuwer, een podiumschuwe polderpoëet, ex-nachtburgemeester van Tilburg, ex-striptekenaar, ex-schrijver, ex-webdeveloper, ex-vuilnisman, ex-kind en ex-volwassene, ex-burger, en kattenpapa van een Gentse terror kitten. Eerste Nederbelg die toetrad tot de Wolven van La Mancha. Maar is uiteindelijk niet zo van de collectieven. U treft hem uitsluitend in vrouwonvriendelijke omgevingen aan, en die nieuwe roman van hem komt ook nooit af. Werd al eens omschreven als "onbegonnen werk" door een prachtige blondine.

www.renevandensen.nl
Meer René op Facebook !