Zoek resultaten
Gevonden: 16 resultaten voor zoekterm grote, schrijver, let

De grote schrijver Ko te Let slofte huiswaarts. Na enige tijd buitengaats te hebben vertoeft, verlangde hij ernaar weer binnengaats te zijn. ‘Uithuizig wezen, ik heb er een broertje dood aan’, smiespelde hij monotoon tegen de stoep. Hij droeg een duffelse jas van een onbestemd merk en een bruine corduroy broek met bretels. Omdat het oog ook wat wil, had hij zijn goede schoenen aangetrokken. Zwarte gezondheidsschoenen van het merk Mephisto ®. Terwijl hij de tijdloze kwaliteit en schoonheid van zijn zwarte Mephisto’s® overdacht, zocht hij in zijn zakken naar zijn sleutels.
Hoewel hij een verloren gewaand rolletje King® vond en wat pluisjes, voelde hij de sleutels niet. Ko kwam graag goed beslagen ten ijs. Daarom eiste hij van zichzelf de sleutels paraat te hebben voordat hij bij de ingang van zijn flat kwam. Maar Ko kon de bos nergens vinden. Hij werd rood en kreeg het warm. ‘Verdikkeme’, vloekte hij binnensmonds. Hij stopte om zijn jasopeningen grondiger te doorzoeken. Niks, behalve het rolletje pepermunt en talloze pluisjes. ‘Gossiemikkie, dat heb ik weer.’

De grote schrijver Ko te Let zag vanachter zijn raam de erven van Linda met een pannetje soep aan komen lopen. Ze ploegden door het zand en gingen bijna onderuit toen ze in een kuil stapten. Met de grootste moeite konden ze het pannetje soep boven hun hoofden recht houden. Ko zag het gebeuren door de kier in de gordijnen. Hij was blij dat hij veilig binnen was. ‘Dat krijg je er nu van’, bitste hij tegen de vitrage.

Omdat de grote schrijver Ko te Let geruime tijd buitengaats vertoefde, kon hij niets publiceren. En toen hij eenmaal weer binnengaats was, gooide de opgebroken straat roet in het eten. Alle stenen voor zijn deur waren weggehaald. Er was nu een grote berg wit zand verschenen. O jeetje. Daar stond Ko mooi mee te kijken. Door de grote hoop wit zand voor de deur was hij veroordeeld tot een leven binnenshuis.

De grote schrijver Ko te Let zat te soezen in zijn groteschrijversstoel. Hij smakte met zijn vochtige lippen, want hij dacht aan zijn lievelingskostje: kaasfondue. De Edammer droop in dikke klonten van de stok af. Steeds dikker werden de glimmend gele druppels en Ko begon harder te smakken. Er verschenen witte dotten spuug in zijn mondhoeken. Hij kreunde en slikte amechtig van de kleffe kaasdroom. Zijn kruis werd broeierig toen de deur plotsklaps openzwaaide.
Het waren de erven van Linda.

De grote schrijver Ko te Let pulkte aan zijn reukorgaan. De neuspulk leek op Peerke. Dat gebeurde hem wel vaker, dat Peerke zich aan hem openbaarde. Hij vertoonde zich in van alles onverhoeds aan Ko. In gordijnen, plassen en nu in een grijsgroen snotje. De oren leken niet echt.

De grote schrijver Ko te Let keek tussen de gordijnen door naar buiten. Er lag een gebutst bierblik op straat. Het irriteerde Ko. Wat was er gebeurd met die warme burenband? Kon niemand de gedeukte conserve opruimen? Het lag bij zijn onderbuurman voor de deur. Het was zijn verantwoordelijkheid. Hij wendde zich af van het raam en zette zich in zijn grote schrijvers stoel. Ko plukte aan zijn wollen trui. Er zat een pluisje op. Het had een vreemde vorm. Een klein bolletje bovenop een grote. Het was net de oermoeder.

De grote schrijver Ko te Let stond aan het fornuis en bakte een ei. Een week ei. Zo had hij zijn eieren het liefst: vochtig en met de dooier intact. ‘Plekeier', noemde zijn moeder zaliger ze. Ze was bij een fataal snoei incident om het leven gekomen. Maar dat ter zijde. Ko tuurde afwezig in de koekenpan. Het wit moest week zijn en het vel van het geel zo dun mogelijk. Maar niet dunner! Dan zou het breken en dat was in Ko's ogen onwenselijk. En ook onsmakelijk. De dooier moest heel blijven. Tot Ko het in zijn mond had, natuurlijk. Dat mocht het kapot gaan. Maar zeker niet eerder. Ko was nogal precies op zijn ei.

De grote schrijver Ko te Let zat in zijn grote schrijversstoel. Hij plukte aan een draadje op zijn wollen trui. Terwijl hij het tussen duim en wijsvinger tot een sliertje draaide, keek hij naar de vensterbank en mompelde tegen de sanseveria: ‘als dit zo doorgaat, hou ik geen trui meer over'. Ko werd onrustig bij het idee dat zijn trui vezel voor vezel aan het desintegreren was. Alleen al de suggestie gaf hem een beetje een unheimisch gevoel.

De grote schrijver Ko te Let nam het applaus dankbaar in ontvangst. Net toen hij wilde vertellen dat zijn nieuwe bundel voor het kleine bedrag van 14,95 in de winkel lag, zag hij dat hij de stadsvijver naderde. Het was een drukte van jewelste op het ijs.

De grote schrijver Ko te Let stond beteuterd voor de deur van Greutzenbad. Hij had de kunstrijschaatsen bij hun veters vast. De schaatsen waren een beetje vies wit. Er zaten krassen op het leer. Ko was helemaal niet blij met zijn geleende schaatsen. ‘Kop op jong, wie weet wat deze dag gaat brengen', sprak hij tegen deur.

De grote schrijver Ko te Let sloop de trap af. Het was gehorig in het trapportaal, maar van hém zouden ze geen last hebben. Ko was altijd muisstil. Want hij had veel burgerzin. De andere bewoners van zijn flat hadden aan hem een fijne buur. Er kon altijd een groet vanaf. En soms een praatje. Mooi vond de grote schrijver dat, converseren met de mensen in zijn flat. Hij schoot ze dan aan bij de brievenbussen en vertelde hoe het met hem ging. Wat hij aan het schrijven was en op welke literaire avonden hij acte de présence had gegeven.

De grote schrijver Ko te Let wachtte niet op antwoord. Hij vermande zich en vatte de koe bij horens. Hier moest het vet ergens staan, peinsde hij. Tussen de molton dekens. Waarom was hij in het bezit van vijftien molton dekens? Was hij vergeten hoezeer die zijn huid irriteerden? De grote schrijver wachtte niet op een antwoord. Het vet moest gevonden worden. Waar was de cementkuip met het vet en de schaatsen? Tussen de moltondekens, zoveel was zeker. Schaatsen in het vet bij de moltondekens, hij herinnerde het zich nog van de verhuizing.

De grote schrijver Ko te Let besloot zijn schaatsen uit het
vet te halen. Hij zuchtte, deed de gordijnen weer toe en liep naar de
inbouwkast. Hij opende de deuren en zuchtte opnieuw. Doelloos bleef hij voor de
opening staan. Hij betastte zijn linker schrijversoorlel. Die was pluizig zeg.
Het verbaasde de grote schrijver Ko te Let dat zijn linker schrijversoorlel zo zacht was.
Als een bolletje katoen. Hij liep naar de badkamer en keek in de spiegel. Zijn
linkeroorlel was dik bedekt met
transparante vlashaartjes.

De grote schrijver Ko te Let liep naar de begraafplaats. Dat
vond hij fijn, de begraafplaats bezoeken.
Een plek die de echte groter
schrijver regelmatig dient te frequenteren, zo vond hij.
Eventjes weer
doordrongen worden van het onvermijdelijke heengaan van de mens.

De grote schrijver Ko te Let was op weg naar de
poëzieschuur. Hij had zich gesneden bij het scheren en had een pleister op zijn
linkerwang. Hij droeg een rode ribbroek, een beige kaftan en oude gaatjesschoenen.
Op zijn hoofd had hij een alpino pet. Ja, dit was zijn schrijverskloffie voor
literaire avonden. ‘De maan glinsterschittert in de spiegelstenen van de stad’,
overpeinsde hij onder het lopen. ‘Dat talent, het is een straf. Die ingevingen
komen maar. Nooit kan ik ze stoppen. Altijd maar die fantastische vondsten. Ik
wil ook wel eens een avondje gedachteloos naar de tv staren. Maar ze blijven
maar opborrelen.’ Nee, de grote schrijver juichte zijn talent niet toe.

De grote schrijver Ko te Let zat achter zijn groteschrijversbureau.
Hij zuchtte en stak de brand in zijn pijp. Waarmee zou hij het Nederlandse
taalgebied nu weer eens gaan verrijken? Hij stond op, trok aan zijn pijp en
keek uit het raam. De buurman schoor de heg. Wel de heg scheren, maar de huur
van deze maand betalen ho maar. Ko wikte en woog. Een chanson? Een mooi stukje standuppoetry of een rake observatie? Een luisterrijk
gedicht?’ Met een gouden pennetje is het moeilijk kiezen.
Hij
smeerde een boterham. En nog één.
Lekker, pindakaas. Dat had hij graag. Hij zette water op. In zijn leesfauteuil
wachtte hij tot hij het fluiten hoorde. De literator dronk de thee. Met zijn
tong peurde hij de laatste stukjes uit zijn kies. Hij stond op en liep naar de Ficus. Nog nat genoeg. Toch maar wat erbij. Ko
druppelde water in de pot. De Ficus kon er weer even tegen. Hij wreef de
bladeren op met de punt van zijn mouw. Niet te hard. Die mouwen moeten niet vies
worden. Hij moest vanavond nog acte de présence geven op een literaire
manifestatie. Ja, hij deed het liever niet, verschijnen op een literair
samenzijn in de Poëzieschuur. Liever concipieerde hij de hele dag literatuur.
Maar ja, ze vroegen hem. Altijd. En dan
moet hij komen.