Ko te Let vindt een Z (-1) 8 1

De grote schrijver Ko te Let slofte huiswaarts. Na enige tijd buitengaats te hebben vertoeft, verlangde hij ernaar weer binnengaats te zijn. ‘Uithuizig wezen, ik heb er een broertje dood aan’, smiespelde hij monotoon tegen de stoep. Hij droeg een duffelse jas van een onbestemd merk en een bruine corduroy broek met bretels. Omdat het oog ook wat wil, had hij zijn goede schoenen aangetrokken. Zwarte gezondheidsschoenen van het merk Mephisto ®. Terwijl hij de tijdloze kwaliteit en schoonheid van zijn zwarte Mephisto’s® overdacht, zocht hij in zijn zakken naar zijn sleutels.
Hoewel hij een verloren gewaand rolletje King® vond en wat pluisjes, voelde hij de sleutels niet. Ko kwam graag goed beslagen ten ijs. Daarom eiste hij van zichzelf de sleutels paraat te hebben voordat hij bij de ingang van zijn flat kwam. Maar Ko kon de bos nergens vinden. Hij werd rood en kreeg het warm. ‘Verdikkeme’, vloekte hij binnensmonds. Hij stopte om zijn jasopeningen grondiger te doorzoeken. Niks, behalve het rolletje pepermunt en talloze pluisjes. ‘Gossiemikkie, dat heb ik weer.’ (meer)
Ko was ontdaan, zenuwachtig, een tikkeltje verontrust en ook wat gespannen. Hij doorzocht nogmaals al zijn broek- en jaszakken. Hij deed zijn schoenen uit. Hij voelde heimelijk aan zijn kruis. Het zou niet de eerste keer zijn dat de sleutelbos achter zijn gulp schuil bleek te gaan. Waar was zijn sleutelbos? Terwijl Ko hulpeloos zichzelf stond te betasten voor zijn deur kwam er een busje met werklui aanrijden. Ze stopten voor zijn flat. De arbeiders laadden plaatsten wegafzettingen.
‘Hela, wat moet dat in mijn straat’, mompelde Ko misnoegd terwijl hij nog steeds zichzelf stond te fouilleren. De werklui keken kort zijn kant op. Ko keek weg. Hij was bang. De grote schrijver had het niet zo op werklui. Hij vond het onbehouwen lieden met zweetgeurtjes. Ergerlijker nog vond hij het dat ze zijn werk niet lazen. Afgezien van een enkeling, natuurlijk. Die had het dan zwaar, onder het ‘schaften’ in de ‘keet.’ Ja, Ko kende dat bouwwereldje wel.
Zijn sleutels bleven onvindbaar. Ko dacht erover terug te lopen om te kijken of ze ergens op de grond lagen, maar was bang voor de werklui. Hij zat zwaar in de piepzak om de arbeiders die nu de straatstenen aan het loshalen waren. Wat moesten ze wel niet denken als Ko weer zou omdraaien en met zijn hoofd omlaag de stoep afspeurde? Nee, Ko had helemaal geen zin in de scheldpartijen van de werklui.
Nu moest hij poepen. Ko kreeg plotsklaps enorme aandrang. Tot kakken. Het voelde alsof hij de hele pot moest volstorten met zijn mest. Langdurig en structureel deficeren was nodig. Het gevoel werd hem teveel. Ko greep verwoed de regenpijp naast zijn balkon vast en tilde zichzelf trillen omhoog. Zijn balkondeuren stonden altijd open. Uit voorzorg. Piepend en krakend, voetje voor voetje klom hij langs de regenpijp. Hij voelde een windje opkomen.
Pppppppppppppppppppppffffffffffffffffffffffffffffffffffffftttttttttttttttttttttttttttttttttttttttttttttthhhhhh. Ko voelde dat zijn kont nat en werd. Van schrik schoot zijn voet los. Hij kon zich ternauwernood vasthouden en hoorde iets rinkelen. Zijn sleutelbos lag onder zijn bungelende voeten. Ze hadden in zijn kontzak gezeten. Had Ko dat maar eerder geweten!
U merkte het al. Een prequel. Helemaal iets van nu. Binnenkort gaan we verder. Met een terug- of vooruitblik. Wellicht stappen we in het midden in. Spannend. Er is nog niets getekend. Alles staat nog open. Fijn hè? Of maakt al die onzekerheid u onrustig? Laat de boel de boel. Haal een frisse neus en drink een kopje kruidenthee. Mag ook in een andere volgorde.
Ko te Let vindt een Z (2) 8 4

De grote schrijver Ko te Let zag vanachter zijn raam de erven van Linda met een pannetje soep aan komen lopen. Ze ploegden door het zand en gingen bijna onderuit toen ze in een kuil stapten. Met de grootste moeite konden ze het pannetje soep boven hun hoofden recht houden. Ko zag het gebeuren door de kier in de gordijnen. Hij was blij dat hij veilig binnen was. ‘Dat krijg je er nu van’, bitste hij tegen de vitrage. (meer)
Omdat Ko nu al drie maanden noodgewongen binnen moet blijven door de opgebroken straat, brengen de erven van Linda hem iedere dag een pannetje soep. Ko vindt er niks aan. Het is kutsoep. Smakeloos, bijna geen ballen. Bij het doorslikken plakt de vettige substantie aan zijn gehemelte. Hij poept er bovengemiddeld dun van. Hoe moeilijk is het nou helemaal een behoorlijk pannetje soep te maken?, vraagt Ko zich af. Hij heeft de erven van Linda zat handige tips aan de hand gedaan. ‘Meer ballen en meer zout er in, erven. Méér ballen en zout’, murmelde hij. Maar nee hoor, die soep blijft pet. En nu komen de erven daar weer aanwaggelen met een hoeveelheid lauw slootwater.
De soep zit vol groene dingetjes. Er zit geen letter letterminestrone in, maar stukjes prei, wortel en meer van dat groenspul. Met kleffe gehaktballetjes die uit elkaar vallen voor Ko ze kan opeten. Is het nu zo véél gevraagd om balletjes te draaien die intact blijven in de soep. Hij heeft een verschrikkelijk hekel aan balletjes die op zijn lepel verbrokkelen. Bahbahbah. Bij de gedacht aan een volle lepel van de drab wilde hij de gordijnen dichttrekken en zich onder de vensterbank verstoppen.
Ko mist zijn moeder. Kon zij nog maar zijn kostje koken! Dat was tenminste een echte huisvrouw. Die kon toveren met de potten en pannen. Ko woonde tot zijn 45e thuis. Tot zijn moeder bij een fataal strijk ongeluk het leven liet. Ze kookte Ko’s groenten precies zoals hij het graag had: tot pap. Dat vond Ko lekker makkelijk eten. Zijn moeder vond altijd het altijd leuk om Ko te voeren als een peuter. Brrrroemmm daar komt het vliegtuig. Toet toet hier is de vrachtwagen. Tjoeke tjoek daar komt de chemietrein. De grote schrijver liet haar begaan. Hij hield zielsveel van zijn moesje. En van prakken.
Daar kwamen de erven van Linda. Door alle overpeinzingen die Ko had gedaan, was het te laat voor hem om zich te verstoppen. De erven van Linda hadden hem al gezien. Ze zwaaiden enthousiast de groene soep klotste uit de pan. Ko voelde zich een beetje ziek worden. Trrrrring. Daar ging de bel. ‘Nou zul je het hebben’, fluisterde hij naar de deur sloffend. Hij opende de deur met een ferme ruk. ‘Hmmm lekker soep!’
Wordt vervolgd lieve lezertjes.
Ko te Let vindt een Z 10 2

Omdat de grote schrijver Ko te Let geruime tijd buitengaats vertoefde, kon hij niets publiceren. En toen hij eenmaal weer binnengaats was, gooide de opgebroken straat roet in het eten. Alle stenen voor zijn deur waren weggehaald. Er was nu een grote berg wit zand verschenen. O jeetje. Daar stond Ko mooi mee te kijken. Door de grote hoop wit zand voor de deur was hij veroordeeld tot een leven binnenshuis. (meer)
‘Werklui. Ik heb er een broertje dood aan’, murmelde Ko te Let tegen de rode potgeranium in zijn vensterbank. Vanuit zijn grote schrijversstoel had hij uitzicht op een geranium en de gravende arbeiders. Getverderrie. Hij vond het maar niets. Al die ongelikte beren. Ze hadden waarschijnlijk nog nooit van de schrijver/publicist/dichter/performer Ko te Let gehoord. Een enkeling daargelaten, natuurlijk. Die had het zwaar tussen dat rauwe volk. Had ie maar een vak moeten leren. ‘Maar er is altijd hoop voor arbeiders die het werk van de grote schrijver Ko te Let kennen!’, riep hij met overslaande stem.
Verder was hij niet zo blij. Door het ontbreken van verhard wegdek zat hij nu al drie maanden binnen. Ja de kinderen, die vonden het mooi. Ze speelden elke middag in het zand. Niemand die er wat aan deed. Ko had al 22 brieven op hoge poten geschreven naar het stadsbestuur. Nul reactie. Ze laten de goede burgers in de kou staan. Waren de gore werklui weg, kwam de opgeschoten schooljeugd zijn overpeinzingen verstoren met hun kwelende kinderstemmen. De krengen waren al maandenlang bezig de buurt te terroriseren met hun gespeel.
Ondertussen hadden de werklui de plaat gepoetst. Schaften, vermoedde Ko, die wel wist hoe de bouwwereld in elkaar stak. Arbeiders zitten vaak te schaften. In een ‘keet’. Daar eten ze witbrood met zult met hun handen. Hij gruwde van het idee van arbeiders die witbrood met hun handen in een keet eten. Er kwamen kinderen langs. Ze gooiden hun fietsen neer om in het zand te spelen. O o o wat hadden ze een pret! Voor zíjn raam. Dat ze verdikkeme voor een ander z’n raam rotzooi trapten.
De kinderen maakten met hun handen een burcht. Het leek nergens naar, dat zag Ko zo wel. Een kasteel van likmevestje. De muren waren oneffen. Broddelwerk. Er was niet eens een slotgracht. Om maar te zwijgen van de torens. Ook daar hadden die jongelui helemaal niet aan gedacht. Ko werd kwaad om zoveel domheid. ‘Rotkinderen’, brieste hij tegen de potgeranium. Voor hij het wist draaide hij het raam open en riep: ‘Rotkinderen! Jullie kasteel lijkt nergens naar!’. In het vensterglas zag Ko dat hij helemaal rood was aangelopen. Hij riep nog een keer ‘rotkinderen!’ naar de kleuters en sloot toen het raam. Daar kwamen de Erven van Linda met een pannetje soep.
Ko te Let ontdekt de internet 6 6

De grote schrijver Ko te Let zat te soezen in zijn groteschrijversstoel. Hij smakte met zijn vochtige lippen, want hij dacht aan zijn lievelingskostje: kaasfondue. De Edammer droop in dikke klonten van de stok af. Steeds dikker werden de glimmend gele druppels en Ko begon harder te smakken. Er verschenen witte dotten spuug in zijn mondhoeken. Hij kreunde en slikte amechtig van de kleffe kaasdroom. Zijn kruis werd broeierig toen de deur plotsklaps openzwaaide.
Het waren de erven van Linda. (meer)
Ze waren paniekerig en droegen een antraciet plastieken tegel met zich mee. Ko wreef het zweet van zijn voorhoofd. De erven van Linda maakten de kunststof rechthoek open. In de binnenkant stonden allemaal knoppen met daarop letters en cijfers. De erven van Linda drukten op een knopje. De machine ging aan. De erven vroegen of Ko kwam kijken. Ze hadden iets ontdekt. De erven van Linda drukten verwoed op allerlei plaatjes op het scherm. Ko hees zich zuchtend uit zijn stoel. De erven van Linda stonden erom bekend van een mug een olifant te maken. Liever vervolgde hij zijn druipkaasdroom. Hij keek bij de erven van Linda over de schouder. Er gebeurde vanalles op het scherm van de machine. Ko wist niet wat hij zag. ‘Kíjk!’ riepen de erven van Linda.
Er verscheen een venster op het scherm. ‘Híer!’, riepen de erven uitzinnig. De grote schrijver zag niets bijzonders. Letters en plaatjes. Ze bewogen, dat wel. Maar volgens de erven was het heel bijzonder. Ze hadden de internet ontdekt. Ko wist niet wat de internet was, maar volgens de erven was het iets spectaculairs. Net nieuw. Ze waren er op gestuit toen poes Millie over de knopjes was gelopen. De internet was toen zomaar tevoorschijn gesprongen. Er stond hem er vaag iets over bij. De Brabant Bode had er laatst iets over geschreven.
Hij wist bij god niet meer wat. Ko besloot te doen alsof het voor hem gesneden koek was. ‘Ach, de internet. Kennen jullie die nu pas. Dat doe ik al tijden. Leuk hoor, je kunt er puike dingen mee. Ik heb zelfs twee internetten. Gisteren een nieuwe aangeschaft, bij die winkel om de hoek. Hebben ze verschillende internets. Maar die moet je wel goed onderhouden. Is heel belangrijk bij internetten. Wist je dat je er ook spellen mee kunt doen?’ Toen de erven van Linda hem daarop trots en liefdevol aankeken, voelde Ko zich ze helemaal de koning.
Schooltje voor journalistiekjes 4 4
Studenten leren niets op het schooltje voor journalistiekjes, schrijfdocenten zijn kleinzerige, bij het lokale sufferdje boventallig verklaarde biljartcorrespondenten, de televisie leraren trokken op een blauwe maandag kabels voor de stadsomroep en op de afdeling radio werken ze nog met bandrecorders. De schoolleiding schrijft je op ‘in een boekje’ als je iets verkeerds zegt en de koffie is niet te zuipen. Er is veel te doen over het schooltje voor journalistiekjes. Oftewel: de Fontys Hogeschool voor Journalistiek in Tilburg. Sinds Bert Brussen de beerput opende, waden we op het internet al een week door de stront van één de slechtste HBO opleidingen in Nederland. Mooi. (meer)
Het is goed om te zien dat er al die jaren niets is veranderd. Ik ben
nu bijna 10 jaar van het schooltje af en mis het nog iedere dag. De
indrukken die ik in de lokalen opdeed, zijn van onschatbare waarde
geweest. Zelden zo’n stel wereldvreemde figuren meegemaakt.
Ethiek
Allereerst de docenten. Dan was er zo’n lieve man, Huub Evers. Die gaf een vak dat ‘ethiek’ heette. Had een student een geweldige scoop gescoord omdat hij Paul de Leeuw op een onbewaakt ogenblik gekke dingen had horen zeggen, dan kreeg die straf. Want hij had zijn perskaart moeten tonen en meneer De Leeuw moeten vragen of hij dat allemaal wel gemeend had. Zo ging dat, bij dat geweldige vak. Of dan was daar de docent taalbeheersing die de spelfouten aan elkaar reeg in zijn tentamens. En een docente sociologie die haar eigen kleren breide en beweerde dat vrouwen in hun eentje de menselijke beschaving hadden vormgegeven. Landbouwwerktuigen? Vrouwen. Antibiotica? Vrouwen. Kernfusie? Vrouwen! O, wat hebben we gelachen met die gekke juf Pruijt.
Myrte Hilkens
Ze waren ook altijd je punten kwijt, dat docentenvolk. Zaten ze daar onzeker in hun kleine hokjes tussen bergen papieren, vroegen ze: ‘heb je het wel ingeleverd?’ Waarop je (natuurlijk) ja zei. De volgende dag verscheen er dan op magische wijze een zes op je lijst verscheen. Zo heb ik heel wat zessen laten verschijnen. Kroeggeld verdiende ik met het doorverkopen van mijn reportages en achtergrondverhalen aan medestudenten.
Ach, de medestudenten. Zo’n Myrte Hilkens. Die was er ook. Een klein, humeurig Limburgs meisje dat haar hele studie bezig was haar g hard te krijgen. Lekker knus protesteren tegen ‘de leiding’ vanuit het hokje van de Studentenraad. Dat was voor boze studenten het summum, een plek in de Studentenraad. Die vergaderden en maakten een krantje. Ze wilden altijd ‘de dialoog aangaan’ met de schoolleiding. Ze hadden hun mond vol over de kwaliteit van het onderwijs, maar volgden nooit lessen omdat ze het te druk hadden met vergaderen.
Zaltbommel
Het is prettig om te zien dat sommige dingen niet veranderen. De leden van de studentenraad kom ik nog weleens tegen. Ze nemen de telefoon op bij de gemeente Zaltbommel. Ze wassen mijn glas in mijn stamkroeg. Eentje schopte het tot accountmanager.
Ho. Sommige mekkerende medestudenten kwamen wel degelijk in journalistiek terecht. Er zit er één bij de teletekstredactie van Omroep Brabant. Een ander schrijft advertorials voor de Maasbode en dan is er nog de absolute hoogvlieger Myrte Hilkens. Zij is bij een treinkrantje een eenmans doodseskader tegen die schan-da-lige uitbuiting van vrouwen in de porno-industrie en mannen in het algemeen. Ze kan tegenwoordig een hele aardige harde g nadoen.
Deze carrières zijn ook weggelegd voor de huidige huilende studentjes van het schooltje voor journalistiekjes. Zolang ze maar op dezelfde voet doorgaan. Sluit je op en kijk niet verder dan de betonnen blokkendoos van FHJ. Blijf lekker veilig binnen, hou je bezig met randverschijnselen als docenten, studiepunten of lessen en het accountmanagerschap van een beplatingshandel ligt in het verschiet.
Eerder verschenen op: www.dejaap.nl
Ko te Let maakt pret (3) 3 7

De grote schrijver Ko te Let pulkte aan zijn reukorgaan. De neuspulk leek op Peerke. Dat gebeurde hem wel vaker, dat Peerke zich aan hem openbaarde. Hij vertoonde zich in van alles onverhoeds aan Ko. In gordijnen, plassen en nu in een grijsgroen snotje. De oren leken niet echt. (meer)
Ko besteedde er geen aandacht aan. Hij had andere besognes. Hij zat ernstig in de piepzak. Ko moest zijn opwachting maken op het vrouwenboekenbal in de Grote Stad. De Grote Stad, hij moest er niets van hebben. Diep van binnen was hij er bang voor. Het bonkige straatplaveisel, de vele pieremachochels en al die Morianen. Ko vond het niets pluis in de Grote Stad. Hij meed de betonnen negorij liefst als de ziekte.
Maar de literatuur vraagt grote offers. Ko moest daar wel acte de présence geven. Hij ademde zwaar uit en hees zich uit zijn grote schrijversstoel. ‘Hup, in de benen’, maande hij zichzelf. Hij schoot in zijn duffelse jas en beende aan, richting het spoorwegemplacement. ‘Wat een weertje’, smiespelde Ko om iets te zeggen te hebben.
In de trein probeerde hij zich voor te stellen dat hij bij moeder voor de haard zat. Het vuur knapperde en zijn moeder stopte sokken. Ko dronk dampende anijsmelk. Hij voelde zich senang tussen de antimakassars. De Grote Stad was ver weg.
Het stalen ros remde af. Ko schrok wakker en riep verschrikt uit: ‘blikskaters!’. Hij was in de Grote Stad aanbeland. Ko controleerde de ketting aan zijn beurs, verstopte zijn horloge in een heuptasje en plaatste zijn identificatiebewijs op zijn lichaam. ‘De schobbejakken en laaielichters krijgen een taaie kluif aan mij’, mompelde Ko onvast toen hij uit de wagon stapte. Hij had zichzelf ingeprent voor drugs op te passen, niet te praten met hasjkikkers en andere negers en onoirbare zaken op straat te negeren. Kortom, onder alle omstandigheden op zijn qui vive te zijn. Ko wilde elk mogelijk akkefietje met de bokkige Grote Stedelingen voor zijn. Daarom fixeerde hij zijn kijkers straks op het bonkige plaveisel.
Ook schuifelde hij zijwaarts als een krab langs de muren. Hij was bang voor een mes in zijn rug. Het gevaar was overal. Ko voelde zich als de spreekwoordelijke snoek op zolder. Bij het vrouwenboekenbal maakt hij drie bieren soldaat. Tussen het drinken door zorgde Ko altijd dat hij een hand op zijn glas hield.
Ko te Let maak pret (1) 4 2

De grote schrijver Ko te Let keek tussen de gordijnen door naar buiten. Er lag een gebutst bierblik op straat. Het irriteerde Ko. Wat was er gebeurd met die warme burenband? Kon niemand de gedeukte conserve opruimen? Het lag bij zijn onderbuurman voor de deur. Het was zijn verantwoordelijkheid. Hij wendde zich af van het raam en zette zich in zijn grote schrijvers stoel. Ko plukte aan zijn wollen trui. Er zat een pluisje op. Het had een vreemde vorm. Een klein bolletje bovenop een grote. Het was net de oermoeder. (meer)
Ko bestudeerde het stukje stof met enige interesse. Terwijl hij naar het vreemd gevormde plukje keek, kreeg hij zin. Zin om in de pen te klimmen. Hij kreeg serieus goesting in een goede pennenvrucht. Hij zuchtte en liet het pluisje los. Hij hoorde een plof. Er was een brief bezorgd. De envelop lag op de mat. Ko bezag het vanuit zijn grote schrijversstoel. Hij was best nieuwsgierig naar wat de posterijen hem hadden gebracht. Misschien wel een telegram van zijn tante uit Nieuw-Zeeland. Of een liefdesverklaring van een voluptueuze poëzieliefhebster. Hij was opgewonden en benieuwd. Maar ook een beetje gespannen.
Hij overdacht de hele situatie zonder zich te verroeren. Vanuit zijn grote schrijversstoel tuurde hij naar de deurmat. ‘D’r is post’, zei zijn moeder zaliger altijd. Zo van een afstand kon hij niets geks aan de post ontdekken. Ko was op zijn qui-vive. In het verleden had hij tot driemaal toe poepenveloppen gehad. De zaak was nooit opgehelderd. Sindsdien was Ko te Let voorzichtig met poststukken. Hij zuchtte en richtte zich op uit zijn stoel. Hij stond een halve minuut roerloos voor de stoel.
Op zijn sokken slofte Ko ten slotte behoedzaam op de envelop af. Hij was roze en zijn naam stond er in sierlijke letters op. De grote schrijver vermoedde dat het een schrijven van aanzienlijke importantie betrof. Hij liep snel met het poststuk naar de grote schrijversstoel. Hij opende de envelop en trok de brief eruit. Het papier rook naar jasmijn. Ko las de brief die begon met ‘geachte auteur’ en kreeg rode konen.
Het was een uitnodiging voor het vrouwenboekenbal.
Dit verhaal is nog niet verteld, beste lezers. Aanstonds meer over deze belevenis. U moet de groeten hebben van de erven van Linda. We wensen u een fijne aswoensdag.
De makers gemakeld 3 4
Hoe zag het leven eruit in het pre-Cultuurmakelaar tijdperk? Ik stel me zo voor dat het culturele landschap vlak en dor was. De maker zwerft solitair door het culturele veld. Uitgemergeld en radeloos. Waar o waar moet hij naartoe met zijn kunst? Contact met zijn soortgenoten heeft hij niet. En treft hij toevallig een andere maker bij de drinkplaats, dan vloeit er bloed. Waarna de gekwetste cultuurmakers zich terugtrekken in hun veilige makersholen. Ja, het waren barre tijden op die gortdroge Tilburgse kunstsavanne. (meer)
Maar dan verschijnt de Cultuurmakelaar aan de horizon. Hij watert de woestenij en zoekt de makers op. Maker voor maker wint hij hun vertrouwen. De Cultuurmakelaar maakt de wilde kunstenaar tam. Door hem te aaien. Door hem te voeren. Al snel eten de meeste makers uit zijn hand. Als de Cultuurmakelaar in het culturele veld verschijnt, zwermen ze binnen de kortste keren om hem heen.
Maar de Cultuurmakelaar heeft een grootser visioen. Hij wil verbinden. Makelen. Niet langer moet de schrijver of schilder eenzaam door het leven. Dat is zielig. De makers moeten optrekken met andere makers.
Helaas zijn ze niet bijster sociaal. Of opmerkzaam. Ze vinden elkaar niet op die weidse kunstsavanne van Tilburg. Ook zijn ze een beetje bang van elkaar. De maker verschanst zich liever in zijn kleine makersburcht. Daarbuiten vindt hij het eng.
Een doorn in het oog voor Bert Mathijssen, zoals de Cultuurmakelaar ook wel wordt genoemd. Hij laat de makers elkaar besnuffelen. Dat kan hij niet alleen. De reusachtige horde makers vraagt veel verzorging. De Cultuurmakelaar maakt een Bureau. Daarin zitten mensen die de Cultuurmakelaar ‘aanstuurt’. Zij verzorgen de makers die nu massaal om het Bureau heen zwerven.
De Cultuurmakelaar formeert een mooie kudde gedresseerde makers. Om ze te beschermen tegen wilde soortgenoten stopt hij ze in een hok. De Cultuurmakelaar is tevreden. De makers vinden het fijn in het hok.
Helaas is niet overal de kunstwei zo vruchtbaar als hier. Op sommige plekken moeten de makers het doen zonder een hoeder. Het is onvoorstelbaar maar in desolate streken met namen als ‘Amsterdam’ of ‘Rotterdam’ is er niemand om ze te makelen. Makers daar vinden er geen beschutting. Ze moeten hun eigen voer opscharrelen. Hun kunst verpietert in de zon.
Het zijn troosteloze oorden waar niets te beleven valt.
Eerder verschenen op TilburgZ
|
|